Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:3024

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
370661 HA RK 14-129
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zaaknummer / rekestnummer: 370661 HA RK 14-129

Beslissing van 4 juli 2014 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zittinghoudende te Lelystad

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brieven van 20 mei 2014 en 3 juni 2014 van verzoeker, inhoudende het verzoek tot wraking van mr. S.G.M. Buys

- de schriftelijke reactie van mr. Buys van 17 juni 2014

- de mondelinge behandeling op 20 juni 2014.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Tevens is verschenen

mevrouw [naam], zijnde de echtgenote van verzoeker en belanghebbende in het wrakingsverzoek.

1.3.

De advocaat van verzoeker mr. M.B.A. de Bruijn, de heer [A], mevrouw

[B], Bureau Jeugdzorg Utrecht en de Raad voor de Kinderbescherming zijn van de behandeling van het wrakingsverzoek op 20 juni 2014 in kennis gesteld. Niemand is (namens hen) verschenen.

1.4.

Mr. Buys heeft laten weten verhinderd te zijn voor de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek.

1.5.

De beslissing is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft gesteld dat mr. Buys bij de behandeling van de zaken, bekend onder de rolnummers C/16/369177/JE RK 14-1242, C/16/368248/JE RK 14-1117 en C16/369028 JE RK 14/1228, op 19 mei 2014 partijdig en vooringenomen is geweest. Verzoeker legt daaraan ten grondslag dat hij en zijn echtgenote tijdens de behandeling nauwelijks aan het woord zijn geweest en zij zich aldus niet konden verweren tegen alle aantijgingen. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg kregen daarentegen teveel spreektijd van de rechter. Als mr. Buys verzoeker en zijn echtgenote voldoende had gehoord was zij tot andere beslissingen gekomen dan de beslissingen die zij ter zitting heeft genomen. De partijdigheid en vooringenomenheid blijkt ook uit het feit dat mr. Buys zich alleen verdiept had in de stukken van de tegenpartij en zij geen kennis had genomen van de stukken die door de advocaat van verzoeker waren ingediend. Het leek erop dat de rechter haar beslissingen al voor de zitting had genomen, aldus verzoeker. Uit deze feiten en omstandigheden volgt naar de stelling van verzoeker dat mr. Buys partijdig dan wel vooringenomen is geweest.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

Mr. Buys heeft aangegeven niet in de wraking te berusten.

3.2.

Mr. Buys stelt ten eerste dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat zij ter zitting van 19 mei 2014 in de zaken bekend onder de rolnummers C/16/368248/JE RK 14-1117 en C16/369028 JE RK 14/1228 een eindbeslissing heeft gegeven en dat zij in de zaak bekend onder rolnummer C/16/369177/JE RK 14-1242 een deelbeslissing heeft gegeven, welke deelbeslissing ook moet worden aangemerkt als een eindbeslissing, omdat een gedeelte van het verzoek definitief toegewezen is. Het verzoek tot wraking is ingediend, nadat deze eindbeslissingen zijn genomen en dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus mr. Buys.

3.3.

Mr. Buys heeft ten tweede gesteld dat zij ter zitting van 19 mei 2014 bij de behandeling van de drie verzoekschriften de gebruikelijke procesrechtelijke orde van hoor en wederhoor heeft gehanteerd, zoals te lezen in het proces-verbaal van de zitting. Mr. Buys is van mening dat zich aldus geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die ertoe leiden dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.2.

De rechtbank maakt uit de stukken op dat ter zitting van 19 mei 2014 in de zaak bekend onder rolnummer C/16/368248/JE RK 14-1117 en in de zaak bekend onder rolnummer C16/369028 JE RK 14/1228 door mr. Buys de in die zaken ingediende verzoeken zijn toegewezen. In deze zaken zijn hiermee eindbeslissingen gegeven. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geƫindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan. In zoverre kan verzoeker aldus niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.

4.3.

De rechtbank maakt voorts uit de stukken op dat in de zaak bekend onder rolnummer

C/16/369177/JE RK 14-1242 de behandeling van het in die zaak dienende verzoek door

mr. Buys gedeeltelijk is aangehouden. Deze beslissing valt aan te merken als een deelbeslissing tegen welke beslissing een verzoek tot wraking kan worden ingediend. Verzoeker kan in dit deel van het wrakingsverzoek aldus worden ontvangen.

4.4.

De rechtbank maakt uit het van de zitting van 19 mei 2014 opgemaakte proces-verbaal op dat de advocaat van verzoeker tijdens de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing meerdere keren aan het woord is geweest en dat ook verzoeker zelf en zijn echtgenote tijdens de behandeling aan het woord zijn geweest. Daarnaast maakt de kinderrechter in het proces-verbaal melding van het feit dat zij twee producties van de advocaat van verzoeker en zijn echtgenote had ontvangen. In de in deze zaak na de zitting opgemaakte beschikking wordt overwogen dat de pleegouders (zijnde verzoeker en zijn echtgenote) zich verzetten tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en daarbij worden de punten vermeld op basis waarvan zij zich verzetten.

4.5.

Het is de rechtbank uit de stukken niet gebleken dat verzoeker en zijn echtgenote, al dan niet via hun advocaat, hun standpunten niet ten volle naar voren hebben kunnen brengen. Ook is niet gebleken dat de rechter geen acht heeft geslagen op de door hen ingediende stukken. Het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2014 biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Dat in de optiek van verzoeker de tegenpartij meer naar voren heeft kunnen brengen leidt niet tot het oordeel dat mr. Buys partijdig of vooringenomen is geweest.

4.6.

Nu verzoeker ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat mr. Buys blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel van vooringenomenheid dan wel dat de vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is, zal de rechtbank het wrakingsverzoek afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het wrakingsverzoek af;

5.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

verzoeker en mr. S.G.M. Buys, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. M.C.P. de Ridder, voorzitter, mr. A. van Holten en

mr. C.A. de Beaufort als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.