Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3496

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
C-16-374462 - JE RK 14-1798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling en beëindiging machtiging uithuisplaatsing. Het laten voortduren van de ondertoezichtstelling leidt tot een verdere bedreiging van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Locatie Utrecht

Zaak-/rolnummers:

C/16/374462 / JE RK 14-1798 (Opheffing ondertoezichtstelling)

C/16/374484 / JE RK 14-1801 (Beëindiging machtiging uithuisplaatsing)

Beschikking van de kinderrechter d.d. 6 augustus 2014

in de zaak van

[vader],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de vader,

tegen

de gezinsvoogdijinstelling

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

mede kantoorhoudende te Utrecht,

nader te noemen: BJZ,

met als belanghebbenden

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht,

nader te noemen: de Raad,

en

[moeder],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de moeder.

met betrekking tot de minderjarige

[kind], geboren op [1998] te [geboorteplaats],

nader te noemen: [kind].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders [moeder] en [vader].

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vader heeft op 30 juli 2014 een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot opheffing van de ondertoezichtstelling en beëindiging van de uithuisplaatsing met betrekking tot [kind].

1.2.

Op 4 augustus 2014 is een brief van de heer [oom] en mevrouw [tante] (oom en tante van [kind] vaderszijde) ingekomen.

1.3.

De vader heeft op 5 augustus 2014 aanvullende stukken overgelegd, inhoudende afschriften van correspondentie van de vader met BJZ.

1.4.

Op 6 augustus 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden. Bij de behandeling zijn verschenen:

- de moeder,

- de vader,

- de heer [A], namens BJZ,

- mevrouw [B], namens de Raad.

[kind] is buiten de aanwezigheid van de overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft [kind] een brief overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[kind] is onder toezicht gesteld van BJZ. De ondertoezichtstelling loopt tot

10 september 2014.

2.2.

Bij beschikking van 10 september 2013 is [kind] uit huis geplaatst in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs, met ingang van 10 september 2013 tot 10 september 2014.

3 Vaststellingen en overwegingen

3.1.

De vader heeft verzocht om met ingang van 6 augustus 2014 de machtiging uithuisplaatsing te beëindigen en de ondertoezichtstelling van [kind] op te heffen. Hij voert daartoe – zakelijk weergegeven – aan, dat hij van oordeel is dat BJZ en de Rading pedagogisch onverantwoord handelen door zonder overleg met de vader en [kind] een regeling voor de zomervakantie te bepalen. BJZ is bovendien nalatig in het bieden van een veilig onderkomen voor [kind]. Het huidige pleegezin is geen veilige plek meer voor [kind] aangezien zij hebben aangegeven te willen stoppen met de plaatsing van [kind] bij hen. De vader heeft begrepen dat de plaatsing per 1 september 2014 zal stoppen. De vader wil graag dat [kind] bij hem komt wonen en [kind] wil dat zelf ook. Het is in het belang van [kind] dat er nu snel duidelijkheid komt over zijn definitieve woonplaats. Na de zomervakantie start hij met een vervolgopleiding en daar moet hij rustig mee kunnen beginnen zonder zich zorgen te hoeven maken waar hij woont. Een ondertoezichtstelling is, in het geval dat [kind] bij zijn vader kan komen wonen, niet aan de orde. De vader heeft aangegeven niet meer met BJZ te willen samenwerken en daar de meerwaarde niet van in te zien aangezien er het afgelopen jaar ook niets is gebeurd. Het handelen van BJZ en Pleegzorg vormen, aldus de vader, op dit moment een ernstiger bedreiging voor de ontwikkeling van [kind] dan als er geen ondertoezichtstelling zou zijn. Een ander doel van de huidige ondertoezichtstelling was om het contact tussen [kind] en zijn moeder weer op te zetten. Naar het oordeel van de vader heeft [kind] daar zelf wel aan gewerkt, maar is BJZ daar nauwelijks bij betrokken geweest. De vader zal het contact tussen [kind] en zijn moeder nooit in de weg staan en hij heeft er vertrouwen in dat [kind] dat zelf verder kan oppakken.

3.2.

BJZ heeft aangegeven dat de aanpak met twee gezinsvoogden in dit geval niet heeft gewerkt en dat er door alle strijd nog niet veel bereikt is voor [kind]. Het doel was en is om [kind] bij de vader te plaatsen. Er wordt al langere tijd geprobeerd met de vader in gesprek te komen om de pedagogische vaardigheden van de vader te onderzoeken. Tot nu toe is dat niet gelukt omdat de vader voorwaarden aan dat onderzoek stelt die niet werkbaar zijn voor BJZ of de Rading. Als [kind] niet bij het huidige pleeggezin kan blijven dan zal er gezocht worden naar een ander pleeggezin. Als [kind] bij zijn vader zou gaan wonen zou het goed zijn de ondertoezichtstelling nog wel te laten doorlopen om te werken aan het herstel van het contact tussen [kind] en zijn moeder. Aan de andere kant lijkt het er wel op dat, door de strijd die er door de vader wordt gevoerd met BJZ en de rading, [kind] niet kan profiteren van een ondertoezichtstelling.

3.3.

De moeder heeft aangegeven dat zij zal inspringen als [kind] haar nodig heeft. Het afgelopen jaar heeft zij bewust het contact tussen haar en [kind] afgehouden omdat [kind] gezegd heeft dat hij haar niet meer wilde zien. [kind] heeft vooral rust nodig. Een plaatsing bij de vader vindt de moeder geen goed idee omdat [kind] op dit moment niet zichzelf is en erg onder de invloed van de vader staat. Het zou beter zijn als [kind] op kamers zou gaan wonen, dan kan hij eigen ideeën ontwikkelen. In ieder geval moet de strijd stoppen.

3.4.

Door de Raad is naar voren gebracht dat het er op lijkt dat [kind] veel last heeft van de strijd die nu door de vader gevoerd wordt met BJZ en Pleegzorg en dat [kind] daar in meegetrokken wordt. Hij probeert op dit moment eigen keuzes te maken. Door nu te kiezen voor het wonen bij zijn vader zonder ondertoezichtstelling is de verwachting van de Raad dat de strijd met BJZ en Pleegzorg van de vader zal stoppen, waardoor [kind] ook rust krijgt. Dat zou wel betekenen dat [kind] zelf een oplossing zal moeten vinden voor de relatie met zijn moeder. Als [kind] een beetje veerkrachtig is zal hij, naar de verwachting van de Raad, daar zijn weg wel in vinden. Er blijven bij de Raad wel zorgen over de depressieve gevoelens van [kind], die bij een eerder onderzoek naar voren kwamen, en de Raad hoopt dat daar- bij een opheffing van de ondertoezichtstelling - hulp voor zal worden gezocht in een vrijwillig kader.

3.5.

Op grond van artikel 1:256 BW kan de kinderrechter op grond van een met het gezag belaste ouder de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daartoe niet meer bestaat. Weliswaar zijn naar het oordeel van de kinderrechter de ontwikkelingsbedreigingen van [kind] nog niet weggenomen, maar de kinderrechter sluit echter niet uit dat het laten voortduren van de ondertoezichtstelling juist zal leiden tot een verdere bedreiging van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind]. Gebleken is dat het afgelopen jaar in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende resultaten zijn geboekt en het lijkt er op dat er vooralsnog ook in de nabije toekomst geen resultaten geboekt kunnen worden. Gezien de strijd die de vader met BJZ en de Rading voert - waar [kind] ook in betrokken wordt -, en het feit dat zowel [kind] als de vader geen enkel vertrouwen meer hebben in BJZ, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling daarom niet verlengen. De kinderrechter heeft daarbij zwaar laten wegen dat de Raad heeft aangegeven dat [kind] gebaat is bij het staken van de strijd van zijn vader waardoor hij rust krijgt en dat die rust bereikt zou kunnen worden door de ondertoezichtstelling op te heffen. De kinderrechter gaat er van uit dat [kind] een manier zal vinden om weer contact met zijn moeder te krijgen.

3.6.

Gezien het voorgaande is een oordeel over de beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing formeel gesproken niet meer nodig. De kinderrechter zal hier ten overvloede echter nog wel een overweging aan wijden, nu er op de zitting uitgebreid over dit punt is gesproken. Naar het oordeel van de kinderrechter is het - alles afwegende - in de gegeven omstandigheden op dit moment in het belang van [kind] dat hij bij zijn vader gaat wonen. Gebleken is dat het erg onzeker is hoe lang [kind] nog in het huidige pleeggezin kan blijven wonen en het voor [kind] belangrijk is dat hij voor het nieuwe schooljaar weet waar hij woont. Daar komt bij dat [kind] zich de afgelopen weken steeds minder welkom is gaan voelen bij het pleeggezin en het dus nog maar de vraag is of hij nog langer in het pleeggezin zou willen blijven. BJZ heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat [kind] bij zijn vader gaat wonen maar dat dit nog niet is gebeurd omdat er geen zicht is op het pedagogisch klimaat bij de vader thuis. Ook de moeder heeft aangegeven dat zij het geen goed idee vindt als [kind] bij zijn vader gaat wonen. Zowel BJZ als de moeder hebben echter geen zwaarwegende concrete zorgen en/of bezwaren kunnen aangeven ten aanzien van het wonen van [kind] bij zijn vader. [kind] is ruim zestien jaar en naar het oordeel van de kinderrechter past bij die leeftijd dat er meer gewicht moet worden gegeven aan de keuzes die een jongere maakt. [kind] heeft heel duidelijk aangegeven dat hij graag bij zijn vader wil wonen. Gesteld noch gebleken is dat er redenen zouden zijn waarom het voor [kind] niet veilig zou zijn bij zijn vader.

4 Beslissing

De kinderrechter

4.1.

heft op de ondertoezichtstelling en beëindigt de uithuisplaatsing van de minderjarige met ingang van 6 augustus 2014;

4.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M. Crouwel, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2014 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.W. Zalm, griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.