Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3149

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
16-701332-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van meineed tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701332-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 juli 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

Geboren op [1980] te [geboorteplaats],

Wonende te [adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.B. Janssens, advocaat te Oudewater.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 20 maart 2013 als getuige op de terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte er ter terechtzitting van 20 maart 2013, alsmede ten tijde van de verklaringen die hij heeft afgelegd in voorarrest in 2012 geestelijk gezien niet helemaal bij was, waardoor verdachte geen opzet heeft gehad op het valselijk verklaren. De verdediging heeft ten aanzien van de geestestoestand van de verdachte gewezen op het reclasseringsrapport van
2 augustus 2012.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen ten aanzien van meineed op 20 maart 2013

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 20 maart 2013, in de zaak van [A] - zakelijk weergegeven – inhoudende:

De voorzitter doet de getuige voor de rechtbank verschijnen.

Deze getuige antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd [verdachte], geboren op [1980], barman en wonende te [woonplaats].

De getuige legt op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.2

De voorzitter vraagt de getuige of hij blijft bij zijn verklaring zoals hij die eerder vandaag als verdachte in zijn eigen zaak heeft afgelegd.

De getuige verklaart – zakelijk weergegeven –:

Ja, ik blijf bij mijn verklaring zoals ik die eerder heb afgelegd.

De verklaring luidt – zakelijk weergegeven –:

“Het klopt niet dat ik door een motoragent kentekens kan laten checken, met printjes en alles er bij, dat ik hem 1 of 2 meijer betaal voor de informatie en dat ik [A] (verdachte [A]) zonder te betalen laat blowen.

Ik heb [A] geen geld betaald.3

Ik heb niet tegen [B] gezegd dat ik [A] € 50,00 had betaald.”4

Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2013 in de strafzaak tegen [A] – inhoudende ten aanzien van de vastgestelde feiten en omstandigheden–:

Inleiding

Vast staat dat de politie in het onderzoek naar de verdenking betreffende verdachte [[A], destijds brigadier van politie, rechtbank] gebruik heeft gemaakt van pseudokoop, waarbij twee verbalisanten, A-3462 en A-3463, zijn ingezet als pseudokopers. (…)

Feiten en omstandigheden

In het BVH politiesysteem wordt een verzonnen registratie geplaatst, onder andere inhoudende dat er een melding van een beveiligingsbedrijf was dat de inzittenden van een voertuig, een Landrover, kenteken [kenteken] zich verdacht hadden gedragen bij een loods in [plaats]. In het voertuig zaten een blanke man en twee vermoedelijke Antilliaanse personen. Uit onderzoek in [plaats] bleek dat de inzittenden betrokken waren geweest bij het rippen van hennepkwekerijen. Het voertuig betrof een Lease auto. Aan A-3463 werd alleen meegedeeld dat om een donkerkleurige zwarte terreinwagen, met het kenteken [kenteken].

Op 13 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen A-3463 en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte], hierna te noemen: [verdachte]). Tijdens de ontmoeting gaf [verdachte] aan dat hij een kenteken kon laten checken door een agent. Op 15 mei 2012 overhandigde A-4363 een papiertje aan [verdachte] met daarop het kenteken [kenteken] met de mededeling dat het om een donkere terreinwagen ging. Op 16 mei 2012 werd in het P info systeem van de politie het kenteken [kenteken] tweemaal door medeverdachte [A] bevraagd. Op 16 mei 2012 is er telefonisch contact met [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij die gozer heeft gezien en dat hij anderhalve meijer vraagt voor die scooter. [verdachte] heeft verklaard dat met “die scooter” de informatie werd bedoeld die hij voor ”[B]” (de rechtbank begrijpt: agent A-3463) had. Op 17 mei 2012 vond er een ontmoeting plaats tussen A-3463 en [verdachte]. [verdachte] vroeg of het klopte dat het om een Landrover gaat. [verdachte] zei dat er twee negers en een blanke in rijden en dat die gasten zich bezig houden met rippen. Twee weken geleden zijn zij door de beveiliging gezien bij een Loods. [verdachte] zegt dat de agent om honderdvijftig euro had gevraagd, maar dat hij de agent € 50,00 had betaald.

[verdachte] heeft verklaard dat verdachte hem de informatie had gegeven die hij, [verdachte], aan “[B]” had verstrekt. Hij had verdachte € 50,00 betaald voor die informatie in [naam] te [plaats].

Verdachte heeft verklaard dat hij destijds werkzaam was als brigadier bij de politie. Hij had van [verdachte] een kenteken doorgekregen. Dit kenteken had hij vervolgens nagekeken in het politiesysteem. Vervolgens had hij [verdachte] gewaarschuwd.

Overwegingen

De rechtbank acht op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in zijn hoedanigheid als politieambtenaar en in strijd met zijn plicht, tegen betaling van € 50,00, een kenteken in de politiesystemen heeft nagetrokken en de verkregen informatie behorende bij dit kenteken door heeft gegeven aan [verdachte].

Verklaring [verdachte]

De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de verklaring van [verdachte] betreffende de betaling van € 50,00 aan verdachte betrouwbaar.

[verdachte] heeft in zijn derde verklaring bij de politie gedetailleerd verklaard over te betalen bedragen en hetgeen hij uiteindelijk had betaald. Deze verklaring wordt grotendeels ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van A-3463, betreffende de inhoud van zijn contacten met [verdachte] op 16 en 17 mei 2012.

De verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting, dat hij niet meer weet wat hij de politie verteld heeft, dit deels verzonnen heeft en dat de politie er nog wat bij verzonnen acht de rechtbank in het licht van het voorgaande niet geloofwaardig. De rechtbank houdt [verdachte] dan ook aan zijn eerdere, herhaalde verklaring, inhoudende dat hij aan verdachte € 50,00 heeft betaald voor het verkrijgen van de politiegegevens.

(…)

Bewijsoverweging ten aanzien van meineed op 20 maart 2013

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte er ter terechtzitting van 20 maart 2013 en ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen tijdens zijn voorarrest in 2012 geestelijk gezien niet helemaal bij was. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaring ter terechtzitting van 20 maart 2013 zodanig in de war was, dat hij geen opzet heeft gehad op het valselijk verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat in ieder geval niet uit het reclasseringsadvies van 2 augustus 2012. Uit dat reclasseringsadvies blijkt wel van psychiatrische problematiek bij de verdachte, echter dit zou zich met name in de periode van 2008 tot 2010 hebben afgespeeld. Niet is gebleken dat verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaring ter terechtzitting in een zodanig slechte psychische gesteldheid heeft verkeerd dat hij niet bewust heeft verklaard. Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 maart 2013 ook niet alleen maar aangegeven dat hij het niet meer wist, maar heeft juist een gedetailleerde verklaring afgelegd.

De rechtbank heeft voorts geen redenen om te twijfelen aan de destijds bekennende verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, temeer daar hij die verklaring ten tijde van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft bevestigd. De rechtbank neemt de bewijsmotivering ten aanzien van de juistheid van de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting van 20 maart 2013 uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2013 dan ook over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde zinsnede "Ik blijf niet bij mijn verklaringen zoals ik die eerder bij de politie heb

afgelegd. Ik heb in die verklaringen gelogen", nu in deze zinsnede niet voldoende concreet wordt omschreven welke bij de politie afgelegde verklaringen worden bedoeld en deze zinsnede daarom niet als meinedig gekwalificeerd kan worden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 20 maart 2013 te Utrecht ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken bij de rechtbank Midden-Nederland, als getuige in de zaak tegen [A], nadat hij in handen van de voorzitter van de strafkamer op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- heeft verklaard onder meer:

- " Het klopt niet dat ik door een motoragent kentekens kan laten checken, dat ik hem 1 of 2 meijer betaal voor de informatie."

- " Ik heb [A] geen geld betaald."

- " Ik heb niet tegen [B] gezegd dat ik [A] 50 euro had betaald."

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert,

mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, de zaak aan te houden om een onderzoek in te stellen naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het afleggen van de verklaringen voor de politie tijdens zijn voorarrest in 2012.

De rechtbank verwerpt dit verzoek, nu er - gelet op het hiervoor overwogene – geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen die de verdachte ten tijde van zijn voorarrest in 2012 heeft afgelegd. Een aanvullend onderzoek naar de geestestoestand van de verdachte ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen tijdens zijn voorarrest in 2012 wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meineed. De zaak waarin de verdachte een valse verklaring heeft afgelegd betrof de zaak tegen een politieambtenaar die ervan verdacht werd tegen betaling vertrouwelijke informatie in de politiesystemen op te zoeken en door te spelen. De rechtbank beschouwt dit als een zeer ernstige verdenking. Met het afleggen van een valse verklaring ten overstaan van de rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte in die strafzaak, waarin hij als getuige werd gehoord, de waarheidsvinding ondermijnd en de daarmee de rechtsgang belemmerd. Bovendien tast het plegen van meineed de zuivere rechtspleging in het algemeen aan. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 12 juni 2014. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De procedure met betrekking tot het omkopen van een ambtenaar loopt thans nog in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Door de rechtbank is de verdachte ter zake van dit feit op 3 april 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

Ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden heeft de verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2014 verklaard dat hij geen baan heeft en dat hij op dit moment probeert om zijn schulden af te lossen.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten ten aanzien van de bij meineed op te leggen straf, te weten een gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank ziet in het voorgaande geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt en acht een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, conform de eis van de officier van justitie, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert,

mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Brouwer, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en E.M. de Stigter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2014.

Mr. H.A. Brouwer is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 20 maart 2013 te Utrecht ter terechtzitting van de

meervoudige kamer voor strafzaken bij de rechtbank Midden-Nederland,

als getuige in de zaak tegen [A], nadat hij in handen van de voorzitter

van de strafkamer op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had

afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk

geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift

een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt,

mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd

met de waarheid -zakelijk weergegeven- heeft verklaard (onder meer):

- " Ik blijf niet bij mijn verklaringen zoals ik die eerder bij de politie heb

afgelegd. Ik heb in die verklaringen gelogen." en/of

- " Het klopt niet dat ik door een motoragent kentekens kan laten checken, met

printjes en alles erbij, dat ik hem 1 of 2 meijer betaal voor de informatie en

dat ik [A] (verdachte [A]) zonder te betalen laat blowen."

- " Ik heb [A] geen geld betaald."

- " Ik heb niet tegen [B] gezegd dat ik [A] 50 euro had betaald.";

art 207 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0984/2013-050 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2013, p. 4.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2013, p. 5.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 20 maart 2013, p. 6.