Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2958

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
UTR 14/3581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw clubgebouw, met kleedruimten, op het perceel ’s-Gravelandseweg 3b te Weesp. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Aanvraag mocht worden gesplitst in hoofdgebouw en bijgebouw. Hoofgebouw past binnen het bestemmingsplan. Voor bijgebouw heeft verweerder, gelet op de door hem gegeven nadere motivering, in redelijkheid van het bestemmingsplan kunnen afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6367

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/3581

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker sub 1]., [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] , allen te Weesp, verzoekers

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weesp, verweerder

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Mansfeld).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Mixed Hockey Club Weesp, te Weesp (gemachtigde: mr. E.A. Wentink-Quelle).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de Mixed Hockey Club Weesp (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuw clubgebouw, inclusief kleedruimten, op het perceel ’s-Gravelandsweg 3b te Weesp (het perceel).

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Vergunninghoudster heeft een reactie ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2014. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3], beiden directeur van [verzoeker sub 1]., zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is haar voorzitter [A] verschenen. Hij is bijgestaan door D.J. Wentink, architect, en de gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over een eventueel geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.

Vergunninghoudster heeft op 14 maart 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouwen.

3.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier relevant, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;
b. (…)
c. het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan.
(…)

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met het tweede lid van dit artikel wordt een aanvraag voor de activiteit bouwen die in strijd is met het bestemmingsplan mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2ᵒ, van de Wabo kan de omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt in deze bijlage onder bijbehorend bouwwerk verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken in aanmerking een bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
1˚ niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
2˚ de oppervlakte niet meer dan 150 m², en
3˚ het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden.

4.

Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Weesp’ (het bestemmingsplan) de bestemming ‘Sport’.

Op grond van artikel 14 (getiteld ‘Sport’), eerste lid (getiteld ‘Bestemmingsomschrijving’), van de planregels zijn de voor ‘Sport’ aangewezen gronden bestemd voor:
a. sportieve recreatie;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘manege’: een manege;
(…)
e. ondersteunende horeca;
f. met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, erven, tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige doeleinden.

Op grond van het tweede lid (getiteld ‘Bouwregels’), onder 1 (getiteld ‘Gebouwen’), van dit artikel mogen op de voor ‘Sport’ aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, met dien verstande, dat:
a. gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak;
b. het bebouwd oppervlak van gebouwen niet meer dan 750 m² mag zijn, dan wel het oppervlak dat met de aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlak (m²)’ is bepaald;
c. in afwijking van het gestelde onder a mag het bebouwd oppervlak van gebouwen binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ in totaal 2.500 m² zijn;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ zijn 2 bedrijfswoningen toegestaan, met dien verstande dat de inhoud niet meer mag zijn dan 700 m³ per woning;
e. de goothoogte van de gebouwen niet meer dan 6 meter mag zijn en de bouwhoogte niet meer dan 10 meter mag zijn.

5.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het bouwplan heeft opgedeeld in een hoofdgebouw, waarvan de oppervlakte volgens de verweerder ter zitting gegeven toelichting 498 m² bedraagt en een bijbehorend bouwwerk (kleedruimten), waarvan de oppervlakte volgens de door verweerder ter zitting gegeven toelichting 148 m² bedraagt. Het hoofdgebouw past binnen het bestemmingsplan en is om die reden vergund. Voor verlening van de omgevingsvergunning voor het bijgebouw heeft verweerder gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2ᵒ, van de Wabo.

6.

Verzoekers betogen dat uit artikel 14, tweede lid, onder 1, b, van de planregels en het op de verbeelding weergegeven maximum aan bebouwd oppervlak volgt dat voor het totale vlak dat volgens de verbeelding de bestemming ‘Sport’ heeft een maximum bebouwd oppervlak van 500 m² geldt. Aangezien in dit vlak al meerdere gebouwen zijn vergund, is verweerder er bij de verlening van de vergunning ten onrechte van uitgegaan dat hij, zonder dat dit in strijd is met het bestemmingsplan, binnen dit vlak nog een gebouw van 498 m² kan vergunnen.

7.

Verweerder stelt dat het bestemmingsplan zo moet worden begrepen dat ter plaatse van de aanduiding ‘500 m²’ per op te richten gebouw een maximale oppervlakte van 500 m² geldt. Voor het vlak met de bestemming ‘Sport’ betekent dit dus dat er geen maximum voor wat betreft de toegestane bebouwing geldt.

8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de verbeelding blijkt dat het perceel is gelegen binnen een groter bouwvlak met de bestemming ‘sport’. Binnen dit bouwvlak ligt ook de manege van verzoekers, het onlangs vergunde clubgebouw van de handbalvereniging, het clubgebouw van de tafeltennisvereniging en het clubgebouw van de speeltuin. Tussen het perceel en het perceel van verzoekers, waarop de manege ligt, loopt een stippellijn, hetgeen volgens de legenda duidt op een verschil in functieaanduiding. Uit de verbeelding en de legenda blijkt dat een getal in een rondje een maximum bebouwingspercentage aangeeft. Voor het bouwvlak met de bestemming ‘sport’ geldt geen maximaal bebouwingspercentage, nu er op de verbeelding op het bouwvlak geen getal in een rondje staat.
Uit de verbeelding van het bestemmingsplan blijkt dat voor het perceel wel een (door middel van een getal in een driehoek weergegeven) maximum bebouwd oppervlak geldt van 500 m².

9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de tekst en de verbeelding van het bestemmingsplan niet zonder meer duidelijk wordt of het maximum van 500 m² geldt per gebouw of voor het bouwvlak met de bestemming ‘Sport’ in zijn geheel. Uit artikel 14, tweede lid, onder b, van de planregels blijkt niet dat het maximum is bedoeld per gebouw. Anderzijds geldt ook ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ binnen de bestemming ‘sport’ een zelfstandig maximum, dat niet is gerelateerd aan het maximum aan bebouwing dat binnen het totale bouwvlak is toegestaan.

10.

Aangezien de tekst en de verbeelding niet zonder meer duidelijkheid bieden, komt betekenis toe aan hetgeen de toelichting bij het bestemmingsplan in dit verband vermeldt. In paragraaf 6.2.2 (‘Bestemmingsregels’) van de toelichting bij het bestemmingsplan staat onder artikel 14 (‘Sport’) dat de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen zijn overgenomen. Het voorheen vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied ten oosten van de Vecht’. Artikel 18, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan luidde dat op gronden met de bestemming ‘recreatieve doeleinden’ (de bestemming die onder dit bestemmingsplan op het perceel rustte) de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een manege in totaal 2500 m² mag zijn en de oppervlakte van gebouwen per overige activiteit niet meer dan 500 m² mag zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de planwetgever heeft bedoeld dat binnen de bestemming ‘sport’, voor zover niet nader aangeduid als ‘manege’, per op te richten gebouw een maximum geldt van 500 m². Bij de verlening van de vergunning heeft verweerder dus, anders dan verzoekers stellen, niet in aanmerking hoeven nemen dat er binnen de bestemming ‘sport’ ook al ander gebouwen zijn vergund. Dat, zoals verzoekers hebben gesteld, deze uitleg van artikel 14, tweede lid, van de planregels er in theorie toe zou kunnen leiden dat het gehele vlak met de bestemming ‘Sport’ wordt volgebouwd, leidt niet tot een ander oordeel.

11.

Verzoekers betogen verder dat verweerder bij de verlening van de omgevingsvergunning geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 4, aanhef en eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor omdat het bouwplan in zijn geheel is aangevraagd en het bouwplan in bouwkundig opzicht niet in onderdelen is te onderscheiden.

12.

Verweerder stelt dat uit de Nota van Toelichting bij artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor blijkt dat het is toegestaan om gelijktijdig op grond van één aanvraag een hoofdgebouw en een bijgebouw te vergunnen. Volgens verweerder zijn het hoofdgebouw en het bijgebouw goed van elkaar te onderscheiden en op de bouwtekeningen ook als zodanig aangeduid.

13.

Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 6 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ3375) is splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat, waaronder in dit geval mogelijk een onderdeel waarvoor toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2˚, van de Wabo, in beginsel niet mogelijk. Het bouwplan dient als één geheel te worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden.

14.

Uit de bouwtekeningen en de ter zitting gegeven toelichting blijkt dat het clubgebouw en de kleedruimten op een afstand van zes meter van elkaar zijn gelegen op dezelfde betonnen verhoging en dat zij met elkaar zijn verbonden door middel van een plat stalen dak, van 65 cm dik. Verzoekers stellen dat de beide gebouwen door het gemeenschappelijke dak bouwkundig met elkaar zijn verbonden. Vergunninghoudster heeft gesteld dat het dak met name ervoor zorgt dat de gebouwen esthetisch met elkaar zijn verbonden, van een bouwkundige binding is derhalve geen sprake. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beide gebouwen in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. De beide gebouwen zijn niet rechtstreeks met elkaar verbonden, zij hebben eigen voorzieningen en een eigen toegang. Ter zitting is toegelicht dat de kleedruimten ook afzonderlijk van het clubgebouw kunnen en zullen worden gebruikt. Het feit dat de beide gebouwen een gemeenschappelijk dak hebben, betekent niet dat zij om die reden bouwkundig niet kunnen worden onderscheiden. Gelet op de door de architect ter zitting gegeven toelichting acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat eerder om esthetische dan om bouwkundige redenen is gekozen voor een gemeenschappelijk dak. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de bouwaanvraag heeft mogen splitsen in een hoofdgebouw en een bijgebouw.

15.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kleedruimten van 148 m² kunnen worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de kleedruimten voldoen aan de in artikel 4, aanhef en eerste lid, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor gestelde eisen. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen.

16.

Verzoekers stellen dat zij door het bestreden besluit onevenredig in hun belangen worden getroffen. Zij hebben in dit verband gesteld dat de nieuwe locatie van het clubgebouw zal leiden tot een vermindering van hun uitzicht, doordat zij tegen een lange blinde muur aankijken, terwijl er volgens hen alternatieve locaties mogelijk zijn. Verzoekers stellen verder dat zij overlast ondervinden van het naast hun woning gelegen parkeerterrein en dat zij door het bouwplan worden beperkt in de uitbreidingsmogelijkheden van hun manege doordat de vergunning het mogelijk maakt dat binnen 100 meter een geurgevoelig object wordt gerealiseerd. Volgens verzoekers is het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd, aangezien er niet uit blijkt op welke wijze verweerder hun belangen heeft meegewogen.

17.

In het bestreden besluit is toegelicht dat verweerder medewerking verleent aan de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan omdat op grond van het bestemmingsplan een gebouw met een bouwhoogte van 10 meter is toegestaan. Door gebouwen van één laag te bouwen, en niet van twee lagen zoals het bestemmingsplan toestaat, wordt de grondoppervlakte wel groter, maar de bouwhoogte zoveel lager dat de ruimtelijke beleving van het pand minder storend is. Niet wordt ingezien dat de belangen van de belanghebbenden door de grotere grondoppervlakte van het clubgebouw worden geschaad, aldus het bestreden besluit.

18.

De voorzieningenrechter is met verzoekers van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt op welke wijze verweerder hun belang, als directe buren, bij de door hem te verrichten belangenafweging heeft betrokken. De enkele overweging dat ook een hoger gebouw had kunnen worden opgericht is daarvoor onvoldoende. In het verweerschrift heeft verweerder wel concreet gemaakt op welke wijze hij het belang van verzoekers in aanmerking heeft genomen. Aangezien verweerder het bestreden besluit in zijn beslissing op het door verzoekers gemaakte bezwaar alsnog nader kan motiveren, ziet de voorzieningenrechter geen reden om enkel op de grond dat de door verweerder gemaakte belangenafweging onvoldoende blijkt uit het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er, gelet op de in het verweerschrift gegeven toelichting en de uitkomst van de door verweerder gemaakte belangenafweging, aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.

19.

Ten aanzien van de door verzoekers gestelde vermindering aan uitzicht vanuit hun bedrijfswoning heeft verweerder gesteld dat deze vermindering marginaal en in ieder geval niet onaanvaardbaar is. Hij heeft toegelicht dat de gebouwen op circa 50 meter van de bedrijfswoning worden gerealiseerd en dat het vrije uitzicht richting de Vecht door de te realiseren gebouwen niet wordt aangetast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het door verzoekers gestelde verlies aan uitzicht geen aanleiding heeft hoeven zien om de vergunning te weigeren. Daarbij is van belang dat het, zonder af te wijken van het bestemmingsplan, mogelijk is om veel dichterbij de bedrijfswoning van verzoekers een aanzienlijk hoger gebouw op het perceel te vergunnen. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband ook op dat de door verweerder te verrichten belangafweging in feite slechts hoeft te zien op het realiseren van het bijgebouw met de kleedruimten. Het betoog van verzoekers dat er ook een alternatieve locatie voor de gebouwen mogelijk was geweest, slaagt ook niet. Verweerder is gehouden te beslissen op een aanvraag zoals die bij hem wordt ingediend.

20.

Naar aanleiding van het betoog van verzoekers dat zij vrezen voor overlast van het parkeerterrein nabij hun woning heeft verweerder toegelicht dat hij niet beschikt over informatie dat de parkeerdruk bij de sportverenigingen op dit moment onaanvaardbaar hoog is. Het aantal parkeerplaatsen wordt in de vergunde situatie met dertig uitgebreid, hetgeen volgens de door verweerder gehanteerde validatiemethode ruim voldoende is. Verzoekers hebben niet betwist dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Zij hebben ter zitting gesteld dat de bezoekers eerder zullen kiezen voor het parkeerterrein bij hun woning dan voor het te realiseren nieuwe parkeerterrein ten zuiden van de hockeyvelden. Dit betoog, dat door vergunninghouder wordt betwist, leidt niet tot de conclusie dat het te verwachten is dat verzoekers onaanvaardbare hinder zullen ondervinden van het parkeerterrein bij hun woning.

21.

Verweerder heeft verder gesteld dat de kleedruimten niet zijn aan te merken als een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), zodat van de door verzoekers gestelde beperking van hun uitbreidingsmogelijkheden geen sprake is. Volgens de rechtspraak van de ABRvS, zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290), is van een geurgevoelig object in de zin van de Wgv slechts sprake indien sprake is van gebouwen waarin, naar aangenomen moet worden, langdurig zal worden verbleven. In de kleedruimten zal, gelet op de aard van het gebruik en de omvang ervan, niet langdurig door één persoon worden verbleven. Verweerder heeft in de door verzoekers genoemde omstandigheid dan ook geen aanleiding hoeven zien om de vergunning te weigeren.

22.

Ter zitting hebben verzoekers naar voren gebracht dat zij er met name ook hinder van ondervinden indien het kunstlicht bij de hockeyvelden laat in de avond nog aan is of gaat. Dit aspect is in het kader van de nu verleende vergunning niet aan de orde. Vergunninghoudster heeft ter zitting echter wel te kennen gegeven dat zij bereid is om op dit punt maatregelen te treffen om deze overlast te beperken.

23.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bezwaarfase niet in stand kan blijven. In de te nemen beslissing op bezwaar zal, zoals onder 18. is overwogen, wel nader moeten worden ingegaan op de door verweerder verrichte belangenafweging. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.