Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3451

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
C-16-372664 - FA RK 14-4546
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet BOPZ Machtiging voortgezet verblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/372664 / FA RK 14-4546

Machtiging voortgezet verblijf

Beschikking van 5 augustus 2014

op het verzoek van de officier van justitie van 8 juli 2014, tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van:

[naam],

geboren op [1988],

wonende en verblijvende in Altrecht, locatie [woonplaats].

De rechtbank heeft kennis genomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 4 juli 2014 ondertekende en met redenen omklede verklaring van de geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis, alsmede het behandelingsplan, de stand van uitvoering daarvan en de in artikel 37a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) bedoelde aantekeningen.

De rechtbank heeft gehoord:

- de betrokkene,

- mr. C. Lamphen, raadsvrouw van betrokkene,

- de heer J.P. Prins, psychiater.

Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.

De raadsvrouw van betrokkene heeft ter zitting primair verzocht om aanhouding van het verzoek teneinde contraexpertise ten aanzien van de gestelde diagnose plaats te laten vinden. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat betrokkene de diagnose betwist en dat bij een andere betrokkene is gebleken dat een door het NIFP gestelde diagnose geen stand hield bij later verricht psychiatrisch onderzoek. Daarbij heeft de raadsvrouw verzocht het onderzoek te laten uitvoeren door een psychiater waarin betrokkene vertrouwen heeft. Subsidiair heeft de raadsvrouw geconcludeerd tot afwijzing van het onderhavige verzoek daar betrokkene van mening is dat het beter met hem gaat, niet door het feit dat hij medicatie gebruikt, maar door zijn eigen handelen en motivatie. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om, wanneer de rechtbank van oordeel is dat het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf noodzakelijk is, de duur hiervan te beperken, teneinde betrokkene een perspectief te bieden daar hij graag zijn leven buiten de instelling wil opbouwen. Betrokkene kan zelf om hulp vragen wanneer dit nodig is, zoals hij ook heeft gedaan toen hij een voorwaardelijke machtiging had, en ziet in dat hij ambulante hulp nodig heeft.

De psychiater heeft ter zitting, ten aanzien van de verrichte diagnostiek, verklaard dat er, nadat betrokkene is onderzocht bij het NIFP, ook psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden door de instelling na zijn overplaatsing. Zowel het NIFP als de instelling zijn tot een eensluidende hoofddiagnose schizofrenie gekomen. In het kader van de onderhavige machtiging is opnieuw een onderzoek gedaan door een onafhankelijk psychiater, die tot een gelijke diagnose is gekomen. Betrokkene heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de dwangbehandeling met medicatie. De klacht is ongegrond verklaard door de klachtencommissie waar een onafhankelijk psychiater onderdeel van uit maakt. Ook deze psychiater is in het kader van de afwijzing van de klacht tot het oordeel gekomen dat betrokkene een zodanige stoornis had dat een antipsychoticum noodzakelijk was. Een nieuw onderzoek zal niets toevoegen.

Betrokkene lijdt aan langdurige psychotische kwetsbaarheid in het kader van schizofrenie. Teneinde ontregeling te voorkomen behoeft betrokkene medicamenteuze behandeling. Doordat betrokkene hier moeizaam aan meewerkte, is dwangbehandeling gestart als gevolg waarvan het toestandsbeeld is verbeterd. Momenteel is er nog sprake van wisselende medicatieacceptatie. Medicamenteuze behandeling is nodig teneinde betrokkene perspectieven te kunnen bieden. Teneinde dit te kunnen waarborgen is een rechterlijke machtiging nodig. De behandeling zal bestaan uit het opbouwen van een behandelrelatie om vervolgens in de behandeling toe te werken naar verblijfsmogelijkheden buiten de instelling. Daartoe zal naar verwachting nog een jaar nodig zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hoofddiagnose is volgens de bij het verzoek gevoegde geneeskundige verklaring dat betrokkene lijdt aan schizofrenie. Niet alleen in de instelling, maar ook eerder door het NIFP en in het kader van de klacht van betrokkene tegen de aangezegde dwangbehandeling zijn andere deskundigen tot een gelijke diagnose gekomen. Ook in het verleden is deze diagnose gesteld en de psychiater ter zitting heeft bevestigd dat hiervan nog steeds sprake is. De rechtbank begrijpt het verzoek van de raadsvrouw aldus dat betrokkene in die diagnoses geen vertrouwen heeft, nu hij geen vertrouwen heeft in de betreffende deskundigen, zodat een nieuwe diagnose zou moeten worden gesteld door een gedragsdeskundige die betrokkene wel vertrouwt. Het ontstaan van achterdocht is een van de gevolgen als betrokkene zijn medicatie niet gebruikt, zodat niet voor de hand ligt dat een nieuwe diagnose met een soortgelijke uitkomst door betrokkene wel zal worden geaccepteerd. Betrokkene wordt, zoals de psychiater ter zitting heeft verklaard, thans met anti-psychotische medicatie behandeld, als gevolg waarvan sprake is van een gunstig beloop van het toestandsbeeld. Zonder die medicatie zal volgens de psychiater een terugval in het toestandsbeeld optreden. Ook daaruit moet worden afgeleid dat de aan die medicatie ten grondslag liggende diagnose kennelijk valide is.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad, indien de rechtbank geen hernieuwd onderzoek door een deskundige bepaalt. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen evenals het daarmee verbonden verzoek om de beslissing op het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf aan te houden.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat de stoornis van de geestvermogens van betrokkene, te weten schizofrenie, ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken en dat het gevaar, namelijk het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen, niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Er is ten slotte onvoldoende aanleiding om de termijn van de machtiging te beperken, nu niet nu al valt te voorzien dat er de daadwerkelijke opname in een psychiatrisch ziekenhuis veel minder zal zijn dan een jaar.

De rechtbank:

wijst af het verzoek om benoeming van een deskundige en het daaraan gekoppelde verzoek om aanhouding van de beslissing;

verleent een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in Altrecht, locatie Den Dolder, Afdeling Wier of in een ander psychiatrisch ziekenhuis, ingaand heden tot en met 5 augustus 2015;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de verleende machtiging betreft.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. van Beers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.