Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3475

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
3298293 UV EXPL 14-344 MH/1043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kantonrechter verklaart zich bevoegd in een executiegeschil.

Artikel 438 lid 2 Rv biedt ruimte voor de opvatting dat de in dat artikel genoemde voorzieningenrechter,

ruimer kan worden uitgelegd dan uitsluitend de voorzieningenrechter van de sector civiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/387
Prg. 2014/234

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3298293 UV EXPL 14-344 MH/1043

Kort geding vonnis van 13 augustus 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.C. Vermeul, te Utrecht

tegen:

de stichting

Stichting Portaal,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Portaal,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.J. Jeths, te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van Portaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft per 1 juli 1985 met (de rechtsvoorgangster van) Portaal een huurovereenkomst inzake de woning aan het [adres] te [woonplaats].

2.2.

De kantonrechter te Utrecht heeft bij vonnis van 16 juli 2014, voortbouwend op het tussenvonnis van 12 juni 2013 de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en heeft [eiser] veroordeeld om de woning te ontruimen en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Portaal te stellen. De kantonrechter heeft in het vonnis overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat [eiser] de woning niet meer zelf bewoont en dat zij daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en dat deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

2.3.

De ontruiming van de woning zal plaatsvinden op 20 augustus 2014.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, primair: Portaal te verbieden tot ontruiming over te gaan zolang niet op het (nog in te stellen) hoger beroep is beslist, dan wel subsidiair: Portaal te verbieden over te gaan tot ontruiming, totdat tenminste een maand is verstreken vanaf 14 augustus 2014. Daarnaast vordert [eiser] ook een verbod tot het tenuitvoerleggen van de in het vonnis van 16 juli 2014 opgenomen proceskostenveroorde-ling zolang niet op het hoger beroep is beslist, althans totdat ten minste een maand is verstreken vanaf 14 augustus 2014.

3.2.

[eiser] legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat het vonnis van 16 juli 2014 enkele feitelijke en/of juridische misslagen bevat. Hier toe voert zij het volgende aan:

de kantonrechter heeft ten onrechte niet alle relevante getuigenverklaringen tot uitgangspunt genomen en heeft een aantal schriftelijke getuigenverklaring ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte het woonbelang van haar zoon bij het behouden van de huurwoning niet meegewogen, terwijl deze zoon vanwege zijn beperking een groot belang heeft bij ongehinderde voortzetting van de huurovereenkomst.

Ook heeft de kantonrechter miskend dat [eiser] door het verlenen van mantelzorg aan derden, gedurende langere tijd een aantal dagen per week niet thuis was, hetgeen tot gevolg had dat de buren hebben verklaard dat zij niet meer in de woning verbleef. De kantonrechter had, mede gelet op de in artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet bedoelde rechten hogere eisen aan het door Portaal te leveren bewijs moeten stellen. Portaal heeft slechts twee maal een eigen observatie gedaan.

[eiser] heeft daarnaast gesteld dat zij over meerdere schriftelijke getuigenverklaringen beschikt (een aantal daarvan heeft zij in deze procedure overgelegd) waaruit blijkt dat zij steeds haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Die verklaringen wenst zij in het hoger beroep in te brengen en te laten beoordelen. Voorts stelt [eiser] dat de executie van het vonnis gelet op voornoemde omstandigheden misbruik van recht oplevert mede omdat zij noch haar zoon over andere woonruimte kunnen beschikken.

3.3.

Portaal heeft voor alle weren een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Portaal stelt dat niet de kantonrechter maar de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van 438 Rv (absoluut) bevoegd is van een executiegeschil kennis te nemen, zodat de zaak moet worden verwezen.

3.4.

De kantonrechter verklaart zich bevoegd om van de vordering van [eiser] kennis te nemen en overweegt daartoe als volgt.

De in artikel 438 lid 2 Rv genoemde “voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank” kan ook worden uitgelegd als “de kantonrechter van de sector kanton die onderdeel uitmaakt van de in het eerste lid bevoegde rechtbank” en die moet oordelen in kort geding over een geschil in verband met een uitspraak in een kantonzaak. Deze uitleg doet recht aan de opvatting van de wetgever om de procedure in zaken van de sector kanton en de sector civiel zoveel mogelijk te uniformeren. Het zou het opmerkelijk te noemen zijn dat de wetgever haaks op die gedachte had gemeend dat in de hier aan de orde zijnde executiegeschillen uitsluitend de voorzieningenrechter van de sector civiel bevoegd zou zijn (aldus prof. Mr. A.W. Jongbloed in diens noot bij ktr. Amsterdam 12 augustus 2009, JBPr 2009/62; vgl. verder Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/219). Veeleer is aannemelijk dat de wetgever heeft verzuimd, in de verwachting destijds dat de kantongerechten spoedig in de rechtbanken zouden worden geïntegreerd en als één organisatie verder zouden gaan, om artikel 438 Rv aan te passen aan de strekking van artikel 254 Rv waarin is vermeld dat in alle gevallen waarin kantonrechters ten gronde bevoegd zijn, zij ook een voorlopige voorzieningen mogen verschaffen en waarbij op de kantonrechter van toepassing is verklaard hetgeen omtrent de voorzieningenrechters is bepaald. Daarnaast is in geval van een executiegeschil in een aardzaak, zoals in de onderhavige huurzaak, de procedure minder kostbaar, praktisch en efficiënt, mede gelet op de specifieke kennis en ervaring van de kantonrechter op deze rechtsgebieden. De beoordeling in een executiegeschil raakt toch, ook al vindt er geen “verkapt appel” plaats, (in beperkte mate) aan de inhoud van de materie.

3.5.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.6.

De kantonrechter overweegt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een juridische of feitelijke misslag. Uit hetgeen de kantonrechter in het vonnis van 6 juli 2014 heeft overwogen is genoegzaam komen vast te staan dat [eiser] in de gevoerde procedure zowel in enquête als in de contra-enquête in de gelegenheid is geweest om aan te geven wie zij als getuige wenste te horen en stukken (waaronder schriftelijke verklaringen) in het geding te brengen. De kantonrechter heeft op goede gronden besloten dat stukken die als bijlage aan de conclusie na enquête, zijn gevoegd, tardief zijn en buiten beschouwing moeten blijven. Het enkele feit dat [eiser] thans over meerdere en nieuwe getuigenverklaringen beschikt, is niet relevant aangezien niet is gesteld of gebleken dat zij niet eerder over die verklaringen kon beschikken en derhalve ook niet duidelijk is dat deze niet in de gevoerde bodemprocedure hadden kunnen worden ingebracht.

Het woonbelang van de zoon kan [eiser] niet baten nu de zoon geen huurder of medehuurder is. De klacht over de observaties van Portaal treft geen doel aangezien de kantonrechter naar aanleiding van die observaties Portaal in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren en Portaal vervolgens, nadat Portaal getuigen had gehoord en verklaringen had overgelegd, heeft geoordeeld dat Portaal in haar bewijsopdracht is geslaagd.

3.7.

Uit hetgeen [eiser] verder nog heeft aangedragen is niet gebleken dat Portaal misbruik van haar recht maakt dan wel dat een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis onaanvaardbaar is.

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Portaal worden begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de eisende partij, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.