Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3271

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
16/661991-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland in Utrecht veroordeelde donderdag een 52-jarige man uit Zeist tot zeven jaar gevangenisstraf voor het doden van zijn vrouw op 25 oktober 2013. De rechtbank achtte doodslag bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661991-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 31 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in de PI Grave te Grave.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2014, 29 april 2014 en 17 juli 2014. De verdachte is steeds in persoon verschenen en heeft zich bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ter terechtzitting d.d. 17 juli 2014 laten bijstaan door mr. M.C. van Woudenberg, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 25 oktober 2013 opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn levensgezel [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Naar de mening van de officier van justitie kan het openbaar ministerie niet aantonen dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - kort gezegd - betoogd dat er in het onderhavige geval een viertal contra-indicaties bestaan voor het bestaan van voorbedachte rade en heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde moord.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat het bestanddeel opzet door verdachte in de zin dat hij de dood van het slachtoffer heeft willen teweegbrengen niet door de rechtbank kan worden vastgesteld, ook niet in voorwaardelijke zin. Dit omdat niet uit bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood daadwerkelijk en bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft verzocht ook vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 25 oktober 2013, omstreeks 19:22 uur1, trof de politie [slachtoffer], het slachtoffer, aan in haar woning aan de [adres]. Zij lag met haar rug op de grond, op de grens van de open keuken en de woonkamer. De politie zag dat er roodkleurige striemen om de hals van het slachtoffer zaten.2

De schouwarts3 stelde vast dat het slachtoffer is overleden door extern geweld en dat de verschijnselen mogelijkerwijs passen bij overlijden door asphyxie ten gevolge van strangulatie.

Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer door het Nederlands Forensisch Instituut wordt het overlijden van het slachtoffer verklaard als gevolg van verstikking door bij leven opgelopen samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en de mondbodem. Als gevolg van dat geweld waren er bloeduitstortingen in de mondbodem, in de oppervlakkige en diepe halsspieren en in de slijmvliezen van de keelholte.

Afsluiten van de mondholte (smoren) kan aan het overlijden hebben bijgedragen.4

Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer om haar nek heeft gegrepen, dat hij haar naar de grond heeft gedrukt, dat hij zich naast en boven haar bevond, dat zij met haar rug op de grond lag, dat hij haar heeft vastgehouden en dat zij toen niets meer deed en zich niet verroerde.5

Bewijsoverwegingen

De rechtbank zal verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, vrijspreken van het met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer]. Voor bewezenverklaring van voorbedachte rade is vereist dat, behoudens contra-indicaties, komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte met voorbedachten rade [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

De rechtbank acht evenmin op basis van het dossier bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad [slachtoffer] te doden.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad.

Op grond van bestendige jurisprudentie moet daarbij worden vooropgesteld dat het voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van het slachtoffer - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft met beide handen de hals van [slachtoffer] vastgepakt, en, zo blijkt uit het letsel, haar hals en mondbodem dichtgeknepen. Feit van algemene bekendheid is dat de hals gedurende geruime tijd met kracht moet worden dichtgeknepen voordat de dood intreedt, waarbij het slachtoffer ook duidelijke verschijnselen van verstikking vertoont. Het op deze wijze dichtknijpen van de hals van het slachtoffer door verdachte moet dan ook, mede gelet op de aard van het letsel, naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op levensbedreigend handelen jegens [slachtoffer], dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Van dergelijke contra-indicaties is in dit geval niet gebleken. In dat verband acht de rechtbank op grond van het dossier6 onvoldoende aannemelijk dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in zijn gedrag werd beïnvloed door het op 24 oktober 2013 opgelopen hoofdletsel, zoals door verdachte is gesteld.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde doodslag van [slachtoffer], zoals hierna onder 5 omschreven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 25 oktober 2013 te Zeist, opzettelijk [slachtoffer] (te weten zijn levensgezel) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] gewurgd door de hals en/of de mond van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of te drukken en/of dicht te houden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Noodweer

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte te ontslaan van rechtsvervolging wegens noodweer. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding en dat is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Van culpa in causa kan volgens de verdediging geen sprake zijn.

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat, voor zover daarvan wel sprake was, verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Een beroep op noodweer kan alleen slagen als er sprake is geweest van een situatie waarin het voor verdachte noodzakelijk was om zich te verdedigen. De manier waarop verdachte zich heeft verdedigd, moet bovendien in verhouding staan tot de manier waarop hij is aangevallen. Op een aanval waarbij slechts in beperkte mate geweld wordt gebruikt, mag niet met buitensporig geweld worden gereageerd.

De rechtbank beschikt niet over mogelijkheden om vast te stellen wie door wie is aangevallen. Dat is voor de uitkomst van deze zaak echter ook minder belangrijk. Want zelfs als het inderdaad zo is dat verdachte degene is die is aangevallen, (waarbij de aanval er volgens verdachte uit bestond dat hij door het slachtoffer werd vastgepakt, gestompt, geduwd en bedreigd), dan heeft hij zich tegen die aanval verdedigd op een manier die in geen enkele verhouding staat tot de ernst van die aanval. Verdachte heeft namelijk met kracht en gedurende geruime tijd de hals en mondbodem van het slachtoffer dichtgeknepen tot de dood erop volgde. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte zich niet op een andere, minder heftige wijze had kunnen verdedigen. Ook is niet aannemelijk geworden dat de situatie voor verdachte zo bedreigend was, dat weglopen (al dan niet onder de gegeven omstandigheden) niet als een reëel alternatief kon worden beschouwd.

Kortom, zelfs als het voor verdachte noodzakelijk was om zich te verdedigen, dan heeft hij daarvoor een manier gekozen die niet in verhouding staat tot de ernst van de aanval. Of, om het juridisch te formuleren, heeft hij gekozen voor een manier van verdedigen die niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

doodslag.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Noodweerexces

De verdediging heeft bepleit dat, mocht de rechtbank het noodweerverweer niet honoreren, ontslag van rechtsvervolging moet volgen op grond van noodweerexces.

Daarbij heeft de verdediging betoogd dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, en dat die hevige gemoedsbeweging werd veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer].

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake was van een noodweerexces situatie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Onder bepaalde omstandigheden is iemand die zich verdedigt op een manier die niet in verhouding staat tot de ernst van de aanval toch niet strafbaar. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien iemand handelt onder invloed van een hevige gemoedsbeweging (hevige emoties) die door de aanval is veroorzaakt.

Dat er bij verdachte sprake was van hevige emoties, acht de rechtbank wel aannemelijk. De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat deze hevige emoties in relevante mate een gevolg waren van de gestelde aanval door het slachtoffer. Zoals de rechtbank ook hierna overweegt, waren deze heftige emoties niet zozeer een gevolg van de mogelijke aanval, maar veel meer van de hele (echtscheidings-)situatie waarin verdachte zich op dat moment bevond en waarmee hij niet goed kon omgaan. Dat betekent dat een beroep op noodweerexces niet kan slagen. Los daarvan is er bovendien sprake van zo’n ernstige overschrijding van de mate van geweld waarmee verdachte zich tegen de mogelijke aanval mocht verdedigen, dat ook daarom een beroep op noodweer exces niet kan slagen.

Toerekenbaarheid

In de door het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, over verdachte uitgebracht rapportage d.d. 4 juli 2014 wordt verdachte omschreven als een laaggemiddeld intelligente man met een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven (ook wel bekend als PDD-NOS. Verdachte is hierdoor beperkt in het herkennen van emoties, heeft daardoor moeite met empathie en kan daarom niet goed inschatten wat er in iemand anders omgaat. Bovendien is hij sterk gericht op structuur. Dit alles maakt hem kwetsbaar in situaties waarin de structuur op losse schroeven staat en de toekomst minder voorspelbaar is. Verdachte stond aan de vooravond van een grote verandering in zijn leven, waardoor de structuur overhoop gehaald zou worden, de structuur waaruit hij vanuit zijn PDD-NOS juist zo’n sterke behoefte aan heeft. Verdachte gebruikte doorgaans rationaliteit en vermijding om om te gaan met emotionele situaties, maar kennelijk was dat op die dag niet meer goed mogelijk.

Hoewel de PDD-NOS een ontwikkelingsstoornis betreft, wordt deze binnen het psychiatrische veld geclassificeerd als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Deze stoornis was ook aanwezig in de aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum, L. Vermeulen, GZ-psycholoog, en R.J.P. Rijnders, psychiater, adviseren de rechtbank om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Na de mondelinge behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank geconstateerd dat de Richtlijn psychiatrisch onderzoek en rapportage in stafzaken van 2012 niet meer uitgaat van een gradering in vijf ‘schalen’ (toerekeningsvatbaar, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar, sterk verminderd toerekeningsvatbaar, ontoerekeningsvatbaar), maar dat gelet op de gewijzigde inzichten binnen die beroepsgroep aanbevolen wordt te adviseren: al dan niet of verminderd toe rekenen.

De rechtbank maakt de conclusies van voornoemde deskundigen tot de hare en zal verdachte, gelet op voornoemde richtlijn, als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid een sterk mitigerend effect op de strafmaat zal hebben.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van zijn levenspartner [slachtoffer]. Hiermee heeft hij haar haar kostbaarste bezit ontnomen. Met dit handelen is ook de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed en verdriet aangedaan, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaringen.

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigt.

De rechtbank neemt in deze zaak in aanmerking dat verdachte in een opwelling heeft gehandeld, en dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

In de weken voor het bewezen geachte bestonden er grote relationele spanningen, welke kennelijk hebben bijgedragen aan de huilbuien die verdachte had de dag voorafgaand aan de fatale ruzie. Verdachte stond aan de vooravond van een grote verandering in zijn leven, waardoor zijn structuur overhoop gehaald zou worden. De basisstructuur waaraan hij vanuit zijn PDD-NOS zo sterk behoefte heeft. Verdachte gebruikte doorgaans rationaliteit en vermijding om om te gaan met emotionele situaties, maar kennelijk was dat op die dag niet meer goed mogelijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Bij de bepaling van de strafmaat is dan ook van belang dat er sprake is van voorwaardelijke opzet en verdachte onder grote spanning leefde. Zou er sprake zijn van oogmerk dan was een aanzienlijk langere gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 7 jaren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 16.857,28 aan materiële schade.

De behandeling van een gedeelte van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.515,00, te weten € 27,00 aan reiskosten, € 82,00 (Yarden) en € 1.406,00 (Crematorium Daelwijck). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van de vordering van € 4.367,00 (Monuta) levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, aangezien de rechtbank op basis van de overgelegde bescheiden op voorhand niet duidelijk is op basis van welke voorwaarden de verzekeraars Nationale Nederlanden en ASR hebben uitgekeerd aan Monuta.

Ter zake van de overige – en door de verdediging betwiste - gevorderde schade, te weten Agis (€ 246,62), verlies aan arbeidsvermogen (€ 9.600,00), en overig (€ 1.128,66), is de rechtbank niet gebleken dat het bewezen geachte feit deze schade rechtstreeks heeft toegebracht.

Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 6.939,12 aan materiële schade.

De behandeling van een gedeelte van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 221,91, te weten € 115,92 aan reiskosten en € 106,00 aan overige kosten. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Behandeling van de vordering van € 4.367,00 (Monuta) levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, aangezien de rechtbank op basis van de overgelegde bescheiden op voorhand niet duidelijk is op basis van welke voorwaarden de verzekeraars Nationale Nederlanden en ASR hebben uitgekeerd aan Monuta.

Ter zake van de overige gevorderde schade, te weten oppaskosten (€ 2.347,20), is de rechtbank niet gebleken dat het bewezen geachte feit deze schade rechtstreeks heeft toegebracht.

Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1.515,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter aangebracht kan worden;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 1.515,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 221,91 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter aangebracht kan worden;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 221,91te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2013, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en M.P. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2014.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer] (te weten zijn levensgezel) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] gewurgd door (al dan niet met een voorwerp) de hals en/of de mond van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of te drukken en/of dicht te houden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

1 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2013 en de tijdlijn d.d. 30 december 2013, opgenomen op pagina 192-195 respectievelijk 314 van het proces-verbaal dossiernummer PL0920-2013241540, in de wettelijk vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 471.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2013, opgenomen op pagina 196-198 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, ihb pag 197.

3 Verslaglegging schouw door schouwarts d.d. 26 oktober 2013, opgenomen op pagina 389-392 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, ihb pag 391.

4 NFI-rapport d.d. 16 december 2013 met bijlage, opgenomen op pagina 150-161 van het dossier Forensisch sporenonderzoek, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 223, ihb pag 154 en 155.

5 Proces-verbaal van de zitting van 17 juli 2014, mede inhoudende de verklaring van verdachte.

6 Zoals de verklaring van drs. D.A. Ferro, arts-assistent, namens drs. H.S. Goedee, neuroloog, opgenomen op pagina 464-466 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.