Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3236

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_4822
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak, Archiefwet, weigering toestemming tot raadpleging. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/4822

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de algemene rijksarchivaris, verweerder

(gemachtigde: mr. E.A.T.M. Schreuder).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om inzage in en afschrift van stukken die zich bevinden in het Nationaal Archief in Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en in zijn brief van 11 juli 2014 een nadere toelichting gegeven als reactie op de brief van de rechtbank van 4 juli 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. H.G. Kraai.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat gaat over de weigering van toestemming tot raadpleging van inventarisnummer 817;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover dat gaat over de weigering van toestemming tot raadpleging van inventarisnummer 817;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160,- aan hem vergoedt.

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 261,-;

Overwegingen

1.

Eiser heeft verweerder verzocht om inzage in en afschrift van stukken die zich bevinden in het Nationaal Archief in Den Haag. Eiser heeft in zijn verzoek toegelicht dat zijn verzoek ziet op het archief van de MARID (Marine Inlichtingendienst) en zijn voorgangers in Nederlands Oost-Indië en Nieuw-Guinea en daarbij de inventarisnummers genoemd van de stukken waarop zijn verzoek ziet. Het gaat om de inventarisnummers 782, 783, 805, 806, 808, 816, 817, 818 en 819. Verweerder heeft toestemming tot raadpleging geweigerd voor alle inventarisnummers.

2.

In zijn brief van 11 juli 2014 stelt verweerder dat hij inventarisnummer 817 ten onrechte heeft betrokken bij het primaire besluit en het bestreden besluit. Inventarisnummer 817 is een openbaar stuk en mag daarom door eiser worden geraadpleegd. Hieruit volgt dat verweerder eisers verzoek ten onrechte heeft afgewezen, voor zover dat verzoek ziet op inventarisnummer 817. Het beroep is daarom gegrond.

3.

Voor zover het bestreden besluit niet ziet op inventarisnummer 817, slaagt het beroep niet.

4.

Op het archief van de MARID zijn bij besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 9 april 2003 met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beperkingen aan de openbaarheid gesteld en voorwaarden gesteld voor het kunnen verkrijgen van toestemming tot raadpleging van de archiefbescheiden.

5.

Verweerder heeft eisers verzoek aangemerkt als een verzoek op grond van de Archiefwet 1995 (Archiefwet) en het verzoek afgewezen omdat aan het archief van de MARID met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet beperkingen aan de openbaarheid zijn gesteld en eiser niet aan de voorwaarden voldoet voor het verkrijgen van toestemming tot raadpleging. Verweerder heeft eiser naar aanleiding van zijn verzoek gevraagd een onderzoeksdoel en onderzoeksopzet aan te leveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat raadpleging van de gevraagde documenten in het kader van een wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt. Eiser voert ter zitting aan dat verweerder nooit duidelijk heeft aangegeven hoe een onderzoeksopzet eruit zou moeten zien. Eiser heeft echter op het verzoek van verweerder tot het aanleveren van een onderzoeksdoel en onderzoeksopzet meermalen, in bezwaar en in beroep, bevestigd geen onderzoeksdoel en onderzoeksopzet te hebben. Zijn doel is de documenten op internet te plaatsen en niet het doen van onderzoek. Toen heeft eiser niets gezegd over onduidelijkheid op dit punt. Eiser is dan ook te laat met het aanvoeren van deze beroepsgrond.

6.

Eiser voert aan dat verweerder een belangenafweging had moeten maken tussen zijn belang bij raadpleging van de gevraagde documenten en het belang met het oog waarop de beperkingen zijn gesteld. Eiser verzoekt de gevraagde documenten eventueel geanonimiseerd te verstrekken. Eiser voert aan dat het regime van de Archiefwet in zijn geval strenger uitpakt dan het regime van de Wet openbaarheid van bestuur, zou dat van toepassing zijn geweest. Dit acht eiser een onwenselijke consequentie van het van toepassing zijnde regime van de Archiefwet.

7.

Artikel 17, eerste lid, van de Archiefwet staat verweerder niet toe een eigen belangenafweging te maken bij de beslissing over de toestemming tot raadpleging. Gelet op de aan de openbaarheid gestelde beperkingen in het besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de daarbij gestelde voorwaarden voor toestemming tot raadpleging, moest verweerder het verzoek tot raadpleging afwijzen.

8.

Eiser voert aan dat het besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst waarbij de beperkingen zijn gesteld niet in rechte vaststaat nu het nooit is gepubliceerd. Hij kon daartegen daarom niet eerder bezwaar maken. Het kan zo zijn dat het besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst nooit is gepubliceerd en niet in rechte vaststaat. Dit staat in deze beroepzaak echter niet ter discussie. De rechtbank gaat dan ook uit van het besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst zoals het voorligt. Eisers verzoek tot raadpleging is terecht afgewezen, omdat op de gevraagde documenten, met uitzondering van inventarisnummer 817, beperkingen zijn gesteld aan de openbaarheid met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Archiefwet en niet aan de voorwaarden gesteld in het besluit van de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst is voldaan.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten in verband met het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en het bijwonen van de zitting in beroep. Eiser heeft dit verzoek onderbouwd en het aantal bestede uren, het uurloon en de daadwerkelijk gemaakte kosten aannemelijk gemaakt. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van de reiskosten van Utrecht naar Den Haag, gemaakt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank acht deze kosten redelijk en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt de verletkosten in bezwaar en beroep vast op een bedrag van € 240,- (3,75 uren van € 64,- per uur) en de reiskosten op een bedrag van € 21,- (retourtarief tweede klas).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, voorzitter, en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse en mr. D.A. Verburg, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.