Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3275

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
UTR 14-2967 en UTR 14-2969
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3334, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom om het verblijf van personen, anders dan voor recreatieve doeleinden, in het logiesgebouw op het perceel te staken en gestaakt te houden. De in het verleden verleende vergunningen maken niet dat daarmee het gebruik anders dan voor recreatief gebruik in afwijking van de bestemming is vergund. Beroep ongegrond. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/2967 en UTR 14/2969

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: G. Voerman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde, verweerder

(gemachtigde: T. Zoonen).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers dan wel het [naam] een last onder dwangsom opgelegd om voor

12 december 2013 het verblijf van personen, anders dan voor recreatieve doeleinden, in het logiesgebouw op het perceel [adres] te [woonplaats] te staken en gestaakt te houden. Daarbij is de dwangsom vastgesteld op € 5.000,- per maand met een maximum van

€ 25.000,-.

Bij besluit van 13 december 2013 heeft verweerder op verzoek van eisers de begunstigingstermijn verlengd tot 15 januari 2014.

Bij besluit van 6 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd, en drs. C.H. Nieborg.

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verweerder ontvangt op 1 februari 2013 een verzoek om handhavend op te treden vanwege overlast op het terrein van Flevo-Natuur van arbeidsmigranten, die verblijven op het perceel [adres]. Verweerder heeft dit verzoek aanvankelijk afgewezen, aangezien verweerder niet is gebleken dat sprake is van een overtreding.

In het kader van de daaropvolgende bezwaarprocedure heeft verweerder met eisers een gesprek gevoerd omdat het vermoeden bestaat dat eisers het logiesgebouw op het perceel in strijd met het bestemmingsplan gebruiken. Op 8 oktober 2013 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van zijn voornemen om een last onder dwangsom op te leggen vanwege het geconstateerde met het bestemmingsplan strijdige gebruik. Eisers hebben op 20 oktober 2013 daarop hun zienswijzen gegeven. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van

12 november 2013 de last onder dwangsom aan eisers opgelegd.

3.

Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat verweerder ten onrechte [naam] heeft aangeschreven, terwijl deze rechtspersoon niet meer bestaat, laten vallen.

4.

Aan de last onder dwangsom ligt ten grondslag dat ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” op het perceel de bestemming “dagrecreatie” met de nadere aanduiding “manege” rust. Het gebruik van het logiesgebouw voor het laten verblijven van personen anders dan voor recreatieve doeleinden past niet in het geldende bestemmingsplan inclusief het overgangsrecht. Aangezien er geen besluit is genomen op grond waarvan afwijkend gebruik is toegestaan, is sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

5.

Het logiesgebouw is gelegen op het perceel [adres]. Niet in geschil is dat ingevolge de planvoorschriften op dat perceel de bestemming “dagrecreatie” met de nadere aanduiding “manege” rust. De als zodanig aangegeven gronden zijn uitsluitend bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen.

Evenmin is in geschil dat gelet op de tekst van het bestemmingsplan het gebruik van het logiesgebouw anders dan voor recreatieve doeleinden in strijd is met het bestemmingsplan. Door het logiesgebouw te gebruiken voor regulier kamerverhuur en tijdelijke bewoning, is sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik door eisers.

6.

Eisers betogen dat gelet op de voorgeschiedenis en de in het verleden verleende vergunningen met de daarbij behorende stukken niet blijkt dat er zodanige restricties zijn opgenomen ten aanzien van het gebruik dat het logiesgebouw alleen ten dienste van de manege mocht worden gebruikt. Eisers wijzen in dit verband op hun voorganger die ook al stagiaires van een nabijgelegen recreatiepark liet overnachten in het logiesgebouw. Eisers zelf verhuren al circa tien jaar kamers aan personen die tijdelijk woonruimte nodig hebben. Dit was bekend of had bij verweerder bekend moeten zijn.

7.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 23 van het bestemmingsplan het gebruik van de grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Dit is echter niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan “Randmerengebied”. Op grond van dat bestemmingsplan had het perceel de bestemming “Bos” en was bebouwing in het geheel niet toegestaan.

8.

Ten aanzien van de vraag of verweerder in het verleden - impliciet - vergunning heeft verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan strijdige gebruik overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit de stukken en de toelichting ter zitting is af te leiden dat verweerder bij besluit van 23 januari 1995 aan een eerdere eigenaar van het perceel een bouwvergunning en vrijstelling heeft verleend voor de duur van vier jaar voor het oprichten van een logiesgebouw. Dit betrof derhalve een tijdelijke vergunning en daaraan is geen nawerking te ontlenen.

Op 17 november 1999 heeft de opvolgende eigenaar vervolgens een aanvraag ingediend voor het oprichten/plaatsen van een slaapgelegenheid van 420 m2. In feite blijkt dit een aanvraag te zijn voor het legaliseren van het reeds bestaande logiesgebouw. Uit de aanvraag blijkt niet van een (beoogd) met het bestemmingsplan afwijkend gebruik. Evenmin blijkt dat uit de nadere schriftelijke toelichting van de aanvrager, het bijbehorende bedrijfsplan dat bij de vergunningaanvraag is overgelegd en de op 15 mei 2001 verleende vergunning. Integendeel, uit het bedrijfsplan valt af te leiden dat het logiesgebouw juist wel bedoeld is voor recreatief gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan. Dit wordt ook bevestigd in de Verklaring van geen bezwaar van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland (GS) van 16 februari 2001. De voorzieningenrechter leidt dit af doordat het college van GS in de Verklaring heeft ingekaderd waar precies de aanvraag op ziet - legalisatie van één (L-vormig) bestaand logiesgebouw ten behoeve van een bestaand natuurgericht recreatief bedrijf - en waar het college een oordeel over moet geven. Uit de overwegingen van het college van GS om de Verklaring van geen bezwaar te verlenen in samenhang bezien met de onderliggende stukken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op te maken dat de in 2001 verleende vergunning juist ziet op beoogd recreatief (nacht)gebruik gerelateerd aan het (paarden)recreatieverblijf en niet om regulier kamerverhuur waar thans sprake van is.

De beroepsgrond van eisers slaagt dan ook niet.

9.

Het betoog van eisers dat ook uit de op 19 mei 2011 verleende vergunning is op te maken dat verweerder toestemming heeft verleend voor het bij hem bekend zijnde strijdige gebruik, slaagt evenmin. Die vergunning ziet immers op de reeds geplaatste carport en niet op het logiesgebouw. Dat aan eisers is toegezegd dat in de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan de huidige bebouwing zal worden geaccepteerd als bestaande bebouwing, maakt niet dat daarmee verweerder heeft toegezegd het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het logiesgebouw te accepteren.

10.

Het voorgaande betekent dat anders dan eisers stellen de in 2001 en in 2011 verleende vergunningen niet maken dat daarmee het gebruik anders dan voor recreatief gebruik in afwijking van de bestemming is vergund.

11.

De conclusie van het voorgaande is dat eisers handelen in strijd met het bestemmingsplan door het logiesgebouw te gebruiken voor reguliere kamerverhuur in plaats voor recreatief (nacht) gebruik. In dat kader is ook van belang dat het [naam] niet meer actief is als bedrijf. Daaruit valt ook op te maken dat thans in het logiesgebouw in het geheel geen toegestane activiteiten meer plaatsvinden in het kader van recreatief nachtgebruik. Eisers hebben derhalve gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 5.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bevoegd was om eisers een last onder dwangsom op te leggen, strekkende ter voorkoming van verdere, soortgelijke overtredingen.

12.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van een bestuursorgaan worden gevergd dat niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

13.

Van concreet zicht op legalisatie is niet gebleken. Er is geen aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat een eventuele aanvraag om ontheffing geen kans van slagen heeft, gezien de recreatieve bestemming en de nabije ligging van een bosperceel. Concreet zicht op legalisatie is er dus niet. Voor zover eisers betogen dat verweerder bekend was met de feitelijke situatie, zodat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat verweerder niet alsnog tot handhaving over zou gaan, is dit niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat naar vaste jurisprudentie aan de omstandigheid dat een bestuursorgaan gedurende een lange periode geen stappen heeft ondernomen om een illegale situatie te beëindigen, op zichzelf niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat van handhaving wordt afgezien. Het tijdsverloop vormt dan ook geen reden voor verweerder om af te zien van handhaving. Voorts is niet gebleken van een toezegging van verweerder waaraan eisers gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat het feitelijke gebruik anders dan voor recreatieve doeleinden was vergund.

Eisers hebben niet verder gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval van handhaving had moeten afzien.

14.

Het beroep is ongegrond.

15.

Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat ter zitting verweerder heeft toegezegd de begunstigingstermijn te verlengen tot minimaal één week na de bekendmaking van deze uitspraak.

16.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.