Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3446

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
16-650804-12, 16-650809-12, 16-711921-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan hennepkwekerij en bezit wapen. Gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf en een geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16-650804-12, 16-650809-12 en 16-711921-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 8 augustus 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014, 25 april 2014 en 25 juli 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, op laatstgenoemde zitting waargenomen door mr. W.J. Ausma, eveneens advocaat te Utrecht.

De bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken met bovengenoemde parketnummers zijn ter terechtzitting gevoegd. Voorts zijn de zaken van verdachte tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16-650805-12, 16-650807-12 en 16-711925-11) en [medeverdachte 2] (16-650808-12 en 16-711923-11).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is ter terechtzitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16-650804-12

feit 1: in de periode van 22 juni tot en met 19 juli 2010 in een pand aan de Tweede [adres 1] te [woonplaats] primair samen met anderen opzettelijk 572 hennepplanten heeft geteeld, subsidiair voornoemd feit niet opzettelijk heeft gepleegd;

feit 2: in de periode van 22 juni tot en met 19 juli 2010 te Utrecht samen met anderen elektriciteit heeft gestolen van Stedin BV;

16-650809-12

in de periode van 6 januari tot en met 24 februari 2011 in een pand aan de [adres 2] te [woonplaats] primair samen met anderen opzettelijk 3510 hennepplanten heeft geteeld, subsidiair medeplichtig is geweest aan deze hennepteelt door voornoemd pand ter beschikking te stellen, meer subsidiair voornoemde 3510 hennepplanten aanwezig heeft gehad;

16-711921-11

feit 1: in de periode van 18 juli tot en met 24 oktober 2011 in een pand aan de [adres 2] te [woonplaats] primair samen met anderen opzettelijk 1123 hennepplanten heeft geteeld, subsidiair medeplichtig is geweest aan deze hennepteelt door voornoemd pand en elektriciteit ter beschikking te stellen, meer subsidiair voornoemde 1123 hennepplanten aanwezig heeft gehad;

feit 2: op 24 oktober 2011 te [woonplaats] twee busjes pepperspray voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 16-650804-12, onder 16-650809-12 en onder 16-711921-11 – feit 1, primair, en feit 2 – heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om de verdachte daarvan vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, subsidiair, van 16-711921-11 heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] eerder dat jaar hennep had gekweekt in zijn schuur en verdachte is door zijn handelen dan ook opzettelijk behulpzaam geweest bij de hennepkwekerij van [medeverdachte 1] die in oktober 2011 werd geëxploiteerd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat geen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en verzoekt de rechtbank dan ook om de verdachte integraal vrij te spreken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende direct bewijs is voor betrokkenheid en wetenschap van verdachte. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het verhuren van een pand op zichzelf genomen onvoldoende is om van medeplegen dan wel medeplichtigheid te kunnen spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van 16-650804-12, 16-650809-12 en 16-711921-11, feit 1, primair

Ten aanzien van 16-650804-12

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals deze zijn ten laste gelegd onder parketnummer 16-650804-12 en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enige manier betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij.

Ten aanzien van 16-650809-12

De rechtbank acht eveneens niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals deze zijn ten laste gelegd onder parketnummer 16-650809-12 en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enige manier betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij.

Ten aanzien van 16-711921-11, feit 1, primair

De rechtbank acht ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 ten laste gelegde feit van 16-711921-11 en zal de verdachte dan ook van dat feit vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte in die mate betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij, dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerken en aldus van medeplegen.

4.3.2

Bewezenverklaring ten aanzien van 16-711921-11, feit 1, subsidiair

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, subsidiair, van 16-711921-11 heeft begaan en baseert haar oordeel op het volgende.

Het bewijs

Op 24 oktober 2011 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen aan de [adres 2] te [woonplaats]. In de kwekerij vond de politie onder andere 1123 hennepplanten.1

De politie heeft monsters genomen. De geselecteerde planten hadden de uiterlijke kenmerken van hennepplanten en gaven bij het testen een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep.2

Stedin BV heeft een kweekperiode vastgesteld van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011, zijnde een volledige hennepoogst van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 28 dagen. Deze periode is gebaseerd op de bevindingen van een medewerker van Stedin in de schuur aan de [adres 2] te [woonplaats], inhoudende: een laag stof op de kappen van de aanwezige assimilatielampen, vervuiling van de koolstoffilters, de aanwezigheid van droge afvalbladeren en droge resten van hennepplanten op de vloer, de aanwezigheid van scharen met restanten van hennepproducten, de aanwezigheid van een dikke kalkaanslag op het zeil dat op de vloer lag en de aanwezigheid van hennepplanten van 28 dagen oud.

Voornoemde medewerker van Stedin heeft voorts waargenomen dat er vanaf het woonhuis aan de [adres 2] een kabel was gelegd naar de schuur op [nummer]. Op deze kabel stond een afzuigventilator ten behoeve van de hennepkwekerij op de benedenverdieping van [nummer] en de tl-verlichting van [nummer] aangesloten. In de woning aan de [adres 2] was de verzegeling van de hoofdaansluitkap van de elektriciteitsaansluiting in de meterkast verbroken en waren de hoofdzekeringen verzwaard.3

Uit gegevens van het Kadaster blijkt dat de woning aan de [adres 2] en de schuur aan de [adres 2] te [woonplaats] eigendom zijn van [medeverdachte 2] en [verdachte].4

Uit een huurovereenkomst blijkt dat voornoemde schuur per 1 januari 2011 werd verhuurd aan [medeverdachte 1].5

Verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij eigenaar is van de hennepkwekerij die is aangetroffen in de schuur aan de [adres 2] te [woonplaats].6

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij destijds af en toe verbleef in zijn woning op het adres [adres 2]. Verdachte heeft voorts verklaard hij wist dat er eerder dat jaar in dezelfde schuur een hennepkwekerij was aangetroffen en dat hij daarop het huurcontract met [medeverdachte 1] wilde ontbinden, maar dat [medeverdachte 1] dat niet wilde.7

Nadere bewijsoverwegingen

Gelet het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel zijn schuur als elektriciteit vanuit zijn woning beschikbaar heeft gesteld ten behoeve van de hennepkwekerij van [medeverdachte 1] in voornoemde schuur. Gelet op de verklaring van verdachte, in onderling verband en nauwe samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, kan het niet anders dan dat verdachte op de hoogte was van de hennepkwekerij.

4.3.3

Bewezenverklaring ten aanzien van 16-711921-11, feit 2

De rechtbank acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tweede feit van 16-711921-11 heeft begaan en baseert haar oordeel op het volgende.

Het bewijs

Op 24 oktober 2011 te [woonplaats] heeft de politie twee busjes pepperspray in beslag genomen bij verdachte [verdachte].8

Onderzoek heeft uitgewezen dat dit voorwerpen betreffen, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een weerloosmakende en/of traanverwekkende stof. Derhalve zijn voornoemde voorwerpen wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6, van de Wet wapens en munitie.9

Aan verdachte [verdachte] is door de politie voorgehouden dat op 24 oktober 2011 in zijn huis aan de [adres 2] te [woonplaats] twee busjes pepperspray zijn aangetroffen. Verdachte heeft daarop geantwoord dat dit kan kloppen en dat hij ze had gekocht.10

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat

16-711921-11, feit 1, subsidiair,

[medeverdachte 1] op tijdstippen in de periode van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011 te [woonplaats], opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of heeft verwerkt in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, van (in totaal) 1123 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op tijdstippen in de periode van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011 te [woonplaats], opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door aan voornoemde [medeverdachte 1] voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en door elektriciteit afkomstig uit zijn, verdachtes, woning ten behoeve van de hennepkwekerij beschikbaar te stellen;

16-711921-11, feit 2

hij op 24 oktober 2011 te [woonplaats], twee busjes pepperspray, zijnde voorwerpen

bestemd voor het treffen van personen met weerloosmakende en/of traanverwekkende stoffen van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

16-711921-11,feit 1, subsidiair: medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

16-711921-11, feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, waarvan 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in verband met het tijdsverloop van de zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte de rechtbank verzocht om een lagere straf op te leggen dan welke door de officier van justitie is gevorderd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de feiten zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is en dat dit feit overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Niet is duidelijk geworden wat het motief van verdachte is geweest om de medeverdachte, zijnde zijn schoonvader, te helpen bij de hennepkweek. Verdachte heeft zich echter kennelijk om al de nadelige gevolgen niet voldoende bekommerd.

Voorts vormen busjes pepperspray een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van deze wapens dient dan ook streng te worden opgetreden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 juni 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor soortgelijke feiten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn in dezen is overschreden. Uit het dossier volgt dat de politie de hennepkwekerijen respectievelijk op 19 juli 2010 en 24 februari en 24 oktober 2011 heeft ontmanteld en dat verdachte op 26 oktober 2011 in verzekering is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat met name deze laatste handeling een vanwege de Staat jegens de verdachte verrichte handeling is waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat op 26 oktober 2011 de redelijke termijn is aangevangen. De behandeling van de strafzaak is niet binnen twee jaar daarna afgerond, terwijl in deze strafzaak geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn geweest die daartoe aanleiding hebben gegeven. De rechtbank doet heden, op 8 augustus 2014, uitspraak, wat betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim negen maanden is overschreden. De ernst van de feiten en de hoeveelheid aangetroffen hennepplanten rechtvaardigen in beginsel zowel een taakstraf als een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is echter van oordeel dat de onderhavige strafzaak gedurende een zeer lange periode zonder duidelijke verklaring en zonder dat hiervoor een verwijt aan de verdachte kan worden gemaakt heeft stilgelegen. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank te leiden tot een strafvermindering.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek passend en geboden is. De rechtbank zal een gedeelte daarvan, te weten 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk opleggen, teneinde de verdachte in de toekomst ervan te weerhouden wederom dergelijke strafbare feiten te plegen. Nu de rechtbank naast de medeplichtigheid aan het kweken van hennep ook het bezit van pepperspray bewezen heeft verklaard, zal de rechtbank ook een geldboete opleggen van

€ 250,-.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank:

verklaart het onder 16-650804-12, 16-650809-12 en het onder 16-711921-11, feit 1, primair, ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

16-711921-11,feit 1, subsidiair: medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

16-711921-11, feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag;

beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P. Glerum, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en H.A. Gerritse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 augustus 2014.

Mr. H.A. Gerritse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

16-650804-12

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2010 tot en met 19 juli 2010 te

Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan

de [adres 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 572

hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2010 tot en met 19 juli 2010 te

Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan de 2e

[adres 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 572

hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 juni 2010

tot en met 19 juli 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid

elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het

weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door

middel van braak en/of verbreking;

16-650809-12

primair

hij in of omstreeks de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011

te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan de [adres 2]) een grote

hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, van (in totaal)

ongeveer 3510 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of

delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks

de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 te Utrecht, in elk

geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt in een pand aan de

[adres 2] een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van

de Opiumwet, van (in totaal) 3510 hennepplanten, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van

welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of

omstreeks de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 te

Utrecht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan voornoemde [medeverdachte 1]

en/of aan voornoemde onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de

teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 6 januari 2011 tot en met 24 februari 2011

te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans

alleen, al dan niet opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[adres 2]) een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van

de Opiumwet, van (in totaal) ongeveer 3510 hennepplanten, althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van die wet;

16-711921-11

1.

primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juli 2011

tot en met 24 oktober 2011 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan de

[adres 2]) een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van

de Opiumwet, van (in totaal) ongeveer 1123 hennepplanten, althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juli 2011 tot en met 24

oktober 2011 te Utrecht, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één

van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid, als

bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, van (in totaal) 1123

hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven

verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 juli

2011 tot en met 24 oktober 2011 te Utrecht, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,

door aan voornoemde [medeverdachte 1] en/of aan voornoemde onbekend gebleven

persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter

beschikking te stellen en/of door elektriciteit (afkomstig uit zijn, verdachtes, woning) ten behoeve van de hennepkwekerij beschikbaar te stellen en/of af te staan;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 18 juli 2011 tot en met 24 oktober 2011 te

Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans

alleen, al dan niet opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[adres 2]) een grote hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van

de Opiumwet, van (in totaal) ongeveer 1123 hennepplanten, althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij op of omstreeks 24 oktober 2011 te Utrecht, in elk geval in Nederland,

twee, althans een of meer, busje(s) pepperspray, zijnde (een) voorwerp(en)

bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende

en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II,

onder 6°, voorhanden heeft gehad.

1 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 136, van het proces-verbaal met nummer PL091A 2011227349, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 371.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 134-135.

3 Het proces-verbaal van aangifte [aangever], namens Stedin Netbeheer BV, met als bijlagen een rapportage diefstal energie en een rapportage visuele waarneming controle netcomponenten, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 225-227.

4 Het geschrift, te weten een uitdraai van het Kadaster, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 44-45, 47-48, 49-50 en 56.

5 Het geschrift, te weten een kopie van een huurovereenkomst, opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 161.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 191-192.

7 De verklaring van verdachte [verdachte], afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2014.

8 Het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 16.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm op gemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 218.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 308.