Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3608

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
UTR 14/4792 en UTR 14/4831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Vergunningverlening standplaats playfountain.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/4792 en UTR 14/4831

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2014 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers 1], te [woonplaats], verzoekers 1

(gemachtigde: mr. J. Zwiers),

[verzoeker 2], te [woonplaats], verzoeker 2

(gemachtigde: mr. drs. R.T.M. Lagerweij)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder

(gemachtigden: P. Janse en L. Kok).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats], vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een standplaatsvergunning verleend voor het hebben van een standplaats ter grootte van 10 meter bij 10 meter met een playfountain op het middenterrein van de Brink, tussen het standbeeld van het paard en de muziekkoepel te Baarn voor de periode van 28 juli tot en met 1 september 2014.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Verzoekers 1 en verzoeker 2 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A], directeur [derde-partij] B.V..

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de vergunningverlening een redelijke kans van slagen heeft.

3.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Vergunninghouder heeft op 14 mei 2014 een aanvraag ingediend voor het plaatsen van de PlayFountain op de Brink te Baarn. Bij besluit van 20 mei 2014 heeft verweerder een vergunning verleend voor de periode van 30 mei tot en met 30 juni 2014 voor het hebben van een standplaats met een PlayFountain op de Brink te Baarn. Nadien heeft de vergunninghouder tweemaal verzocht om een wijziging van de vergunde periode. Laatstelijk is de geldigheid van die vergunning gewijzigd naar de periode van 27 juni tot en met 28 juli 2014. Vervolgens is om verlenging van de vergunde periode gevraagd. Daarop is de besluitvorming gevolgd als weergegeven onder het procesverloop.

4.

De stelling van verweerder dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben omdat het een eindige situatie betreft, dat de overlast door het slechte weer minder is, en dat verzoekers een aanbod tot kortere ‘openingstijden’ niet hebben aanvaard, treft geen doel. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de omstandigheid dat verzoekers in het kader van mediation een aanbod tot het verminderen van de overlast niet hebben aanvaard, in dit verband geen rol kan spelen. Verweerder heeft verder aangegeven dat voor 1 september 2014 geen beslissing op de bezwaren van verzoekers zal worden genomen en dat de PlayFountain tot en met die datum in werking zal zijn. Verzoekers hebben aangegeven dat zij met het slechte weer weliswaar minder, maar nog altijd overlast ervaren. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

5.

Artikel 5:17, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2012 (de Apv) bepaalt dat in deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Artikel 5:18, eerste lid, van de Apv, bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

6.

Verzoekers hebben tegen de verleende vergunning voor de eerste periode geen bezwaar gemaakt. Zij hebben in de eerste periode veel overlast ervaren, maar vonden de periode van overlast te overzien. Toen de standplaatsvergunning met het primaire besluit werd verlengd, hebben zij bezwaar gemaakt en onderhavige verzoeken ingediend. Zij hebben het volgende aangevoerd. Er is volgens hen ten onrechte een standplaatsvergunning verleend. De PlayFountain voldoet niet aan de omschrijving van een standplaats, zoals dit is neergelegd in de Apv. Qua aard en uitstraling kan de PlayFountain gelijk worden gesteld met een klein openluchtzwembad. Het gaat om een bouwwerk van 10 meter bij 10 meter. Dit maakt volgens verzoekers dat de standplaatsvergunning op onjuiste gronden en op onzorgvuldige wijze is verleend.

7.

Verweerder heeft toegelicht dat hij heeft gezocht naar het meest passende juridische regime. Met behulp van extensieve interpretatie van de betreffende bepaling in de Apv is de vergunning verleend. Verweerder heeft gemeld dat in andere gemeentes een tijdelijke ijsbaan ook op deze wijze is vergund. Volgens verweerder gaat het hier om het afleveren van diensten zodat de PlayFountain wel te scharen valt onder het begrip standplaats zoals is neergelegd in de Apv.

8.

De voorzieningenrechter overweegt over het begrip standplaats in de Apv het volgende. Het springende punt is in dit geval de omvang en de aard van de PlayFountain. Het woord ‘zoals’ in artikel 5:17, eerste lid, van de Apv, laat weliswaar ruimte voor het scharen van andere fysieke middelen dan een kraam, een wagen of een tafel onder het begrip standplaats. De PlayFountain is echter qua omvang, namelijk 100 m², en qua uitstraling van een geheel andere orde dan een kraam, een wagen of een tafel. De gemeentelijke wetgever heeft ervoor gekozen om deze kleine fysieke middelen als expliciete voorbeelden van een standplaats te noemen en om daar het begrip te koop aanbieden, verkopen en afleveren van goederen of diensten aan te koppelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de PlayFountain niet voldoet aan het begrip standplaats uit artikel 5:17, eerste lid, van de Apv.

9.

De stelling van verweerder dat een tijdelijke ijsbaan in andere gemeentes ook op deze wijze is vergund, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft niet met stukken onderbouwd dat deze situatie zich heeft voorgedaan noch dat een dergelijke situatie in rechte stand heeft gehouden.

10.

Het voorgaande leidt reeds tot het oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Om die reden zal de voorzieningenrechter de overige beroepsgronden niet bespreken.

11.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe en schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de PlayFountain op de Brink in Baarn niet langer vergund is.

12.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974,- voor beide partijen afzonderlijk (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht door verzoekers 1 en verzoeker 2 van elk € 165,- aan hen te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers 1 tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker 2 tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.