Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
2641137 UC EXPL 13-21021 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de voorwaardelijke VPL-aanspraak (op extra ouderdomspensioen) van bij reorganisatie ontslagen werknemers onvoorwaardelijk geworden? Faillissement van gewezen werkgevers. Schorsing van het geding tegen deze vennootschappen. Uitleg van de betreffende regeling volgens de ‘cao-norm’. Financieringsvereiste. Door pensioenoverzicht gewekt gerechtvaardigd vertrouwen? Vordering tegen pensioenfonds afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/512
PJ 2014/151

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2641137 UC EXPL 13-21021 LH/1040

Vonnis van 16 juli 2014

inzake

1 [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te Amsterdam,

verder samen ook te noemen [eisers],

eisende partij,

gemachtigde: mr. S. Boer-Koeberg,

tegen:

de stichting

Stichting Pensioenfonds ECI (in liquidatie),

gevestigd te Vianen,

verder ook te noemen Pensioenfonds ECI,

gedaagde partij,

gemachtigde: prof.dr.mr. E. Lutjens.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[eisers] hebben tegen ECI Holding B.V., ECI Nederland B.V. en Pensioenfonds ECI een vordering ingesteld.

1.2.

Pensioenfonds ECI heeft geantwoord op de vordering.

1.3.

ECI Holding B.V. en ECI Nederland B.V. - hierna ook ECI te noemen - zijn failliet verklaard. Door deze faillissementen is het geding tegen ECI geschorst. Het geding is voortgezet voor zover het de door [eisers] tegen Pensioenfonds ECI ingestelde vordering betreft.

1.4.

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 19 februari 2014, waarbij een comparitie van partijen, derhalve van [eisers] enerzijds en Pensioenfonds ECI anderzijds, is gelast.

1.5.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Voorafgaand aan de comparitie heeft Pensioenfonds ECI nog een nadere productie toegezonden. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de comparitie hebben [eisers] een akte tot wijziging van eis genomen. Tegen deze eiswijziging heeft Pensioenfonds ECI bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft bepaald dat op dit bezwaar bij vonnis zal worden beslist.

1.6.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser sub 1](eiser sub 1), geboren op [1952], is van 28 juli 1975 tot en met 31 mei 2011 in dienst geweest van een ECI-vennootschap. [eiseres sub 2](eiseres sub 2), geboren op [1953], is van 23 november 1998 tot en met 31 mei 2011 eveneens in dienst geweest van een ECI-vennootschap. Deze ECI-ondernemingen waren aangesloten bij het Pensioenfonds ECI, zodat [eisers] bij Pensioenfonds ECI (ouderdoms-) pensioen hebben opgebouwd.

2.2.

Op 31 december 2006 zijn de rechten die [eisers]voordien op grond van het VUT-reglement van hun toenmalige werkgevers hadden, ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL), komen te vervallen. Met ingang van 1 januari 2007 heeft ECI in verband hiermee aan de werknemers, onder wie [eisers], VPL-aanspraken toegezegd, zoals omschreven in de op laatstgenoemde datum in werking getreden ‘Overgangsregeling ECI - 15 jaarsoptie’ (hierna: de Overgangsregeling ECI). Deze regeling is gebaseerd op artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004 van 16 juli 2005, regelende uitstel van financiering van over het verleden in te kopen pensioenruimte. Ingevolge de Overgangsregeling ECI hebben [eisers] een voorwaardelijke aanspraak verkregen op extra ouderdomspensioen. De voorwaarden staan omschreven in artikel 2 van de Overgangsregeling ECI. Op grond van artikel 3 lid 3 van de uitvoeringsovereenkomst, gesloten met Pensioenfonds ECI, is ECI gehouden aan Pensioenfonds ECI een koopsom te voldoen ten behoeve van de inkoop van extra ouderdomspensioen. Het was de bedoeling van ECI om daarvoor de middelen uit het VUT-fonds aan te wenden.

2.3.

Artikel 2 van de Overgangsregeling ECI (‘Toezegging extra ouderdomspensioen’) luidt, voor zover in dit geding van belang, als volgt: ‘1. Op 31 december 2006 wordt op basis van het bepaalde in artikel 3 of artikel 4 voor de werknemer een extra ouderdomspensioen vastgesteld. (-) 2. De toekenning, financiering en inkoop van het op grond van dit reglement vastgestelde extra ouderdomspensioen geschiedt op 1 januari 2022, of zoveel eerder als de streefpensioendatum wordt bereikt, indien en voorzover het dienstverband met de werkgever vanaf 1 januari 2007 tot het moment van toekenning, financiering en inkoop onafgebroken is voortgezet. (-) 4. Indien het dienstverband van de werknemer met de werkgever voor het moment van toekenning, financiering en inkoop wordt verbroken, vervalt elk recht op een extra ouderdomspensioen. (-) Als sprake is van gedwongen uitdiensttreding als gevolg van reorganisatie bij de werkgever, wordt het recht op extra ouderdomspensioen wel toegekend. (-)’

2.4.

In artikel 6 van de Overgangsregeling ECI (‘Wettelijke disclaimer’) is opgenomen de tekst van artikel 4 lid 5 van het Uitvoeringsbesluit Pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004, luidende: ‘Het pensioen dat voor u zal worden ingekocht omdat u in het verleden gedurende uw dienstbetrekking(en) een of meer perioden hebt gehad waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Wanneer uw deelname aan de pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft u alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Indien bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor u is ingekocht en opgebouwd, heeft u dus ook geen recht op dit deel van uw toezegging. Als aan u is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, dan moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaren nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer u binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van uw pensionering. Een eenmaal gedane toezegging tot inkoop van aanspraken over het verleden kan in beginsel niet worden ingetrokken of gewijzigd.’

2.5.

Aan de arbeidsovereenkomsten van [eisers] is op 31 mei 2011 ten gevolge van een reorganisatie een einde gekomen. Datzelfde lot trof ongeveer 35 andere werknemers. Ter gelegenheid daarvan heeft ECI aan [eisers] het recht op extra ouderdomspensioen ingevolge de Overgangsregeling ECI toegekend. In de beëindigingsberichten die Pensioenfonds ECI op 5 juli 2011 aan [eisers] heeft gestuurd, waren zowel hun pensioenaanspraken uit hoofde van de basisregeling als hun VPL-aanspraken opgenomen. In de beëindigingsberichten is onder meer vermeld: ‘De informatie in deze brief is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Wij zijn uitgegaan van de ons bekende gegevens en het pensioenreglement. Het pensioenreglement is uiteindelijk bepalend. Het pensioenfonds heeft het recht deze opgave te herzien als blijkt dat de aan het fonds verstrekte gegevens onjuist waren of de gegevens onjuist verwerkt zijn. Het pensioenfonds informeert u over eventuele aanpassingen.’ Vooruitlopend op de financiering door ECI van de VPL-aanspraken van deze gewezen werknemers en aannemende dat de benodigde koopsom zou worden betaald, heeft Pensioenfonds ECI in 2010 de VPL-aanspraken van [eisers], en die van de andere werknemers die bij de reorganisatie in 2011 zouden afvloeien, ten laste van het resultaat van het fonds gebracht door de technische voorzieningen met ongeveer € 935.000,-- te verhogen.

2.6.

Per 1 januari 2012 heeft Pensioenfonds ECI de tot dan toe opgebouwde pensioenrechten overgedragen aan Aegon Levensverzekering N.V.

2.7.

ECI heeft, ook na daartoe door Pensioenfonds ECI te zijn aangemaand, nagelaten de VPL-aanspraken van [eisers], en die van genoemde andere gewezen werknemers, te financieren door de daarvoor benodigde gelden te voldoen aan Pensioenfonds ECI. ECI heeft Pensioenfonds ECI meegedeeld de Overgangsregeling ECI niet langer te willen uitvoeren en niet tot betaling te zullen overgaan. In verband daarmee heeft Pensioenfonds ECI op 3 juli 2012 aan [eisers] een gecorrigeerd beëindigingsbericht gestuurd en hen meegedeeld dat de voorwaardelijke VPL-aanspraken buiten beschouwing worden gelaten.

2.8.

Het bestuur van Pensioenfonds ECI heeft besloten tot opheffing van het fonds. Pensioenfonds ECI is ontbonden en verkeert thans in liquidatie. Ingevolge artikel 18 van haar statuten is het bestuur van Pensioenfonds ECI belast met de vereffening van de zaken van het fonds. In oktober 2013 hebben de vereffenaars rekening en verantwoording van vereffening gedaan en een plan van verdeling opgesteld. Daarin zijn de door [eisers] gepretendeerde VPL-aanspraken niet vermeld. Het bestuur van Pensioenfonds ECI is voornemens het batig saldo aan te wenden voor een indexering ten behoeve van de aanspraak- en pensioengerechtigden, opdat de in 2012 doorgevoerde korting deels kan worden teruggedraaid. Tegen de rekening en verantwoording van de vereffening hebben [eisers] bij deze rechtbank verzet gedaan. Daarop is bij beschikking van 18 maart 2014 (onder zaaknummer 358429 HA RK 13-328) beslist.

2.9.

Op 3 december 2013 hebben [eisers] Pensioenfonds ECI en hun gewezen werkgevers (ECI) doen dagvaarden. Op 9 januari 2014 zijn ECI Nederland B.V. en ECI Holding B.V. failliet verklaard.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

[eisers] hebben bij dagvaarding gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Pensioenfonds ECI gehouden is met ingang van hun pensioendatum het toegekende extra ouderdomspensioen aan [eisers] uit te keren. Voorts vorderen [eisers] dat Pensioenfonds ECI wordt veroordeeld hun aanspraken op extra ouderdomspensioen in te kopen, om - ten bewijze daarvan - aan [eisers] een pensioenoverzicht te sturen waarop deze aanspraken staan vermeld, alsmede om het extra ouderdomspensioen met ingang van de pensioendatum aan [eisers] uit te keren. Ten slotte vorderen [eisers] de veroordeling van Pensioenfonds ECI tot voldoening van buitengerechtelijke kosten en in de proceskosten.

3.2.

Bij ter comparitie genomen akte hebben [eisers] te kennen gegeven de eis te willen vermeerderen met de vordering dat Pensioenfonds ECI tevens wordt veroordeeld om aan [eisers] een schadevergoeding te voldoen ter hoogte van de voor de inkoop van hun aanspraken op extra ouderdomspensioen ingevolge de Overgangsregeling ECI benodigde inkoopsom, om deze schadevergoeding aan te wenden ter inkoop van het extra ouderdomspensioen ten behoeve van [eisers] en om ervoor zorg te dragen dat aan [eisers] met ingang van hun pensioendatum het extra ouderdomspensioen wordt uitgekeerd.

3.3.

[eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat hun aanspraken op extra ouderdomspensioen ingevolge de Overgangsregeling ECI onvoorwaardelijk zijn geworden, doordat hen dit extra ouderdomspensioen door hun gewezen ECI-werkgevers bij de in 2011 doorgevoerde reorganisatie is toegekend. Dit vloeit voort uit de laatste volzin van het vierde lid van artikel 2 van de Overgangsregeling ECI (‘Als sprake is van gedwongen uitdiensttreding als gevolg van reorganisatie bij de werkgever, wordt het recht op extra ouderdomspensioen wel toegekend’), waarbij is afgeweken van de in het tweede lid van dat artikel 2, in verbinding met artikel 6 van de regeling, omschreven financieringsvoorwaarde.

3.4.

Maar ook indien zou moeten worden aangenomen dat de aanspraak op extra ouderdomspensioen ook in geval van een reorganisatieontslag eerst door financiering onvoorwaardelijk wordt, geldt dat aan die financieringsvoorwaarde is voldaan omdat Pensioenfonds ECI zelf de voor de inkoop benodigde gelden heeft gefinancierd door de technische voorzieningen met ongeveer € 935.000,-- te verhogen. Blijkens de overgelegde

e-mail van de betrokken actuaris van 30 januari 2012 heeft Pensioenfonds ECI eerder, bij gebreke van een stortingskoopsom door ECI, ten behoeve van enkele deelnemers de benodigde financiering ten laste van het resultaat (en de dekkingsgraad) van het pensioenfonds gebracht.

3.5. (

Nog) meer subsidiair stellen [eisers] zich op het standpunt dat zij er op grond van het pensioenoverzicht over 2011 redelijkerwijs op hebben mogen vertrouwen dat hun extra ouderdomspensioen onvoorwaardelijk was geworden.

3.6.

Pensioenfonds ECI is voorts gehouden tot schadevergoeding, zo menen [eisers]

Toen hun gewezen werkgever het extra ouderdomspensioen vanwege het verleende reorganisatieontslag had toegekend, was ECI tevens verplicht die aanspraak te financieren door aan Pensioenfonds ECI een koopsom te voldoen ten behoeve van de inkoop van dit extra ouderdomspensioen. Ten onrechte heeft Pensioenfonds ECI ermee volstaan aan ECI een factuur te sturen en zich beperkt tot een enkel rappel. Het fonds had meer werk moeten maken van de inning van de vordering op ECI.

3.7.

Pensioenfonds ECI maakt bezwaar tegen de eiswijziging, deze zou in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, en zij betwist de vordering. Zolang de VPL-aanspraken van [eisers] niet door ECI zijn gefinancierd, zijn ze voorwaardelijk en vormen ze op grond van artikel 65 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet geen pensioen in de zin van de Pensioenwet. Het reorganisatieontslag in 2011 heeft hierin geen wijziging gebracht, omdat het vereiste van externe financiering is blijven gelden. Aan de pensioenoverzichten 2011, waarin nadrukkelijk is vermeld dat de pensioenreglementen bepalend zijn, hebben [eisers] niet het vertrouwen mogen ontlenen dat hun VPL-aanspraken desondanks onvoorwaardelijk waren geworden. Ingevolge artikel 2 lid 4 jo. artikel 6 van de Overgangsregeling ECI en artikel 3 lid 3 van de uitvoeringsovereenkomst hoefde financiering van die aanspraken door ECI nog niet plaats te vinden en deze heeft, vanwege de penibele financiële situatie van ECI, ook niet plaatsgevonden. De verwachting is dat de faillissementen van de ECI-vennootschappen niet alsnog in financiering van VPL-aanspraken zullen resulteren. Voor een financiering van deze aanspraken door Pensioenfonds ECI uit eigen middelen bestaat geen grondslag. Eerder heeft Pensioenfonds ECI weliswaar voor drie (in 2012 gepensioneerde) deelnemers de VPL-aanspraken zelf gefinancierd, maar dit geschiedde in afwachting van financiering door ECI, die uiteindelijk ook is gevolgd. Voor de groep waartoe [eisers] behoren, heeft ECI echter niet betaald. Het batig saldo van Pensioenfonds ECI zal overeenkomstig de statuten door de vereffenaars worden aangewend ten behoeve van de collectiviteit van deelnemers, en niet uitsluitend voor een beperkte groep. Dat zou een onevenwichtige bevoordeling ten nadele van de anderen betekenen.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen, dient de kantonrechter te beslissen op het bezwaar dat Pensioenfonds ECI heeft gemaakt tegen de eiswijziging, zoals deze blijkt uit de door [eisers] ter comparitie genomen akte. Met deze eiswijziging beogen [eisers] hun vordering tegen Pensioenfonds ECI te vermeerderen met een vordering tot schadevergoeding, onder handhaving van de reeds bij dagvaarding ingestelde vordering die is gebaseerd op nakoming. Pensioenfonds ECI meent dat deze eiswijziging tardief is en in strijd met de eisen van een goede procesorde, nu zij daarop niet naar behoren heeft kunnen reageren. De kantonrechter verklaart dit bezwaar ongegrond. Weliswaar verdient een eiswijziging in dit late stadium van het geding bepaald geen schoonheidsprijs, in haar processuele positie is Pensioenfonds ECI erdoor niet onredelijk geschaad, omdat [eisers] de vordering tot schadevergoeding hebben gebaseerd op feiten die ook aan de nakomingsvordering ten grondslag zijn gelegd. Onder 13. van de dagvaarding is al uiteengezet waarom [eisers] menen dat Pensioenfonds ECI zich er onvoldoende voor heeft ingespannen ECI tot financiering van VPL-aanspraken aan te zetten.

Anders dan ter comparitie is afgesproken, wordt Pensioenfonds ECI thans niet alsnog in de gelegenheid gesteld zich bij akte over de eiswijziging uit te laten. Zoals uit het navolgende zal blijken, heeft zij daarbij geen belang meer.

4.2.

De kantonrechter komt toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil. Partijen twisten over de uitleg van artikel 2 van de Overgangsregeling ECI, zoals hierboven onder 2.3. aangehaald. Daaraan menen [eisers] een onvoorwaardelijke aanspraak op extra ouderdomspensioen te kunnen ontlenen. Pensioenfonds ECI heeft dit bestreden. De kantonrechter stelt voorop dat de uitleg van bepalingen van een pensioenreglement als de Overgangsregeling ECI, dat naar zijn aard is bedoeld te gelden voor werknemers die geen invloed hebben gehad op de inhoud ervan en voor wie de daaraan ten grondslag liggende overwegingen alleen uit de tekst ervan kenbaar zijn, in beginsel moet plaatsvinden aan de hand van objectieve maatstaven, waarbij de taalkundige betekenis die de gebruikte bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, van groot belang is. Bij deze uitleg volgens de zogenoemde ‘cao-norm’ dient in het bijzonder acht te worden geslagen op de ratio en het systeem van de regeling, de elders in de regeling gebruikte formuleringen, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden en de redelijkheid van de uitkomst.

4.3.

[eisers] hebben zich er allereerst op beroepen dat hen in het kader van de reorganisatie, die in 2011 tot hun ontslag heeft geleid, extra ouderdomspensioen is toegekend en dat deze VPL-aanspraken - die tot dan toe voorwaardelijk waren - op dat moment onvoorwaardelijk zijn geworden. Zij baseren zich daarvoor op de laatste volzin van het vierde lid van artikel 2 van de Overgangsregeling ECI. De kantonrechter volgt hen in dit standpunt niet, omdat deze uitleg niet strookt met het karakter van de VPL-aanspraken, voorbijziet aan de samenhang tussen het vierde en het tweede lid van bedoeld artikel 2 en tot een onaannemelijk rechtsgevolg en een onredelijke uitkomst leidt. Ingevolge artikel 2 lid 2, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Overgangsregeling ECI is de VPL-aanspraak afhankelijk van zowel het voortbestaan van het dienstverband als van toekomstige financiering. Gezien de eerste volzin van het vierde lid van artikel 2 van de Overgangsregeling ECI, maakt het bepaalde in de laatste volzin van dat artikellid daarop slechts in zoverre een uitzondering dat het vereiste van een doorlopend dienstverband niet geldt ‘als sprake is van gedwongen uitdiensttreding als gevolg van reorganisatie bij de werkgever.’ De door [eisers] voorgestane extensieve uitleg van die uitzondering, inhoudende dat in geval van reorganisatieontslag ook het financieringsvereiste vervalt, zou tot het onaannemelijke gevolg leiden dat een deel van de ouderdomspensioenaanspraken waarvoor Pensioenfonds ECI moet opkomen niet door ECI behoeft te worden gefinancierd. Dat kan redelijkerwijs niet de strekking van de Overgangsregeling ECI zijn. Het past ook niet bij de gedachte dat de (gewezen) werkgever nog tot 1 januari 2022 althans tot eerdere pensionering gelegenheid voor financiering heeft. Tegenover de andere deelnemers zou de door [eisers] verdedigde uitleg ook tot een onredelijke uitkomst leiden, omdat hun VPL-aanspraken wél eerst moeten worden gefinancierd alvorens onvoorwaardelijk te worden.

4.4.

Vervolgens hebben [eisers], voor het geval zou komen vast te staan dat ook in hun situatie het financieringsvereiste is blijven gelden (welk geval zich dus voordoet), betoogd dat financiering in de zin van de Overgangsregeling ECI héeft plaatsgevonden doordat Pensioenfonds ECI de voor de inkoop van hun VPL-aanspraken benodigde gelden zelf heeft gefinancierd door in 2010 haar technische voorzieningen te verhogen. De kantonrechter verwerpt ook dit standpunt, omdat het de aard van de tussen de ECI-werkgevers en Pensioenfonds ECI bestaande rechtsverhouding, zoals deze in de Overgangsregeling ECI en hun uitvoeringsovereenkomst tot uitdrukking komt, miskent. Voor de benodigde middelen is een pensioenfonds in hoge mate afhankelijk van de gelden die de werkgevers, die de pensioentoezeggingen aan hun werknemers hebben gedaan, ter beschikking stellen. Pensioenfonds ECI heeft - onweersproken - gesteld dat zij in afwachting van de in de Overgangsregeling ECI en de uitvoeringsovereenkomst geregelde financiering door ECI, en derhalve niet in de plaats daarvan, een interne boekhoudkundige voorziening heeft getroffen. Dit is gebeurd in 2010, dus vooruitlopend op de reorganisatie in 2011 en ruim voordat in 2012 werd geconstateerd dat ECI de benodigde gelden niet zou fourneren. Pensioenfonds ECI heeft destijds de verwachting gekoesterd dat ECI alsnog met financiering over de brug zou komen, zoals in het geval van de door partijen genoemde drie in 2012 gepensioneerde deelnemers wél, maar in het geval van [eisers] en de andere bij de reorganisatie in 2011 ontslagen deelnemers niet is gebeurd. Voor zover [eisers] erop hebben willen beroepen dat zij recht hebben op gelijke behandeling, stuit dat beroep erop af dat de situatie van het bedoelde drietal anders is dan die van hen. Ten slotte neemt de kantonrechter in aanmerking dat ook bij de uitleg van het begrip ‘financiering’ niet kan worden voorbijgezien aan de positie van de andere deelnemers van het pensioenfonds. De door [eisers] verdedigde uitleg van dat begrip zou leiden tot een voor de aanspraken van die andere deelnemers, die met een ingrijpende pensioenkorting zijn geconfronteerd, onredelijk nadelige uitkomst.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de VPL-aanspraken van [eisers] ingevolge de Overgangsregeling ECI niet onvoorwaardelijk zijn geworden, omdat ECI de daarvoor benodigde gelden niet heeft gefinancierd. De vraag die bij de beoordeling van de door [eisers] ingestelde nakomingsvordering resteert is, of zij hebben mogen vertrouwen op de juistheid van het verstrekte pensioenoverzicht 2011, waarin niet alleen hun pensioenaanspraken uit hoofde van de basisregeling, maar ook de VPL-aanspraken zijn opgenomen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Het eenmalige pensioenoverzicht 2011 schept op zichzelf geen aanspraak op de daarin vervatte pensioenbedragen. Die bedragen vormen geen rechtshandeling, toekenning noch toezegging, die de pensioenaanspraken van [eisers] nader bepalen en waaraan Pensioenfonds ECI - in afwijking van de geldende regelingen - in beginsel gebonden is. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat [eisers] er in het pensioenoverzicht uitdrukkelijk op zijn gewezen dat het pensioenreglement (waaronder de Overgangsregeling ECI mede is te begrijpen) bepalend is. Ook indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat er in dit geval strikt genomen geen sprake is van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens, kan Pensioenfonds ECI zich jegens [eisers] redelijkerwijs beroepen op het in de aan hen gestuurde pensioenoverzichten 2011 gemaakte voorbehoud, nu de verwachting van het fonds dat ECI tot financiering zou overgaan niet is uitgekomen. Ambtshalve de rechtsgronden van de vordering aanvullend, heeft de kantonrechter zich de vraag gesteld of de vordering van [eisers] toewijsbaar is omdat Pensioenfonds ECI jegens hen in de berichtgeving over hun aanspraken onrechtmatig heeft gehandeld en zij uit dien hoofde aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Toewijzing van de vordering stuit evenwel reeds af op het feit dat niet is gesteld of gebleken dat [eisers], afgaand op het pensioenoverzicht 2011, iets hebben gedaan of nagelaten waardoor zij in een ongunstiger positie zijn gekomen toen dat pensioenoverzicht in juli 2012 werd aangepast. Het enkele feit dat hun verwachting niet is uitgekomen, maakt niet dat [eisers] geacht moeten worden schade te hebben geleden.

4.6.

De ter comparitie bij eiswijziging ingestelde vordering tot schadevergoeding, gebaseerd op het vermeende tekortschieten van Pensioenfonds ECI bij de inning van haar vordering op ECI, deelt het lot van de nakomingsvordering. Ook deze is niet toewijsbaar. Dat Pensioenfonds ECI zich er onvoldoende voor heeft ingespannen om ECI ertoe te brengen de VPL-aanspraken van [eisers] te financieren, kan reeds daarom niet worden gezegd omdat ECI niet eerder dan op 1 januari 2022 of op de vroegere pensioendatum tot financiering verplicht was. De vordering van Pensioenfonds ECI op ECI was dan ook nog niet opeisbaar. Pensioenfonds ECI was dan ook afhankelijk van de - onverplichte - bereidheid van ECI om al eerder tot financiering over te gaan. Die bereidheid was er niet. Dat Pensioenfonds ECI zich er destijds niet mede voor heeft beijverd dat het VUT-fonds een batig saldo ter beschikking zou stellen voor de financiering van VPL-aanspraken, kan haar niet worden tegengeworpen, omdat Pensioenfonds ECI geen rechtsverhouding heeft met de stichting die is belast met de uitvoering van de vroegere VUT-regeling van ECI. Overigens is daarover inmiddels wel overleg gaande, dat er mogelijkerwijs toe leidt dat overgebleven VUT-gelden aan Pensioenfonds ECI worden overgedragen. [eisers] hebben niet gesteld dat zij schade lijden doordat nu pas werk wordt gemaakt van het aanvankelijke voornemen om de extra ouderdomspensioenaanspraken uit het zogenoemde ‘VUT-potje’ te financieren.

4.7.

Het voorgaande leidt tot een afwijzing van door [eisers] tegen Pensioenfonds ECI ingestelde vordering. [eisers] worden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Pensioenfonds ECI, tot dit vonnis, begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde. Op verlangen van Pensioenfonds ECI wordt deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eisers] tegen Pensioenfonds ECI af;

veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Pensioenfonds ECI, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier, bij vervroeging, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.