Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3148

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
16-661286-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het versturen van meerdere dreig- en poederbrieven naar het CVOM en CJIB tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661286-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 juni 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014. De verdachte is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, ter terechtzitting van 5 juni 2014 niet verschenen en heeft zich niet laten vertegenwoordigen door een advocaat.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 oktober 2012 tot en met 20 februari 2013 medewerkers van het CVOM te Utrecht en/of CJIB te Leeuwaren schriftelijk heeft bedreigd en/of poederbrieven aan voornoemde instanties heeft gestuurd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[aangever 1] heeft namens Centrale Verwerking Openbaar Ministerie als aangever – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik werk als directeur bedrijfsvoering bij de Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie (hierna: CVOM), gevestigd aan de [adres] te [plaats].2 Op 8 januari 2013 heeft het CVOM een brief ontvangen van verdachte. Ik zag dat de verdachte in deze brief schreef dat zijn huidige adres [adres] te [plaats] betrof. Ik zag dat de verdachte schreef: “WEES GEWAARSCHUWD: Nog één “foute” brief en Gods Toorn zal jullie treffen. Ik kom dan met een leger christenen naar CVOM Utrecht of wacht jullie buiten op om jullie te verbranden of god weet wat dan ook. Dit om jullie te bekeren en het licht van god en jezus te tonen in jullie werk bij OM.”3 Ik voelde uit deze woorden een serieuze bedreiging voor mijzelf en mijn collega’s.

Op 10 januari 2013 heeft het CVOM opnieuw een brief ontvangen van de verdachte. Ik zag dat de verdachte in deze brief schreef: “Het adres van CVOM Utrecht is; [adres]… [plaats]. Ik weet dit nu dus stuur géén foute brieven meer want ik kom graag op bezoek en niet voor de grap. Enfin, ik open jullie steeds meer de ogen!!”

Op 18 januari 2013 ontving het CVOM opnieuw een brief van de verdachte. Ik zag dat de verdachte in deze brief schreef: “Ik kom binnenkort even kijken, lees inspecteren of observeren. Dit kan altijd handig zijn voor mij, dus: wees gewaarschuwd!!”

Op 30 januari 2013 is een poederbrief in de postkamer van het CVOM ontvangen. Deze poederbrief is volgens de interne veiligheidsprocedure van het CVOM afgehandeld vanwege het verhoogde veiligheidsrisico voor mijn medewerkers. Ik heb vernomen dat de verdachte in de brief onder andere het volgende schreef: “Ik kom persoonlijk op bezoek en de wraak van de heer zal een feit zijn op: [adres], [plaats]. Jullie gaan dan de lucht in met behulp van kruit, óf jullie verminken door bijtende stoffen etc etc!! Jullie kunnen alsnog goede mensen worden, óf ik dood de heidenen onder jullie want god heeft het gewild!!” Tevens heb ik vernomen dat in de envelop van de poederbrief rode poeder zat. Ik hoorde dat op de achterzijde van de envelop “[adres]” stond. Dit betreft het hoofdkantoor van Shell.4

Op 31 januari 2013 is er een tweede poederbrief in de postkamer van het CVOM ontvangen. Deze brief is wederom volgens interne veiligheidsprocedure van het CVOM afgehandeld. Ik hoorde dat de verdachte in de brief schreef: “Ik was op 30 januari 2013 bij CJIB Leeuwarden en waarschuwde het personeel (de beveiliging) voor de gevolgen bij doorgaan met deze zaak. Dus weg mijn dossier want er komen doden en/of gewonden, ook bij CVOM Utrecht. Niks houdt mij tegen. Ik was immers al in Leeuwarden. Dus blijf de bijbel lezen, bid tot god en zoek liever ander werk, natuurlijk voor jullie eigen veiligheid”. Ik hoorde dat er ook in de envelop van deze dreig- en poederbrief rood poeder was aangetroffen. Ik hoorde dat op de achterzijde van de envelop “[adres]” stond.

Op 4 februari 2013 is een derde poederbrief ontvangen in de postkamer van het CVOM. Deze poederbrief is volgens de interne veiligheidsprocedure afgehandeld. Ik hoorde dat de verdachte in de brief onder andere het volgende schreef: “Ik was vrijdag 1 februari rond 13:45 bij CJIB”. Ik hoorde dat de verdachte in de brief omschreef welke voertuigen in en uit het gebouw zijn gegaan. Ik hoorde dat de verdachte hierbij de kentekens had opgeschreven in zijn brief. Tevens hoorde ik dat de verdachte het volgende schreef in de brief: “ik bewaar deze notities goed en voor deze mensen (personeel of bezoekers) is er mogelijk gevaar dus wacht u maar!!” Daarnaast hoorde ik dat er een notitie bij de brief zat waarin de verdachte schreef: “als ik weet wie jullie zijn, zijn jullie ver van huis. Of juist niet??!!” Ik hoorde dat er ook in de envelop van deze dreig- en poederbrief rood poeder was aangetroffen. Ik hoorde dat op de achterzijde van de envelop “[adres]” stond.

Bovenstaande bedreigingen in samenhang met de poederbrieven vind ik zeer bedreigend voor de medewerkers van het CVOM.5

[aangever 2] heeft als aangever – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik ben beveiligingsmedewerker. Op 5-2-2013 kwam op de locatie [adres] te [plaats] de melding dat er een poederbrief was aangetroffen en dat de afdeling gesloten moest worden.

Door deze poederbrief liggen de werkzaamheden van de postkamer stil en moeten de collega’s hun werk neerleggen. 6

[aangever 2] heeft als aangever – zakelijk weergegeven – voorts het volgende verklaard:

Ik wens namens het CJIB te Leeuwarden,[adres], aangifte van bedreiging te doen. Op maandag 18 februari 2013 kwam de melding van de afdeling DIV dat er een poederbrief aangetroffen was en dat de afdeling gesloten moest worden. Door deze poederbrief liggen de werkzaamheden in de postkamer stil en moeten de medewerkers hun werk neerleggen. Door de dreiging die van deze poederbrief uitgaat, bestaat gevaar voor de veiligheid van de medewerkers van het CJIB en konden wij onze werkzaamheden niet meer uitvoeren.7

Verbalisant [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 5 februari 2013 kreeg ik de melding dat er een poederbrief was aangetroffen bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) in Leeuwarden. Vervolgens heb ik contact opgenomen met [A] van de postkamer. Volgens [A] zag hij dat in de envelop een rood/bruin gekleurd poeder zat die grof van structuur was.8 Op 18 februari 2013 was er wederom melding van een poederbrief bij het CJIB in Leeuwarden. Bij de melding was doorgegeven dat het hierbij om dezelfde afzender ging.9

Verbalisant [verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 18 februari 2013 werd door mij een aangifte ter zake van bedreiging door middel van een poederbrief opgenomen te Leeuwarden. Ten tijde van het opnemen van de aangifte was er sprake van een tweetal poederbrieven. Beide poederbrieven waren blijkbaar van dezelfde afzender, zijnde [adres].10

Verbalisant [verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 7 maart 2013 werd door mij onderzoek verricht naar sporen in verband met ontvangen poederbrieven in Utrecht en in Leeuwarden. Ik ontving twee enveloppen met daarin zogenaamde poederbrieven. Eén enveloppe bevatte in totaal drie poederbrieven afkomstig uit [plaats]. De tweede enveloppe bevatte in totaal zes poederbrieven. De enveloppen waren geadresseerd aan CVOM in Utrecht ofwel CJIB in Leeuwarden. In de enveloppen zag ik een vel of een half vel A4 gelinieerd papier voorzien van geschreven tekst. Ook zag ik in de enveloppen een kleine hoeveelheid rood/bruin poeder. De brieven zijn gekopieerd en aan het proces-verbaal van bevindingen toegevoegd.11

Verbalisant [verbalisant 4] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Vrijwel alle brieven zijn ondertekend met de naam “[verdachte]” en voorzien van parketnummer 96-289123-11. Ook staat er op het merendeel van de brieven het correspondentieadres “[adres] [plaats]”. Alle brieven zijn handgeschreven en de handschriften komen overeen.12

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

In december 2012 kreeg ik een brief van het CJIB. Toen heb ik een brief gestuurd met felle bijbelse teksten. Die brief had ik zowel naar het CJIB als CVOM geschreven. Ik ging in de brieven tekeer.13 Later heb ik het adres van een bedrijf gebruikt, [adres] in [plaats]. Dat is het adres van oliebedrijf Shell.14 Opmerking verbalisant: de brief aan het CVOM wordt getoond. De brief heeft een stempel met “CVOM 8 jan 2013” erop. V: Herken je deze brief? A: Ja dit heb ik geschreven. Dit is een waarschuwing.15

Ter terechtzitting heeft verdachte op 7 januari 2014 verklaard:

Ik beken dat ik ook al die andere brieven heb geschreven.16

Bewijsoverwegingen

Partiele vrijspraak

De rechtbank acht de zinsnede “En zoek vooral geen ruzie met mij want niemand wil dit ervaren” in de eerste tenlastegelegde brief van 23 oktober 2012 geen bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

De brieven aan CVOM van 8 januari, 30 januari en 31 januari 2013

De rechtbank acht de bedreigingen zoals geuit in de brieven van 8 januari 2013, 30 januari 2013 en 31 januari 2013 bedreigingen in de zin van artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. De bedreigingen zijn schriftelijk, per brief, gedaan. Voorts bevatten zij bepaalde voorwaarden waaraan door de ontvanger moet worden voldaan, namelijk dat de ontvanger moet stoppen met het sturen van ‘foute’ brieven, dat de ontvangers alsnog goede mensen kunnen worden, dat de ontvanger het dossier van verdachte weg moet doen en dat de ontvanger de bijbel moet lezen, moet bidden tot god en ander werk moet zoeken.

De brieven aan CVOM van 10 januari, 18 januari en 4 februari 2013

De bedreigingen die verdachte heeft geuit in zijn brieven van 10 januari 2013, 18 januari 2013 en 4 februari 2013 zijn naar het oordeel van de rechtbank op zich niet direct als bedreigend in de zin van art. 285 Sr te kwalificeren, maar gelet op de context waarin deze woorden zijn gebruikt in onderlinge samenhang bezien met de kort daarvoor door verdachte schriftelijk geuite bedreigingen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ook deze passages als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht worden beschouwd.

De rechtbank acht de bedreigingen zoals geuit op 10 januari 2013, 18 januari 2013 en 4 februari 2013 derhalve bedreigingen in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Aan de schriftelijke bedreigingen van 18 januari 2013 en 14 februari 2013 worden – anders dan die van 10 januari 2013 – evenwel geen voorwaarden verbonden waaraan de bedreigde moet voldoen. Daardoor kunnen deze bedreigingen niet gekwalificeerd kunnen worden als bedreigingen in de zin van artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De poederbrieven

Verdachte heeft ontkend brieven met daarin een poederachtige substantie naar het CVOM en het CJIB te hebben gestuurd. De rechtbank acht desalniettemin ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op het navolgende. De verschillende brieven die door het CVOM en het CJIB worden ontvangen bevatten steeds dezelfde afzender, te weten [adres] te [plaats]. Daarnaar gevraagd, verklaart verdachte dat hij weet dat dit het adres is van een kantoor van Shell en dat hij dit adres in zijn brieven heeft gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat dit specifieke daderkennis betreft. Voorts heeft verdachte bekend de brieven zonder poeder verstuurd te hebben aan het CVOM en heeft hij bekend brieven aan het CJIB te hebben gestuurd. Door verbalisanten wordt gerelateerd dat de handschriften van de verschillende brieven in het dossier met elkaar overeenstemmen. De rechtbank stelt derhalve vast dat de brieven door een en dezelfde persoon zijn geschreven. Bovendien is ook in de brieven van 30 januari, 31 januari en 14 februari 2013 aan het CVOM, waarvan de verdachte heeft erkend ze te hebben geschreven rood poeder aangetroffen. Deze brieven zijn in dezelfde periode ontvangen als de brieven gericht aan het CJIB. Gelet op het voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde poederbrieven heeft verstuurd.

De rechtbank is van oordeel dat het versturen van brieven met daarin een poederachtige substantie – in samenhang met het versturen van diverse schriftelijke bedreigingen – telkens een bedreiging oplevert die van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen, terwijl het opzet van de verdachte daarop ook is gericht. Zowel het CVOM als het CJIB hebben kennis genomen van de brieven met poeder en daarop direct veiligheidsmaatregelen getroffen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 23 oktober 2012 tot en met 20 februari 2013 te Utrecht en Leeuwarden,

telkens medewerkers van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) te Utrecht,

schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte meermalen telkens opzettelijk dreigend voornoemde personen schriftelijk de volgende woorden en teksten toegevoegd:

-8 januari 2013 "WEES GEWAARSCHUWD; Nog één 'foute' brief en Gods Toorn zal

jullie treffen. Ik kom dan met een leger christenen naar CVOM Utrecht of wacht jullie buiten op om jullie te verbranden of God weet wat dan ook. Dit om de heidenen onder jullie te bekeren en het licht van god en jezus te tonen in jullie werk bij OM",

-30 januari 2013 "Ik kom persoonlijk op bezoek en de wraak van de heer zal een feit zijn op: [adres], [plaats]. Jullie gaan dan de lucht in met behulp van kruit, of jullie verminken door bijtende stoffen etc etc!! Jullie kunnen alsnog goede mensen worden, of ik dood de heidenen onder jullie want god heeft gewild!!"

-31 januari 2013 "Ik was op 30 januari 2013 bij CJIB Leeuwarden en waarschuwde het personeel (de beveiliging) voor de gevolgen bij doorgaan met deze zaak. Dus weg mijn dossier want er komen doden en/of gewonden, ook bij CVOM Utrecht. Niks houdt mij tegen. Ik was immers al in Leeuwarden. Dus blijf de bijbel lezen, bid tot god en zoek liever ander werk, natuurlijk voor jullie eigen veiligheid"

en

op tijdstippen in de periode van 23 oktober 2012 tot en met 20 februari 2013 te Utrecht en Leeuwarden, telkens medewerkers van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) te Utrecht en/of medewerkers van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte meermalen telkens opzettelijk dreigend voornoemde personen schriftelijk de volgende woorden en teksten toegevoegd:

-10 januari 2013 "Het adres van CVOM Utrecht is; [adres]..[plaats]'. Ik weet dit nu dus stuur géén foute brieven meer want ik kom graag op bezoek. En niet voor de grap. Enfin, ik open jullie steeds meer de ogen!!",

-18 januari 2013 "Ik kom binnenkort even kijken, lees inspecteren of observeren. Dit kan altijd handig zijn voor mij, dus: wees gewaarschuwd!!",

-4 februari 2013 "Ik was vrijdag 1 februari rond 13:45 bij CJIB" en "Ik bewaar deze notities goed en voor deze mensen (personeel of bezoekers) is er mogelijk gevaar dus wacht u maar!!" en "als ik weer wie jullie zijn, zijn jullie ver van huis. Of juist niet??!!",

en heeft verdachte op tijdstippen in voornoemde periode

- enveloppen met daarin een poederachtige substantie gestuurd naar het CVOM en het CJIB daarmee de suggestie wekkend dat er een voor de volksgezondheid gevaarlijke stof werd verspreid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde is geschied, meermalen gepleegd.

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de rapportage pro justitia van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum van 13 maart 2014. Daaruit blijkt dat betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van autisme. De pathologie van betrokkene is zo doordringend op alle terreinen van het leven aanwezig dat betrokkene niet in staat is normaal sociaal aangepast te functioneren. Verdachte is niet in staat om dat wat hem overkomt op adequate wijze aan te pakken en indien nodig, te veranderen. Bij gebrek aan overzicht in een complexe situatie kiest betrokkene voor een inadequate oplossingsstrategie. Er is vanuit pathologie sprake van een gebrek aan inlevingsvermogen en een hierdoor gecompromitteerd geweten, wat een gebrekkige rem op zijn handelen tot gevolg heeft. De vastgestelde autistische stoornis is chronisch en was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het hem ten laste gelegde.

De rechtbank neemt deze conclusie over en volgt dit advies.

Gelet op het voorgaande kan het bewezen verklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat hij, zij het in sterk verminderde mate, strafbaar is voor zijn daden.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan een reeks bedreigingen van medewerkers van het CVOM en het CJIB, door aan deze organisaties verschillende dreigbrieven en poederbrieven te sturen. De directe aanleiding voor deze bedreigingen werd gevormd door het feit dat verdachte het niet eens is met een boete die hem is opgelegd. In zijn brieven sommeerde de verdachte het CVOM en CJIB om deze boete in te trekken. Uit de aangifte van de directeur bedrijfsvoering van het CVOM blijkt dat de medewerkers de bedreigingen in samenhang met de poederbrieven als zeer bedreigend hebben ervaren. Zij moeten zich in hun werkomgeving immers veilig kunnen voelen. Uit de aangifte van de beveiligingsmedewerker van het CJIB blijkt voorts dat de werksfeer door de poederbrieven is verstoord en dat de poederbrieven veel onrust op de afdeling hebben veroorzaakt. Bovendien moet na iedere ontvangen poederbrief de afdeling in zijn geheel gesloten worden, wat voor het CVOM en het CJIB veel overlast veroorzaakt. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 24 april 2014. Daaruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet voor een soortgelijk feit in aanraking is gekomen met justitie. Wel is hij in 2007 eenmaal eerder veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf ter zake van bedreiging. Deze veroordeling is onherroepelijk.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de rapportage pro justitie van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum van 13 maart 2014. Overeenkomstig de conclusies van de deskundige zal de rechtbank voornoemde handelingen slechts in sterk verminderde mate aan verdachte toerekenen. De kans op recidive wordt als groot ingeschat. Langdurige ambulante begeleiding door een forensisch ACT-team met daarbij expertise op het gebied van begeleiding van mensen met een autistische stoornis lijkt nu het meest aangewezen. Betrokkene staat hier echter maar zeer matig voor open. Hij lijkt niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling en begeleiding.

In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte is als bijzondere voorwaarde gesteld dat verdachte zich onder begeleiding moet stellen van de reclassering. Ten aanzien van dit toezicht heeft de rechtbank een afloopbericht van Reclassering Nederland ontvangen van 3 juni 2014. Uit dit afloopbericht blijkt dat de verdachte geen contact wil met de reclassering. Ook aan de Forensische Polikliniek Palier heeft verdachte schriftelijk laten weten dat hij niet zal meewerken. Verschillende pogingen om contact met verdachte te krijgen zijn niet geslaagd. De reclassering ziet geen mogelijkheden om de begeleiding van verdachte van de grond te laten komen. De reclassering adviseert daarom om aan verdachte geen bijzondere voorwaarden te stellen.

Hoewel de rechtbank de situatie van verdachte zorgelijk vindt, mede in het licht van de gepleegde strafbare feiten, en behandeling en begeleiding van verdachte geboden lijkt, zal de rechtbank er niet toe overgaan om zo’n behandeling of begeleiding op te leggen. Gelet op het ontbreken van enig ziekte-inzicht en enige bereidheid tot medewerking acht de rechtbank dit niet zinvol. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 5 maanden wordt passend geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden geschied, meermalen gepleegd,

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. H.A. Brouwer en R.G.A. Beaujean, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2014.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 oktober 2012

tot en met 20 februari 2013 te Utrecht en/of Leeuwarden, althans in Nederland,

(telkens) een of meer medewerker(s) van de Centrale Verwerking Openbaar

Ministerie (CVOM) te Utrecht en/of medewerker(s) van het Centraal Justitieel

Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden,

(schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde) heeft bedreigd met enig

misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen

ontstaat en/of met enig misdrijf ten het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft verdachte (meermalen) (telkens) opzettelijk dreigend voornoemde

personen schriftelijk de volgende woorden en/of teksten toegevoegd:

-(23 oktober 2012) "En zoek vooral geen ruzie met mij want niemand wil dit ervaren",

-(8 januari 2013) "WEES GEWAARSCHUWD; Nog één 'foute' brief en Gods Toorn zal

jullie treffen. Ik kom dan met een leger christenen naar CVOM Utrecht of wacht

jullie buiten op om jullie te verbranden of God weet wat dan ook. Dit om de

heidenen onder jullie te bekeren en het licht van god en jezus te tonen in

jullie werk bij OM",

-(10 januari 2013) "Het adres van CVOM Utrecht is; [adres]

..[plaats]'. Ik weet dit nu dus stuur géén foute brieven meer want ik kom

graag op bezoek. En niet voor de graf. Enfin, ik open jullie steeds meer de

ogen!!",

-(18 januari 2013) "Ik kom binnenkort even kijken, lees inspecteren of

observeren. Dit kan altijd handig zijn voor mij, dus: weer gewaarschuwd!!",

-(30 januari 2013) "Ik kom persoonlijk op bezoek en de wraak van de heer zal

een feit zijn op: [adres], [plaats]. Jullie gaan dan de lucht

in met behulp van kruit, of jullie verminken door bijtende stoffen etc etc!!

Jullie kunnen alsnog goede mensen worden, of ik dood de heidenen onder jullie

want god heeft gewild!!"

-(31 januari 2013) "Ik was op 30 januari 2013 bij CJIB Leeuwarden en

waarschuwde het persoon (de beveiliging) voor de gevolgen bij doorgaan met deze zaak. Dus weg mijn dossier want er komen doden en/of gewonden, ook bij

CVOM Utrecht. Niks houdt mij tegen. Ik was immers al in Leeuwarden. Dus blijft

de bijbel lezen, bid tot god en zoek liever ander werk, natuurlijk voor jullie

eigen veiligheid" en/of

-(4 februari 2013) "Ik was vrijdag 1 februari rond 13:45 bij CJIB" en/of "Ik

bewaar deze notities goed en voor deze mensen (personeel of bezoekers) is er

mogelijk gevaar dus wacht u maar!!" en/of "als ik weer wie jullie zijn, zijn

jullie ver van huis. Of juist niet??!!",

en/of heeft verdachte op een of meer tijdstippen in voornoemde periode

- een of meer enveloppen met daarin een (witte) poederachtige substantie

gestuurd naar het CVOM en/of het CJIB (daarmee de suggestie wekkend dat er een

voor de volksgezondheid gevaarlijke stof werd verspreid);

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL091A 2013063437 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, d.d. 7 februari 2013, p. 26.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, d.d. 7 februari 2013, p. 27.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, d.d. 7 januari 2013, p. 28.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, d.d. 7 februari 2013, p. 29.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 2], d.d. 5 februari 2014, p. 55.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 2], d.d. 18 februari 2013, p. 71.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 februari 2013, p. 61.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 februari 2013, p. 62.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 februari 2013, p. 73.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 maart 2013, p. 86 en 87.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 april 2013, p. 79.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 21 maart 2013, p. 18.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 21 maart 2013, p. 19.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 21 maart 2013, p. 21.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 7 januari 2014, p. 1.