Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2939

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
2599527
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet verevening pensioenrechten, art. 3 lid 1 en lid 3. Cumulatie van kleine pensioenen in de zin van lid 3 van art. 3. De ratio van het niet hoeven verdelen van kleine pensioenen is de rompslomp die met de verdeling ervan gepaard gaat.

De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/169

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2599527 UC EXPL 13-19812 /1111

Vonnis van 23 juli 2014

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.E. Brokers-van Dijk,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure.

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2014.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten.

2.1

Tussen partijen staat vast dat zij op [1970] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in september 2003 besloten hebben van echt te scheiden. Door [eiser] was ten tijde van het huwelijk pensioen opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds ABP, door [gedaagde] bij Aegon Levensverzekering NV en bij PGGM. Partijen hebben hun huwelijk op 15 oktober 2003 omgezet in een geregistreerd partnerschap (en dit partnerschap is geëindigd op 7 oktober 2004).

2.2.

PGGM heeft in een brief aan [gedaagde] in oktober 2003 laten weten dat het door [gedaagde] bij PGGM opgebouwde ouderdomspensioen niet zou worden verevend, aangezien er een te klein ouderdomspensioen was opgebouwd door [gedaagde].

2.3.

Op 2 december 2003 heeft [gedaagde] aan [eiser] een e-mail gestuurd, waarin [gedaagde] aan de orde heeft gesteld dat haar pensioen bij Aegon en PGGM gewoon intact moeten worden gelaten en niet in de verdeling dient te worden begrepen omdat het bedrag per jaar slechts een zakcent is en het alleen maar gedoe en kosten met zich brengt. [eiser] heeft daarop gereageerd met de mededeling dat hij daarmee akkoord kan gaan onder de voorwaarde dat deze zakcent in mindering wordt gebracht op het eventuele, dan nog te betalen, alimentatiebedrag casu quo in mindering wordt gebracht van zijn met [gedaagde] te verrekenen pensioen. [gedaagde] heeft daarop geantwoord: “we praten hier wel over een uitkering die met 65 jaar ingaat hoor, dus ik zal je tegen die tijd op de hoogte stellen van de hoogte van het bedrag” waarop [eiser] heeft antwoord “ik denk dat dat zo niet werkt.”.

2.4.

Bij e-mail van 31 maart 2004 en 5 april 2004 van [eiser] aan [gedaagde] heeft [eiser] geschreven graag invulling te willen van het pensioenfonds van [gedaagde] en de waardebepaling ervan, waarop [gedaagde] heeft geantwoord, omdat dat zoveel kosten met zich meebrengt om dit uit laten rekenen, het gewoon mee te nemen in de pensioenverdeling “volgens de standaardformulieren”.

2.5.

Het geregistreerd partnerschap is geëindigd op 7 oktober 2004. Partijen hebben daartoe een overeenkomst gesloten op 4 oktober 2004. In die overeenkomst zijn de gevolgen van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap geregeld. Onder “OVERIGE AFSPRAKEN, PENSIOENEN, standaardverevening ouderdomspensioen”, staat de zinsnede: “De door de partijen opgebouwde pensioenaanspraken zullen worden verevend conform de in artikel 3 lid 1 van de wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding opgenomen standaardregeling”.

Onder het kopje “bericht aan pensioenmaatschappij” staat vermeld: “De partijen zullen na de totstandkoming van de ontbinding van hun geregistreerd partnerschap aan de voormelde pensioenuitvoerder(s) mededeling doen door middel van het daartoe voorgeschreven formulier, zulks ten einde te bewerkstelligen dat de man en de [gedaagde] over en weer een recht op uitbetaling zullen verkrijgen jegens de pensioenuitvoerder(s) ter grootte van de helft van het ouderdomspensioen van de [gedaagde] respectievelijk de man, voor zover dit over huwelijkse periodes opgebouwd. De benodigde formulieren zullen worden ondertekend door de man en de [gedaagde].”.

2.6.

In een e-mail van 16 januari 2005 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven: "gelukkig geeft de wet al aan dat kleine pensioenen niet verdeeld worden. Ik kan niet goed wijs hoe mijn 2 kleine pensioentjes zich nu verhouden tot de wettelijke waarde van circa 300 euro, ik hoop echter dat je zo reëel bent wat ik trouwens ook al eerder aan je heb voorgelegd. mijn pensioenopbouw stopt per heden en bij jou loopt hij nog door, ik zou je dan willen verzoeken niet moeilijk te gaan doen over mijn 2 kleine pensioentjes.”

2.7.

De aanspraak op PGGM , thans Pensioenfonds Zorg en Welzijn, is ingegaan op 1 mei 2012. [gedaagde] ontvangt met ingang van 1 mei 2012 € 673,- per jaar ofwel een bedrag van € 56,08 per maand.

2.8.

Per 1 mei 2012 is ook Aegon Levensverzekeringen NV tot uitkering gekomen. Het bedrag van € 10.326,70 wordt uitsluitend aan [gedaagde] uitgekeerd, nadat Aegon eerst bij brief van 16 april 2012 gemeld heeft dat in verband met echtscheiding een gedeelte van het kapitaal toekomt aan [eiser], maar daarop bij brief van 24 juli 2012 is teruggekomen.

3 De vordering.

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om aan [eiser] te betalen het bedrag van € 6.290,02, te vermeerderen met € 28,04 per maand waarvan de eerste vervalt op 1 november 2013 en eindigt op de datum dat pensioenaanspraken van [gedaagde] zullen zijn geëindigd als ook te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.499,83 vanaf 14 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de wettelijke rente over nog vervallende termijnen tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding met inbegrip van het salaris van gemachtigde.

3.2.

Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat partijen zich, toen zij verevening conform de in artikel 3 lid 1 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding opgenomen standaardregeling bepaalden en afspraken, kennelijk niet meer hebben gerealiseerd dat de door [gedaagde] opgebouwde ouderdomspensioenen bij PGGM en AEGON door deze regeling onverdeeld zullen blijven. De man is van oordeel dat het PGGM-pensioen hiermee onverdeeld bestanddeel van de gemeenschap is gebleven en vordert alsnog verdeling van het ouderdomspensioen. Partijen hebben ten tijde van een echtscheiding de bedoeling gehad om al hetgeen zij tijdens hun huwelijk van 33 jaar samen hadden opgebouwd ook samen te delen. De man is van oordeel dat, aangezien partijen wisten dat het pensioen van [gedaagde] bij PGGM niet kon worden verevend, dit bestanddeel onverdeeld is gebleven. Immers, de bepaling die opgenomen is in de overeenkomst tot beëindiging van het partnerschap kan niet zien op het ouderdomspensioen opgebouwd bij PGGM. De man maakt daarom aanspraak op de helft van de jaarlijkse aanspraak op een bedrag van € 28,04. [eiser] wijst op de mail van 2 december 2003 voor de onderbouwing van de stelling dat ook de pensioenen van [gedaagde] voor verevening althans verdeling en verrekening in aanmerking zouden komen. Het is de man pas na het sluiten van de overeenkomst van het geregistreerd partnerschap bekend geworden dat ook het door [gedaagde] opgebouwde pensioen bij Aegon niet voor verevening in aanmerking kwam, omdat het ook ging om een pensioen dat minder bedraagt dan de in de wet genoemde grens van € 350,65 bruto per jaar. [eiser] is van oordeel dat de regeling in artikel 3 lid 3 van de Wet verevening pensioenen bij echtscheiding, dat inhoudt dat kleine pensioenen niet verevend worden, onbillijk is, temeer omdat [gedaagde] twee kleine pensioenen heeft opgebouwd. Als deze twee pensioenen bij elkaar zouden zijn opgeteld zou de man wel recht hebben gehad op verevening. De man maakt ook aanspraak op een deel van afkoopbedrag van Aegon, tot een hoogte van € 5.163,35, omdat het ook naar de bedoeling van partijen was om alles bij helfte te delen.

4 Het verweer

[gedaagde] voert verweer. [eiser] heeft geen recht op de uitgekeerde kleine pensioenen, omdat deze niet onder het verevend pensioen vallen. [gedaagde] haalt ook enige citaten aan uit de brief van haar advocaat (die thans in deze procedure geen gemachtigde is) en die gewezen heeft op de ondergrens van artikel 66 van de Pensioenwet die niet overschreden is, terwijl er evenmin een rechtstreekse aanspraak is. Beroep op de redelijkheid lijkt niet aan de orde, want de wetgever heeft met de bepaling in de Wet verevening pensioenrechten al bepaald wat redelijk is, namelijk dat kleine pensioenen niet worden verevend. Er zijn geen argumenten genoemd die het redelijk zouden maken om hier van af te wijken. [gedaagde] verwerpt het citaat uit de dagvaarding dat, indien twee kleine pensioenopbouwen bij elkaar zouden worden opgeteld, de man wel recht zou hebben gehad op verevening. [gedaagde] acht dit onjuist, omdat kleine pensioenen nooit bij elkaar worden opgeteld.

5 Het oordeel

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

5.1.

Ambtshalve dient te worden beoordeeld door de kantonrechter of hij bevoegd is kennis te nemen van onderhavige vordering. Dat is het geval.

5.2.

De kantonrechter kan niet volstaan met enkel te kijken naar de tekst van de afspraken tussen partijen. Bij uitleg van de bepaling in een overeenkomst tot beëindiging van geregistreerd partnerschap komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5.3.

In het onderhavige geval gaat het om een afspraak in een overeenkomst tot beëindiging van geregistreerd partnerschap waarin met behulp van een notaris over vele onderwerpen (zoals partneralimentatie, privévermogens, woonhuis, de inboedel, schulden, overbedeling, de auto, vrijwaring) een regeling getroffen is en ook een over de pensioenen. Met betrekking tot de pensioenen is gekozen voor de zogenoemde en ook in de akte genoemde standaardverevening en ook de in de tekst zelf weer opgenomen standaardregeling, zoals deze in artikel 3 lid 1 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is opgenomen. Dus tot tweemaal toe wordt “standaard” gebruikt. Aangenomen moet worden dat partijen ter zake van het pensioen besloten hebben het hierbij te laten. Andere afspraken ter zake van het ouderdomspensioen zijn niet kenbaar gemaakt. Dat geldt wel voor het nabestaandenpensioen waarvan gezegd is dat man en [gedaagde] dat ieder behouden, voor zover het tijdens het huwelijk werd opgebouwd, en dat er geen afstand van wordt gedaan, behalve als er toch in de toekomst afstand van wordt gedaan, hetgeen dan alsnog geregeld moet worden. Deze regelingen zijn niet opgenomen ten aanzien van het ouderdomspensioen, zodat aangenomen mag worden, op grond van de uitleg van het geschrevene, dat door de standaardverevening de verdeling van het ouderdomspensioen heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter hoort bij – en is dus onlosmakelijk onderdeel van - de standaardregeling in artikel 3 lid 1 Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, die inhoudt dat ieder – kort gezegd - de helft van pensioen van de ander krijgt, het bepaalde in artikel 3 lid 3 van die wet dat een pensioen niet wordt verevend, indien op het tijdstip van scheiding het deel van het pensioen waarop recht op uitbetaling ontstaat, het in artikel 66 eerste lid van de Pensioenwet genoemd bedrag niet te boven gaat.

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben partijen niet desondanks afgesproken alles gelijkelijk te verdelen, zoals [eiser] aanvoert. Immers uit de mailwisseling van 2 december 2003 valt niet op te maken dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat, ondanks de regeling in artikel 3 lid 3 Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding, toch de kleine pensioenen van [gedaagde] ook verdeeld zouden worden. Immers in de mails gebruikt [gedaagde] het argument dat het bedrag per jaar slechts een zakcent is en alleen maar gedoe en kosten met zich brengt, hetwelk naar het oordeel van de kantonrechter een argument is dat juist past bij de reden die art. 3 lid 3 Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding geeft en waarom kleine pensioenen buiten de verevening worden gehouden. En op de daarop door [eiser] gestelde voorwaarde dat die zakcent in mindering wordt gebracht van de alimentatie of van het pensioen, wordt door [gedaagde] niet positief gereageerd.

5.5.

Dat geldt naar het oordeel van de kantonrechter ook voor de argumentatie van [gedaagde] in de mail van 31 maart 2004. Hoewel daaruit opgemaakt zou kunnen worden dat [gedaagde] akkoord gaat met verdeling, is dit naar het oordeel van de kantonrechter in werkelijkheid niet zo, omdat met de verwijzing naar de standaardformulieren verwezen wordt naar het bepaalde in de afspraken ter zake de beëindiging van het geregistreerd partnerschap, waarin onderdeel van de pensioenafspraak was dat bericht zou worden gedaan aan de pensioenmaatschappij door middel van standaardformulieren, te weten die formulieren die in de afspraken tussen partijen de ”daartoe voorgeschreven formulieren” worden genoemd. En in de e-mail van 16 januari 2005 wordt door [gedaagde] opgemerkt dat gelukkig de wet al aangeeft dat kleine pensioenen niet verdeeld worden.

5.6.

De conclusie luidt dat [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan deze bepalingen niet de verwachting mocht toekennen dat [gedaagde]’s kleine pensioenen ook verdeeld zouden worden, terwijl hij evenmin die overtuiging mocht stoelen op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.7.

Voor zover [eiser] nog de stelling heeft willen betrekken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de regeling van artikel 3 lid 3 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding ertoe kan leiden dat twee kleine pensioenen gestapeld (en gezamenlijk de grens van art 66 Pensioenwet passerend) desondanks buiten verevening blijven, wijst de kantonrechter ook die stelling af. De ratio van art 3 lid 3 is immers, zoals ook door [gedaagde] e-mail van 2 december 2003 is vermeld, dat kleine pensioenen veel rompslomp geven. In die ratio maakt het dan niet uit of er een of twee of zelfs drie kleine pensioenen zijn, want elk pensioen geeft op zich in verhouding tot het bedrag een te grote bureaucratische rompslomp. En voor de verhouding tussen partijen betekent het dat [eiser] zich eerder had moeten realiseren dat er twee pensioenen waren, zodat hij niet akkoord had moeten gaan, toentertijd, met de standaardregeling.

5.8.

Het gevolg is dat de vordering dient te worden afgewezen. De reconventionele vordering, voor zover deze is ingesteld, is ter gelegenheid van de comparitie van partijen ingetrokken en behoeft derhalve niet te worden behandeld

5.9.

[eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld. Die kosten zijn de zogenoemde verletkosten, door de kantonrechter begroot op € 50,-. aan de zijde van [gedaagde].

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 50,-;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.