Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3630

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C-16-320832 - HA ZA 12-399
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkoming volgt uit deskundigenbericht. Rechtsgeldig ontbonden. Ook vergoeding gevolgschade. Overweging over uitvoerbaarheid bij vooraad. Verwijzing naar schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/320832 / HA ZA 12-399

Vonnis van 27 augustus 2014

in de zaak van

de vennootschap naar Grieks recht

GLOBAL WIRE A.B.E.E.,

gevestigd te Athene, Griekenland,

eiseres,

advocaat mr. I.A. van Rooij te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap

WTN WATER TREATMENT B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.D. Bloemsma te Vriezenveen.

Partijen zullen hierna Global Wire en WTN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 maart 2013;

  • -

    de conclusie na (voorlopig) deskundigenbericht van Global Wire van 13 november 2013;

  • -

    de antwoordconclusie na (voorlopig) deskundigenbericht van WTN van 11 december 2013;

  • -

    het (definitieve) deskundigenbericht;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van Global Wire van 29 januari 2014;

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van WTN van 19 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar en blijft bij hetgeen zij in haar tussenvonnissen van 24 oktober 2012 en 27 maart 2013 heeft overwogen en beslist.

2.2.

In haar tussenvonnis van 24 oktober 2012 heeft de rechtbank reeds als vaststaand feit vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen zo niet direct bij het aangaan van de overeenkomst, dan in elk geval kort nadien dat de ROU aldus diende te functioneren dat het spoelwater na bewerking een zuurtegraad had van minimaal 4 Ph. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierbij nog dat de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst afhankelijk is van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Door WTN is niet betwist dat de technische tekeningen die bij dagvaarding onder productie 5 en nogmaals ter zitting zijn overgelegd, deel uitmaken van de overeenkomst die partijen hebben gesloten op 20 maart 2010. Op deze tekeningen staat vermeld dat de Ph-waarde van het water dat uit de ROU komt, minimaal 4 moet zijn. Dat de Ph-waarde pas na het sluiten van de overeenkomst van 20 maart 2010 (expliciet) ter sprake is gekomen tussen partijen, doet hier niet aan af. Ter zitting is door WTN ook toegelicht dat zij heeft toegezegd dat zij de ROU zo zou aanpassen dat die waarde zou worden behaald. Deze belofte is opgenomen in de door WTN opgestelde brief aan Global Wire van 6 april 2010. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer van WTN dat Ph-waarden geen onderdeel van de overeenkomst zijn geweest en dat de oorspronkelijke opdracht van Global Wire enkel inhield dat een (ReFe)ontijzeringsunit moest worden samengesteld.

Deskundigenbericht

2.3.

Op 14 januari 2014 heeft de deskundige zijn rapport ter griffie gedeponeerd. In dit rapport heeft de deskundige (onder meer) aangegeven dat WTN de ROU heeft afgesteld op PH 2-3, wat buiten het gebruiksgebied van de ROU valt. Tevens zijn de gebruikte metalen onderdelen zichtbaar niet bestand tegen een omgeving waar zoutzuur wordt gebruikt. Als gevolg hiervan is corrosie opgetreden van leidingen en bevestigingsmaterialen [vraag 4]. Daarnaast stelt de deskundige vast dat het gebruik van RO (Reversed Osmosis) voor deze toepassing niet voor de hand ligt, omdat er vervuiling van de membranen van de ROU zal optreden als gevolg van het overschrijden van de oplosbaarheid van ijzer(III)hydroxide (neerslag op membranen) [vraag 5.1]. De membranen zijn buiten hun toepassingsgebied ingezet [vraag 4]. WTN is hierbij voorbij gegaan aan expliciete waarschuwingen van de membraanleverancier over het gevaar van vervuiling van de membranen met ijzer. Zelfs als alleen deeltjesvrij water aan de ROU wordt toegevoerd, zal in de ROU neerslag worden gevormd. De afzetting van neerslag (en dus vervuiling) op de membranen zal een instabiele operatie als gevolg hebben en een snelle afname van de opbrengst van het geproduceerde water [vraag 2]. Over het waswater concludeert de deskundige dat de door Global Wire en WTN gerapporteerde waardes voor de samenstelling hiervan overeenkomen met een normale situatie [vraag 3]. Samengevat stelt de deskundige aldus dat:

- de zuurtegraad van het water dat in de ROU wordt ingevoerd niet verschilt van het water dat de ROU uitscheidt,

- WTN de ROU heeft ingesteld op ingevoerd water met een zuurtegraad van 2 tot 3 Ph omdat in de (in zoverre terechte) visie van WTN bij invoer van water met een lagere zuurtegraad (een hogere Ph-waarde) de beoogde zuivering niet kon plaatsvinden,

- dat evenwel ook bij een zuurtegraad van 2 tot 3 Ph (zelfs als er deeltjesvrij water wordt ingevoerd) de te verwachten neerslag van ijzerdeeltjes het toepassingsgebied van de in de ROU aanwezige membraan te buiten gaat,

- het laatste is slechts anders wanneer het invoerwater een (opgelost) ijzergehalte heeft van maximaal 5 ppm oftewel 0,005 gram per liter, hetgeen een norm is waaraan Global Wire niet kon voldoen.

2.4.

De rechtbank hecht grote waarde aan de bevindingen van de benoemde deskundige, nu deze als onafhankelijk expert is aangesteld. Gezien de zojuist weergegeven bevindingen van de deskundige, concludeert de rechtbank dat de ROU niet beantwoordt aan de koopovereenkomst. Immers is de ROU niet zodanig ingesteld dat de Ph-waarde van het spoelwater na bewerking hoger of gelijk zou zijn aan 4. Voorts is van belang dat uit het deskundigenoordeel blijkt dat die Ph-waarde onverenigbaar is met de door Global Wire gewenste en overeengekomen zuiveringsresultaten van de ROU, nu die resultaten slechts met ingevoerd water van een hogere zuurtegraad (lagere Ph-waarde) bereikt kunnen worden. Ook is hier van belang dat, los van die Ph-waarde, de in de ROU aanwezige membraan qua toepassingsgebied eisen stelt aan de ijzerwaarde van het invoerwater, aan welke waarde Global Wire niet heeft kunnen voldoen en welke bovendien niet strookt met de overeengekomen specificatie op dit punt, die invoer van water met ijzerwaarde tot 0,1% toestaat. Daarnaast zijn de membranen van de ROU buiten hun toepassingsgebied ingezet. WTN is gezien het voorgaande dan ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen geldende overeenkomst.

2.5.

De bezwaren die WTN tegen de benoemde deskundige heeft aangevoerd in haar conclusie na deskundigenbericht van 19 maart 2014 zijn tardief, nu WTN reeds vóór benoeming van deze deskundige de gelegenheid heeft gekregen om haar bezwaren bij akte naar voren te brengen (waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt). Overigens merkt de rechtbank hierbij op dat de omstandigheid dat TNO geen ROU’s zou produceren, niet automatisch betekent dat TNO geen of onvoldoende kennis zou hebben over de ROU.

(Final) Take over protocol

2.6.

WTN heeft nog gesteld dat Global Wire door ondertekening van het ‘(final) takeover protocol’ de ROU zoals die bij haar is afgeleverd, heeft geaccepteerd en goed heeft bevonden. Voor zover WTN daarmee ook heeft bedoeld te stellen dat het (final) take over protocol een vaststellingsovereenkomst is, dat dient ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of een geschil tussen partijen en waaraan Global Wire is gebonden, oordeelt de rechtbank dat deze stelling niet slaagt. Een vaststellingsovereenkomst moet namelijk zijn gesloten met het oog op onzekerheid over of een verschil van mening over hetgeen wat tussen hen rechtens geldt. Dat partijen ten tijde van de ondertekening van het (final) take over protocol in onzekerheid waren of een geschil hadden over de conformiteit van de ROU én dat zij deze onzekerheid of dit geschil wilden beëindigen of voorkomen door middel van ondertekening van het protocol, is door WTN niet, of in ieder geval onvoldoende, gesteld. Tegenover de stelling van WTN heeft Global Wire namelijk aangevoerd dat het take-over protocol niets anders is dan een bevestiging van de aflevering van de ROU en verschillende onderdelen daarvan. Het protocol ziet volgens Global Wire niet op het functioneren van de machine of de juiste kwaliteit van het water. Tegenover deze betwisting had WTN haar (impliciete) stelling meer moeten onderbouwen om deze te laten slagen.

2.7.

De vraag of het ‘final take over protocol’ is vervalst, kan gezien het voorgaande onbesproken worden gelaten.

Ontbinding

2.8.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat WTN toerekenbaar is tekortgeschoten. In beginsel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. WTN heeft niet, dan wel onvoldoende, gesteld dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Global Wire heeft daarom de tussen partijen geldende overeenkomst op goede grond buitengerechtelijk ontbonden.

2.9.

Voorts heeft de ontbinding op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden. Dit is namelijk gebeurd door middel van een schriftelijke verklaring, te weten de brief van 8 november 2011 van Global Wire. WTN heeft niet betwist dat zij de brief van 8 november 2011 heeft ontvangen. Hierdoor heeft de brief haar werking gehad.

2.10.

Het voorgaande betekent dat de door Global Wire gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen is ontbonden door bovengenoemde brief van 8 november 2011, zal worden toegewezen.

2.11.

Nu de ontbinding terecht en rechtsgeldig is geweest, is voor beide partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de koopovereenkomst tot stand gekomen. Voor Global Wire brengt dit een verbintenis tot teruggave van de ROU met zich mee, hetgeen zij ook niet betwist. WTN zal de betaalde termijnen van in totaal € 207.000,- en de transportkosten van € 1.000,- moeten terugbetalen aan Global Wire.

2.12.

De gevorderde wettelijke rente over de door WTN terug te betalen termijnen is in principe toewijsbaar. Echter heeft Global Wire niets gesteld over het verzuim van WTN, terwijl wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van een geldsom in verzuim is. In de door Global Wire overgelegde berekening van de vervallen rente ten aanzien van de betaalde termijnen lijkt Global Wire ervan uit te zijn gegaan dat WTN in verzuim is geweest vanaf de dag van betaling van de desbetreffende termijnen. Global Wire miskent hierbij echter dat een ontbinding geen terugwerkende kracht heeft. Het verzuim kan daarom pas intreden na de ontbinding en na ingebrekestelling en het verstrijken van een in de gebrekestelling genoemde betalingstermijn (nu gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een vertraging die niet aan WTN kan worden toegerekend, nakoming reeds blijvend onmogelijk is, of dat er sprake is van de in artikelen 6:82, tweede lid, en 6:83 BW genoemde gevallen). In de ontbindingsbrief van 8 november 2011 is geen termijn gegeven voor de nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis. Wel is in de brief deze verplichting aangezegd. De rechtbank bepaalt de termijn voor de nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis in redelijkheid op 14 dagen na dagtekening van de ontbindingsbrief. Dat betekent dat de wettelijke rente over de terug te betalen termijnen zal worden toegewezen met ingang van 22 november 2011.

2.13.

De wettelijke rente over de transportkosten is gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 24 februari 2012. Deze zal zoals gevorderd worden toegewezen, nu dit niet is betwist en niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Overigens kan de rechtbank niet meer toewijzen dan wat is gevorderd, waardoor voor de wettelijke rente over de transportkosten een latere ingangsdatum wordt gehanteerd voor de betaalde termijnen.

Gevolgschade

2.14.

Global Wire stelt dat zij als gevolg van de tekortkoming door WTN schade heeft geleden. Deze schade bestaat volgens Global Wire ten eerste uit de kosten van nieuw, schoon water ter hoogte van € 115,- per werkdag. Ten tweede bestaat volgens Global Wire de schade uit overige kosten, zoals verlies van manuren, winstderving en advocaatkosten. Global Wire verzoekt verwijzing naar de schadestaatprocedure voor het opmaken van laatstgenoemde schade.

2.15.

De rechtbank overweegt dat, nu er sprake is van een toerekenbare tekortkoming door WTN, WTN gehouden is tot vergoeding van de schade die Global Wire daardoor lijdt.

2.16.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de waterkosten oordeelt de rechtbank dat WTN het causaal verband tussen haar tekortkoming en het gebruik van extra water door Global Wire onvoldoende heeft betwist. Niet is betwist dat de ROU was bedoeld voor zuivering en neutralisering van water met het doel het water te hergebruiken. Dat zoals Global Wire stelt als gevolg van de tekortkoming nieuw, schoon water moest worden ingekocht, nu de ROU niet kon worden gebruikt voor hergebruik van water, ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand. In dit licht kan WTN niet volstaan met een eenvoudige ontkenning van de aanwezigheid van schade en het verband tussen de schade en de tekortkoming. Het causaal verband tussen de schade aan waterkosten en de tekortkoming neemt de rechtbank daarom als vaststaand gegeven aan, waardoor WTN de waterkosten ten gevolge van haar tekortkoming zal moeten vergoeden.

2.17.

Voorts oordeelt de rechtbank dat WTN de door Global Wire gestelde waterkosten onvoldoende heeft betwist. Immers is, anders dan WTN aanvoert, door Global Wire duidelijk gemaakt wat de prijs van een kubieke meter water is geweest en hoeveel kubieke meters is verbruikt. Tevens is de schade (wel) bepaald en verifieerbaar. De berekening van Global Wire van de waterkosten is door WTN niet betwist. De rechtbank neemt deze dan ook als uitgangspunt in de begroting van de waterschade. Niet is betwist dat de ROU op 31 oktober 2010 gereed had moeten zijn. Derhalve is WTN vanaf dat moment gehouden tot vergoeding van de door Global Wire geleden waterschade. Bij de begroting van de schade moet rekening worden gehouden met het feit dat Global Wire vanaf de ontbinding van de koopovereenkomst op 8 november 2011 de plicht had tot teruggave van de ROU. Vanaf dat moment heeft Global Wire dan ook niet zonder meer uit kunnen gaan van de situatie dat zij nog diende te werken met de ROU, hetgeen de reden is geweest voor de inkoop van nieuw, schoon water. Of, en tot welke hoogte, na de ontbinding door Global Wire waterschade is geleden die WTN dient te vergoeden, hangt daarmee af van de vraag of Global Wire te vergoeden gevolgschade leed. Dat kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Wel is de mogelijkheid van zodanige schade aannemelijk. Voor het opmaken van de waterschade na de ontbinding van de koopovereenkomst zal de rechtbank dan ook verwijzen naar de schadestaatprocedure.

2.18.

De tot de ontbinding door Global Wire geleden waterschade begroot de rechtbank op: (12 maanden (met 25 werkdagen per maand) + 5 werkdagen) x waterschade per dag =

305 werkdagen x € 115,00 = € 35.075,00. Dit bedrag zal worden toegewezen.

2.19.

Nu WTN niet heeft gesteld wanneer de waterkosten door haar zijn betaald, zal de over de waterkosten gevorderde wettelijke rente, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

2.20.

Ten aanzien van de schade die volgens Global Wire bestaat uit andere kosten dan de waterkosten, oordeelt de rechtbank dat Global Wire de mogelijkheid van deze (overige) schade als gevolg van de gestelde wanprestatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank zal daarom WTN veroordelen tot betaling van deze schade, welke schade nader op zal worden gemaakt bij staat. De ingangsdatum van de door Global Wire gevorderde wettelijke rente over deze kosten zal in de schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld, nu niet is gesteld vanaf wanneer deze schade is geleden en de desbetreffende vorderingen opeisbaar zijn. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat een proceskostenveroordeling in principe reeds een vergoeding van de advocaatkosten pleegt in te houden.

2.21.

Dat mogelijk factoren aanwezig zijn die tot vermindering van de schadevergoeding aanleiding kunnen geven (zoals toerekenbaarheid van de schade, of eventuele eigen schuld) is een omstandigheid die in de schadestaatprocedure verder zal moeten worden bekeken.

2.22.

Nu de veroordeling van WTN in de vergoeding van de door Global Wire geleden gevolgschade reeds meebrengt dat WTN aansprakelijk is voor de door Global Wire geleden en nog te lijden schade wegens wanprestatie, wordt de op het laatste betrekking hebbende gevorderde verklaring voor recht afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang.

Proceskosten

2.23.

WTN zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Global Wire worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- informatiekosten exploot € 7,00

- griffierecht € 3.621,00

- deskundige € 12.100,00

- salaris advocaat € 7.000,00 (3,5 punten × tarief € 2.000,-)

Totaal € 22.818,64

Vonnis uitvoerbaar bij voorraad

2.24.

WTN heeft onvoldoende gemotiveerd waarom Global Wire, indien de veroordeling uiteindelijk niet in stand zou blijven, niet in staat zou zijn om het uitgekeerde bedrag terug te betalen. De financiële situatie in Griekenland op dit moment levert op zichzelf nog geen restitutierisico ten aanzien van Global Wire op. Dit vonnis zal daarom voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

2.25.

Een verklaring voor recht is overigens naar haar aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging en kan daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (nogmaals herhaald door de Hoge Raad bij uitspraak van 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815). De aan de verklaring voor recht gekoppelde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat kan wél uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (vgl. Hof Amsterdam, 6 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BE9757). Het laatste zal ook worden gedaan.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

veroordeelt WTN om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Global Wire te betalen € 207.000,- vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 22 november 2011 tot de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt WTN om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Global Wire te betalen € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 24 februari 2012 tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt WTN om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Global Wire te betalen € 35.075,-;

3.4.

veroordeelt WTN tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Global Wire van de door haar geleden en nog te lijden schade wegens toerekenbare tekortkoming van WTN in de nakoming van haar verplichtingen jegens Global Wire die voortvloeien uit de (onderhavige) tussen partijen geldende koopovereenkomst ten aanzien van de installatie met de omschrijving Reverse Osmosis Unit, type WTN RO 5/2,5 met bijbehorende materialen en onderdelen, welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffen volgens de wet;

3.5.

veroordeelt WTN tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Global Wire, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 22.818,64, waarin begrepen € 7.000,- aan salaris advocaat;

3.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen ten aanzien van de installatie met de omschrijving Reverse Osmosis Unit, type WTN RO 5/2,5 met bijbehorende materialen en onderdelen, is ontbonden door de brief van de raadsman van Global Wire van 8 november 2011;

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2014.1

1 type: THN/4595coll: RS/4234