Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3150

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
16-700256-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor het plegen van een roofoverval, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. Veroordeling voor witwassen uit eigen misdrijf tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700256-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 juli 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Nieuwegein, Huis van Bewaring te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. F.E. den Hertog, advocaat te Veenendaal.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

primair: op 27 januari 2014 samen met een ander door middel van geweld en/of bedreiging met geweld een grote hoeveelheid geld heeft gestolen van [aangever 1] en/of [aangever 2];

subsidiair: op 27 januari 2014 samen met een ander [aangever 2] heeft gedwongen om een grote hoeveelheid geld af te geven;

Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 27 januari 2014 tot en met 5 februari 2014 ongeveer 29.000 euro heeft witgewassen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende en in het schriftelijk requisitoir opgesomde bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel feit 1 primair en subsidiair als feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat de uitgelezen camerabeelden niet overeen komen met de verklaring van aangever [aangever 2]. Aangever [aangever 2] verklaart niet dat hij gedurende tien seconden achter de witte bus geparkeerd heeft gestaan, zoals wel blijkt uit de camerabeelden. [aangever 2] heeft voorts verklaard dat de bus met hoge snelheid wegreed, terwijl op de beelden niet te zien is dat de witte bus met hoge snelheid wegreed. Ook blijkt uit de camerabeelden – in tegenstelling tot de verklaring van [aangever 2] – niet dat hij eerst een aantal auto’s en fietsers voor liet gaan, alvorens hij achter de witte bus aan kon rijden. De verklaring dat hij het kenteken niet heeft kunnen lezen is daarom ook ongeloofwaardig.

Daarnaast is het volgens de verdediging opmerkelijk dat op de camerabeelden niet te zien is dat verdachte op de Gierzwaluw loopt, waar hij volgens de verklaring van aangever in de witte bus zou zijn gestapt, terwijl die straat goed zichtbaar is op camera 3. Ook is op de camerabeelden niet te zien dat verdachte de witte bestelbus is ingestapt, terwijl de stoep waaraan de witte bus staat geparkeerd zichtbaar is op camera 5.

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte op 30 januari 2014 een Samsung tablet heeft gekocht voor het bedrag van € 484,73 en contant heeft betaald met briefjes van € 100,-, een nacht heeft overnacht in hotel Van der Valk waar hij de rekening heeft betaald met een briefje van € 100,- en dat hij een ring heeft gekocht ter waarde van € 1.300,-, welke ring ook is afgerekend met briefjes van € 100,-. Met name uit de camerabeelden van de juwelier is te zien dat verdachte het geld uit een witte enveloppe haalt. Het is volgens de verdediging onduidelijk en blijkt op geen enkele wijze, dat de enveloppe die verdachte vasthoudt, ook de enveloppe is die door de moeder van [aangever 2] is meegegeven. Voorts verklaart de moeder van [aangever 2] dat het bedrag van € 10.000,- in de enveloppen bestond uit briefjes van € 50,-. Pas later verklaart zij dat het toch briefjes van € 100,- moeten zijn geweest. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaring van de moeder van [aangever 2] derhalve niet betrouwbaar is.

Voorts heeft de verdediging gewezen op het feit dat de witte bus waarin verdachte zou zijn gestapt niet is gevonden, noch is de bestuurder bekend geworden. Het wapen, de twee gele gesealde geldzakken en de twee Rabobank enveloppen van de moeder van [aangever 2] zijn niet bij verdachte aangetroffen, noch is het geld bij verdachte aangetroffen.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte ontkent een geldbedrag van € 29.000,- te hebben weggenomen en derhalve te hebben verworven, voorhanden te hebben gehad, te hebben overgedragen en/of omgezet. Verdachte heeft bekend een bedrag van € 1.800,- te hebben uitgegeven, dat afkomstig was van een ander misdrijf. Het enkele feit dat verdachte een verklaring geeft over hoe het kan dat hij grote aankopen heeft gedaan, is onvoldoende voor een bewezenverklaring van witwassen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair is de rechtbank van oordeel dat het dossier weliswaar wettig bewijs bevat, het ontbreekt de rechtbank echter aan overtuiging dat verdachte zich op 27 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal onder bedreiging met geweld.

[aangever 2] heeft verklaard dat verdachte onder bedreiging van een pistool een grote som contant geld heeft weggenomen waarmee [aangever 2] en verdachte tezamen auto’s zouden kopen in Polen in opdracht van de heer [aangever 1]. Volgens [aangever 2] heeft verdachte de tas met geld weggenomen op het moment dat [aangever 2] hem kwam ophalen om naar Polen te gaan. Verdachte ontkent dat hij het geld heeft weggenomen. Hij verklaart dat [aangever 2] hem kwam zeggen dat hij iemand anders had gevonden om met hem naar Polen te rijden en dat [aangever 2] hem alleen € 50,- kwam brengen voor de vorige keer dat verdachte was meegereden naar Polen.

De rechtbank overweegt dat de aangifte van [aangever 2] op zichzelf wordt ondersteund door het feit dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte vanaf 30 januari 2014 beschikte over een (relatief) groot geldbedrag, waar hij gelet op zijn inkomsten normaal gesproken niet over zou kunnen beschikken. Ook wordt zijn aangifte ondersteund door camerabeelden van een nabij gelegen winkelcentrum waarop een witte Combo te zien is, waarvan [aangever 2] in zijn aangifte verklaart dat dat de auto is waarin verdachte is gestapt. Uit het dossier blijken echter ook omstandigheden waardoor twijfel wordt opgeroepen over de aangifte van [aangever 2]. Zo komen de camerabeelden van het winkelcentrum op belangrijke punten ook niet overeen met de aangifte en de aanvullende verklaring van aangever. Geconfronteerd met één van die tegenstrijdigheden heeft [aangever 2] verklaard dat hij inderdaad zijn auto achter de witte Combo heeft geparkeerd waarin verdachte volgens hem na diefstal was gestapt. Op dat moment had [aangever 2] telefonisch contact met 112, maar hij heeft toen niet doorgegeven dat hij achter de auto van verdachte stond. Waarom hij dit niet heeft doorgegeven, wordt niet duidelijk uit zijn verklaring. Voor verdachte ligt mogelijk een motief voor de diefstal in schuldenproblematiek vanuit een drugsverleden. De rechtbank constateert dat ook bij [aangever 2] sprake is van schulden vanuit een drugsverleden.

Voorts verklaart de moeder van aangever eerst dat het bedrag van € 10.000,- dat zij aan haar zoon [aangever 2] had geleend ten behoeve van de reis naar Polen bestond uit briefjes van € 50,- en verklaart zij later pas dat dit bedrag uit briefjes van € 100,- bestond. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat iemand bij een dergelijk groot geldbedrag niet meer weet hoe het bedrag is samengesteld.

Tenslotte geeft verdachte een verklaring voor het feit dat hij na 30 januari 2014 over zoveel geld kon beschikken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij een ander strafbaar feit heeft gepleegd, waarmee hij € 4.000,- heeft verdiend. Dat verdachte daarover niet tot in detail wil verklaren doet niet af aan het feit dat dit de grote uitgaven van verdachte kan verklaren.

Al met al bestaan er voor de rechtbank teveel vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen over hetgeen op 27 januari 2014 is voorgevallen om buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[A] heeft als getuige – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik werk in de zaak van juwelier Pave te Veenendaal. U toonde mij zojuist 2 foto’s van een man die ik herkende als een klant die op 31 januari 2014 in de winkel kwam. Ik toonde hem een aantal gouden ringen met diamanten. Eén van die ringen was afgeprijsd van 1854 voor 1300 euro. De man kocht die ring.2 Ik zag dat die man de ring cash betaalde in bankbiljetten van 100 euro.3

Verbalisant [B] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 10 februari 2014 heb ik de beveiligingsbeelden van juwelier Pave te Veenendaal bekeken. Ik zag dat de beelden de datum 31 januari 2014 hadden.4 Ik zag dat een persoon de juwelier binnen kwam lopen. Door de collega’s [C] en [D]is deze man herkend als zijnde de verdachte [verdachte]. Ik zag vervolgens dat de verdachte 13 bankbiljetten, groen van kleur (de rechtbank begrijpt: bankbiljetten van 100 euro), 1 voor 1 uittelde op de toonbank. Ik zag dat de medewerkster deze 13 bankbiljetten vervolgens van de toonbank pakte en achter de kassa legde.5 Ik zag dat de verdachte een kwitantie kreeg van de medewerker. Ik zag dat verdachte met het kleine tasje de zaak uitliep.6

Verbalisant [B] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 24 februari 2014 heb ik de beveiligingsbeelden van het Van der Valk Hotel Breukelen bekeken. Ik zag dat de opnamen de datum 31 januari 2014 registreerden. Ik zag te 00.03 uur een man voor de receptie staan. Door collega [E] is deze man herkend als zijnde de verdachte [verdachte]. Ik zag dat de verdachte een bankbiljet, groen van kleur (de rechtbank begrijpt: een bankbiljet van 100 euro) op de balie legde. Ik zag dat de receptionist dit bankbiljet van de balie pakte.7 Te 13.11 uur zag ik dat de verdachte weer bij de receptie van het hotel stond. Ik zag dat de verdachte aan de receptioniste een bankbiljet, groen van kleur (de rechtbank begrijpt: een bankbiljet van 100 euro), overhandigde.8

Verbalisant [B] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 11 februari 2014 heb ik de beveiligingsbeelden van de Mediamarkt te Ede nader bekeken. Ik zag dat de datum 30 januari 2014 geregistreerd stond. Ik zag een persoon de Mediamarkt binnen komen lopen. Door de collega [D]is deze persoon herkend als zijnde [verdachte].9 Ik zag de verdachte voor de kassa staan. Ik zag dat er een aantal bankbiljetten, groen van kleur (de rechtbank begrijpt: bankbiljetten van 100 euro), op de toonbank van de kassa lagen. Ik zag dat de verdachte richting de uitgang liep. Ik zag dat de verdachte een plastic tas van de Mediamarkt in zijn handen vasthield.10

Verbalisant [D]heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 5 februari 2014 werd verdachte [verdachte] aangehouden. Bij zijn aanhouding had [verdachte] een nieuwe tablet van het merk Samsung bij zich. Door mij werd telefonisch contact gezocht met de Mediamarkt te Ede. Door mij werd gevraagd naar de verkoop van een Samsung Galaxy Note 10.1 2014 editie in combinatie met een Caselogic hoesje op 30 januari 2014. Aan mij werd verteld dat uit het kassasysteem bleek dat er die genoemde middag inderdaad zo een combinatie was verkocht. Mij werd medegedeeld dat de genoemde aankoop was gedaan door een man die de naam [verdachte] had opgegeven. Het totale aankoopbedrag van € 481,73 was door deze man contant afgerekend met briefjes van 100 euro.11

Ter terechtzitting van 19 juni 2014 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb een tablet van € 500,- en een ring van ongeveer € 1.500,- gekocht een aantal dagen na 27 januari 2014. Ik heb dat geld rond 29 januari 2014 met een strafbaar feit verdiend. Ik heb dat geld bewaard in een enveloppe. In die enveloppe heeft nooit meer dan € 4.000,- gezeten.12

De verdachte heeft op 5 februari 2014 bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb nu een uitkering. Ik ontvang 890 euro bijstandsuitkering. Ik heb schulden en zit sinds deze maand in de schuldsanering. Ik krijg nog maar 40 euro per week zakgeld.13

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte in de periode van 27 januari 2014 tot en met 5 februari 2014 heeft kunnen beschikken over een groot geldbedrag en dat verdachte daarmee een aantal contante uitgaven heeft gedaan. Deze contante uitgaven kunnen niet worden verklaard uit de legale inkomsten van verdachte. Verdachte ontvangt een uitkering en beschikte slechts over € 40,- zakgeld per week. De rechtbank stelt voorts op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat het geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte gepleegd misdrijf, waarmee hij € 4.000,- heeft verdiend. Verdachte heeft met dit contante geld een ring, een tablet en een hotelovernachting betaald. Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank bewezen dat verdachte een geldbedrag heeft witgewassen door dit uit misdrijf verkregen geldbedrag over te dragen en om te zetten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 2

omstreeks de periode van 27 januari 2014 tot en met 5 februari 2014, te Veenendaal, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van feit 2: witwassen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak ten aanzien van beide feiten bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis, eventueel aangevuld met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van ongeveer

€ 1.800,-. Het witwassen van gelden heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Verdachte heeft enkel gehandeld uit eigen financieel belang. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 14 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Laatstelijk is verdachte op 25 februari 2014 onherroepelijk veroordeeld voor een diefstal, tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. De rechtbank houdt daarnaast rekening met het gestelde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het reclasseringsadvies dat op 2 april 2014 over verdachte is opgemaakt blijkt dat er meerdere probleemgebieden in het leven van verdachte zijn, die van invloed zijn geweest op zijn delict(verleden). Zo is hij niet adequaat opgeleid en was hij langere tijd voor zijn aanhouding werkloos. Hij functioneert op zwakbegaafd niveau, waarbij vooral het probleemoplossend vermogen van verdachte en zijn verbale begrip beperkt zijn. Er is sprake van forse schulden en verdachte heeft een negatief sociaal netwerk. Daarnaast is er sprake van een drugsverslaving. Positief is dat verdachte voor zijn detentie al bezig was om hulp te vragen om van zijn drugsverslaving en schulden af te komen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank weegt hierin mee dat zij – in tegenstelling tot de officier van justitie – tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde komt. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

9 Het beslag

Onder verdachte is het volgende in beslag genomen:

- een mobiele telefoon van het merk Samsung (goednummer 1104595);

- een computer van het merk Samsung Galaxy (goednummer 1104596).

9.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om ten aanzien van de in beslag genomen goederen de teruggave aan verdachte te gelasten.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen mobiele telefoon van het merk Samsung wordt teruggegeven aan de rechthebbende.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Samsung Galaxy computer verbeurd verklaard wordt.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de mobiele telefoon van het merk Samsung gelast de rechtbank de teruggave aan verdachte.

De computer van het merk Samsung Galaxy behoort aan verdachte toe. Deze kan dit geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu dit voorwerp geheel door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezen geachte is verkregen, wordt het verbeurdverklaard.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de vordering van A. [aangever 1]

A. [aangever 1] heeft een vordering ingediend ter hoogte van € 29.511,92 ter zake van materiële schade.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De rechtbank compenseert de kosten van partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt.

Ten aanzien van de vordering van [aangever 2]

[aangever 2] heeft een vordering ingediend ter hoogte van € 2.237,-, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De rechtbank compenseert de kosten van partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt.

De benadeelde partijen kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2: witwassen.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1.00

STK Mobiel Samsung (goednummer 1104595).

Verklaart verbeurd:

1.00

STK Computer Samsung Galaxy notebook (goednummer 1104596).

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij A. [aangever 1]

Verklaart A. [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

Verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Compenseert de kosten van partijen aldus, dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. de Stigter, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en H.A. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2014.

Mr. H.A. Brouwer is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 27 januari 2014 te Veenendaal, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een (grote) hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s) een pistool, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [aangever 2];

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 januari 2014 te Veenendaal, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een (grote) hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] en/of A.H. [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en /

of zijn mededader(s), welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een pistool, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben gericht op die [aangever 2];

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks de periode van 27 januari 2014 tot en met 5 februari 2014, te Veenendaal, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, te weten (ongeveer) 29000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900 2014021894 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige R. Törelli, d.d. 7 februari 2014, p. 78.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige R. Törelli, d.d. 7 februari 2014, p. 79.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 februari 2014, p. 72.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 februari 2014, p. 73.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 februari 2014, p. 74.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, p. 66.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 februari 2014, p. 67.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 februari 2014, p. 58.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 11 februari 2014, p. 59.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 februari 2014, p. 56.

12 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2014.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 februari 2014, p. 174.