Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3068

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
16/700579-14 en 23/004932-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen op 8 februari 2014 een slachtoffer met geweld in een park in Amersfoort van zijn tas met inhoud beroofd. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, te weten een plaatsing in een jeugdinrichting voor jongeren voor de duur van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/700579-14 en 23/004932-11 (tul)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

Geboren op [1994] in [geboorteplaats],

Wonende[adres] [woonplaats],

Thans verblijvende te Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D.G. Nagel, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Feit 1: op 8 februari 2014 samen met anderen met geweld en bedreiging van een vuurwapen een tasje en een geldbedrag heeft gestolen van [aangever].

Feit 2: op 14 april 2014 een wapen in zijn bezit heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat beide feiten bewezen kunnen worden verklaard en verwijst daarvoor naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 2 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 1 is de verdediging van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging voert hiertoe aan dat de aangifte van [aangever] het enige bewijsmiddel in het dossier is en dat van de verklaringen van aangever niet zonder meer kan worden uitgegaan omdat ze tegenstrijdigheden bevatten. Dit zorgt voor zodanige twijfel dat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Uit de beelden van de Burger King in de middag kan volgens de verdediging niet worden afgeleid dat verdachte die avond betrokken is geweest bij de overval. Daarnaast wijst de verdediging erop dat geen DNA van verdachte is aangetroffen op de plaats delict. Ook wordt volgens de verdediging het telefoonnummer [nummer] ten onrechte aan verdachte toegeschreven. Mocht dit telefoonnummer al in gebruik zijn geweest bij verdachte, dan geeft het aanstralen van de verkeersmasten in Amersfoort nog geen enkel bewijs dat verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij de overval. Gelet op al het bovenstaande verzoekt de verdediging de rechtbank om verdachte vrij te spreken van feit 1.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 11

Op 8 februari 2014 doet [aangever] (hierna: aangever) aangifte van een straatroof. Hij verklaart dat hij die middag om 17.00 uur met een man genaamd [naam] had afgesproken bij de Burger King in Amersfoort om wat XTC pillen te kopen voor een feestje.2 Bij de Burger King ontmoet hij [naam], die samen is met (onder andere) een blanke jongen met blauwe ogen en een tatoeage van een traan in zijn ooghoek. [naam] geeft aan dat hij de pillen pas die avond kan regelen en daarom spreekt aangever rond 19.00 uur nogmaals met hem af aan de Leusderweg in Amersfoort. Aangever verklaart dat hij een Prada-tasje bij zich heeft met daarin 2.000 euro. In het park gaat hij op een bankje zitten en treft daar [naam] die tegen hem zegt dat hij moet blijven wachten. Vervolgens wordt aangever van achteren bij zijn keel gegrepen met een koord of iets dergelijks. Aangever verklaart dat de jongen met de getatoeëerde traan in zijn ooghoek die hij eerder die dag bij de Burger King heeft gezien er ook bij is. Deze jongen haalt een pistool uit zijn jaszak en zegt tegen hem dat hij zijn geld moet geven. Aangever probeert los te komen maar wordt dan tegen zijn hoofd geschopt en geslagen. Hij wordt op zijn rug naar de grond gesleurd,3 waarna de band van zijn tasje met een stanleymes wordt doorgesneden4 en de jongens er op een zwarte Piaggio scooter5 vandoor gaan met de tas.

Verbalisant [verbalisant 1], die direct nadat aangever de politie had gebeld ter plaatse komt, ziet dat het gezicht en de linkerhand van aangever bebloed zijn en dat op het voorhoofd van aangever een snee met een lengte van ongeveer 2 centimeter horizontaal boven zijn wenkbrauw zit, die hevig aan het bloeden is.6 Op de van aangever direct na het gebeurde gemaakte foto’s is tevens letsel in de nek van aangever zichtbaar.7

Getuige [getuige] fietst op 8 februari 2014 over de Graaf Adolflaan in Amersfoort als een scooter met daarop drie jongens hem tegemoet komt rijden.8 Achter de scooter rent een man met bloed op zijn gezicht die vertelt dat hij zojuist door de jongens op de scooter is overvallen. De getuige fietst achter de scooter aan en ziet de scooter de Kroontjesmolen inrijden.9 De zwarte Piaggio scooter wordt door de politie aan de Kroontjesmolen aangetroffen.10 De politie treft in een prullenbak naast het bankje waar aangever is aangevallen een stanleymes aan.11

Uit de camerabeelden van de Burger King d.d. 8 februari 2014 is te zien dat tussen 17.00 uur en 17.30 uur aangever een ontmoeting heeft met een aantal mannen, waaronder een blanke man die een donkerkleurige muts draagt met daarop een wit rond logo.12 Deze man wordt door jeugdagent [verbalisant 2] herkend als [verdachte] (hierna: verdachte).13 Aangever verklaart dat hij de daders heeft herkend op Facebook, waaronder een jongen die zichzelf [A] noemt.14 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die middag bij de Burger King is geweest, op de beelden te zien is en een Facebook-profiel heeft onder de naam [A].15

Er wordt onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte en hieruit blijkt dat zijn telefoon op 8 februari 2014 om 20.59 uur is aangestraald aan de Zonnehof in Amersfoort.16

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Dit feit wordt door de verdediging niet betwist en er is geen vrijspraak bepleit, waardoor de rechtbank hieronder kan volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- Het aantreffen van een gasrevolver in de woning van verdachte;17

- De categorisering van het gasrevolver als een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie;18

- De verklaring van verdachte ter zitting d.d. 8 juli 2014.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft ter zitting ontkent dat hij [aangever] heeft beroofd. Verdachte verklaart dat hij ’s middags in de Burger King aanwezig was, maar dat hij niet degene was die afgesproken had met [aangever]. Hij was in de Burger King omdat hij een mobiele telefoon zou krijgen van een vriend van hem. Deze mobiele telefoon heeft hij direct in gebruik genomen en zijn oude telefoon die volgens het dossier is aangestraald in de nabijheid van de plaats delict, was niet meer in zijn bezit op dat moment.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de verklaringen van aangever niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat zij cruciale tegenstrijdigheden bevatten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De controleerbare verklaringen die aangever heeft gegeven zijn door de politie ook daadwerkelijk gecontroleerd en deze bleken te kloppen. Het gaat hierbij met name om de afspraken bij de Burger King met de personen die aangever heeft beschreven, het aantreffen van het stanleymes (met bloedsporen van een medeverdachte),de aangetroffen scooter en het letsel dat bij aangever is geconstateerd. De verklaringen van aangever zijn op de relevante punten derhalve betrouwbaar. De genoemde tegenstrijdigheden zijn mede gelet op de hectiek tijdens het incident, geen reden om daar anders over te oordelen. De verklaring van aangever dat de jongen met een tatoeage van een traan in zijn ooghoek die in de middag bij de ontmoeting in de Burger King aanwezig was, ’s avonds één van de overvallers was, kan dan ook zonder meer voor het bewijs worden gebruikt. De rechtbank is des te meer overtuigd van het feit dat verdachte betrokken is geweest bij het strafbare feit nu ook de telefoon van verdachte de avond van 8 februari 2014 is aangestraald in de nabijheid van de plaats delict. De verklaring die verdachte hierover geeft, namelijk dat hij de telefoon met simkaart heeft achtergelaten ergens in het wooncomplex Pitstop en dat deze kan zijn meegenomen door [naam], die voor de onderhavige diefstal met geweld inmiddels is veroordeeld, acht de rechtbank niet aannemelijk.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte een diefstal met geweld heeft gepleegd en een wapen voorhanden heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 8 februari 2014 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tasje, merk Prada, bevattende een portemonnee met pasjes en een geldbedrag van 2000 euro, toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders

- die op een bankje zittende [aangever] van achteren hebben benaderd en bij diens keel vast gegrepen en een koord, althans een soortgelijk voorwerp om de keel van die [aangever] gedaan en dat koord, althans een soortgelijk voorwerp aangetrokken en daarmee die [aangever] vastgehouden en in bedwang gehouden en

- een vuurwapen op die [aangever] hebben gericht en gericht gehouden en

- die [aangever] in diens gezicht hebben geslagen en geschopt en

- die [aangever] over de grond hebben gesleurd.

ten aanzien van feit 2:

op 14 april 2014 te Lelystad een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver (merk Umarex, model Smith & Wesson, kaliber 9mm R.K.), en munitie van categorie III, te weten knalpatronen (kaliber 9mm R.B. merk Geco), voorhanden heeft gehad.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlasteleggingen, met uitzondering van de aangehaalde tekst van verdachte, taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd

met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt opgelegd een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair verzoekt zij, wanneer de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf bestaande uit een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar wordt afgewezen, om aan verdachte een gevangenisstraf van 15 maanden op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd, hiermee rekening te houden. Zij verzoekt de rechtbank de eis van de officier van justitie te matigen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 mei 2014 van verdachte blijkt dat hij ondanks zijn jeugdige leeftijd al meerdere malen is veroordeeld voor straatroof en afpersing en hiervoor ook nog in een proeftijd loopt.

Verdachte heeft samen met anderen aangever met geweld in een park van zijn tas met inhoud beroofd. Verdachte en zijn mededaders hebben een plan voor de beroving gemaakt, kennelijk nadat zij die middag hadden gezien dat aangever veel geld bij zich had. Om hun plan te kunnen uitvoeren hebben zij aangever in een val gelokt en daarna hem op brute wijze beroofd. Het betreft een geplande hartvochtige actie, waarbij de daders niet hebben stilgestaan bij de gevolgen van deze gebeurtenis voor het slachtoffer Het is een feit van algemene bekendheid dat straatroven langdurige psychische schade bij de slachtoffers aan kunnen richten en dat het gevoel van onveiligheid in de samenleving wordt vergroot.

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsrapport opgesteld door Tactus verslavingszorg d.d. 17 juni 2014. Hieruit blijkt het advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen omdat het risico op recidive hoog moet worden ingeschat nu er sprake is van problemen op vrijwel alle leefgebieden van verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt op deze vrijheidsbenemende straf in mindering gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten een langere gevangenisstraf dan 10 maanden zouden rechtvaardigen, maar de rechtbank ziet daarvan af omdat zij de voorwaardelijke veroordeling bestaande uit een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer zal leggen (zie hierna onder 9.3) en de start van zijn behandeling op afzienbare termijn met het oog op het voorkomen van recidive, prioriteit geniet boven een langere gevangenisstraf.

9 Vordering na voorwaardelijke veroordeling

9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf die aan verdachte opgelegd is bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Amsterdam d.d. 29 mei 2012 ten uitvoer dient te worden gelegd.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen, omdat verdachte meer gebaat is bij resocialisatie in de maatschappij en een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen hier niet aan bij zal dragen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking het advies van Bureau Jeugdzorg d.d. 1 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte ondanks intensieve vormen van hulpverlening een gevaar blijft vormen voor de maatschappij en hij er zelf bewust voor kiest om zo te handelen. De jeugdreclassering adviseert de rechtbank om de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen.

De rechtbank zal dit advies van Bureau Jeugdzorg volgen en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaar.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 14g, 47, 77s, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

- Het bewezen verklaarde levert op zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Strafbaarheid

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;

- Bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de vrijheidsbenemende straf.

Vordering tenuitvoerlegging 23/004932-11

- Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe, te weten een plaatsing in een jeugdinrichting voor jongeren voor de duur van 2 jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A. Messer, voorzitter,

mrs. P.J.M. Mol en G.V.M. Veldhoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 februari 2014 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tasje (merk Prada, bevattende [onder andere] een portemonnee met pasjes en/of een een geldbedrag van [ongeveer] 2000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- die (op een bankje zittende) [aangever] van achteren hebben/heeft benaderd en/of bij diens keel/hals vast gegrepen en/of een koord/touw, althans een soortgelijk voorwerp, om de keel/hals van die [aangever] gedaan en/of dat koord/touw, althans dat soortgelijke voorwerp, aangetrokken en/of met dat koord/touw, althans dat soortgelijke voorwerp, die [aangever] vastgehouden en/of in bedwang gehouden en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op (het

gezicht van) die [aangever] hebben/heeft gericht en/of gericht gehouden, althans

aan die [aangever] getoond, en/of

- die [aangever] op/in/tegen diens gezicht en/of (elders) tegen het lichaam

hebben/heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of

- die [aangever] over de grond hebben/heeft gesleurd

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 april 2014 te Lelystad een of meer wapens van categorie

III, te weten een gasrevolver (merk Umarex, model Smith & Wesson, kaliber 9mm

R.K.), en/of munitie van categorie III, te weten een of meer (scherpe) knalpatronen (kaliber 9mm R.B. merk Geco), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL0940/2014031854, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 66 en proces-verbaal van verhoor aangever, p. 78.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 68.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 69.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 68.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 94.

7 Proces-verbaal van bevindingen, foto 13 p. 114 en foto 15 p. 115.

8 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 126.

9 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 127.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 118.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 95.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 131.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 141.

14 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 78

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juli 2014.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 286.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 254.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 263.