Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2919

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
16.659671-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot één jaar cel en TBS voor meerdere geweldsdelicten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door met een mes een stekende beweging te maken richting de buik van aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven handelen van verdachte onvoldoende is om te spreken van een poging doodslag en zal verdachte daarvan vrijspreken. Verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659671-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

Geboren op [1982] te Amsterdam,

Verblijvende in het PPC Amsterdam, onderdeel van PI Amsterdam Over-Amstel.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzittingen van 1 november 2013, 16 januari 2014 en 31 maart 2014. Verdachte is op 1 november 2013 en 31 maart 2014 verschenen en werd bijgestaan door mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere.

Op 16 januari 2014 is enkel mr. D.L.A.M. Pluijmakers verschenen, die verklaarde door verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 31 maart 2014 kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.E.F. Poppe en van hetgeen zij naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft op voornoemde terechtzitting tevens kennisgenomen van de standpunten door de verdachte en zijn raadsman naar voren gebracht.

De rechtbank heeft op 14 april 2014 vonnis gewezen in de vorm van een tussenbeslissing. Bij dit vonnis heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropend en terstond voor onbepaalde tijd geschorst. Dit vonnis dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 26 juni 2016. Ter terechtzitting is verschenen mr. D.L.A.M. Pluijmakers, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen. De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen officier van justitie mr. P.E.F. Poppe en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 02 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven en/of opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gepakt en/of (vervolgens) meermalen met een mes, althans een scherp en/of een puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) naar, althans in de richting van, de buik en/of de keel, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer]heeft gemaakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 02 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes, althans een daarop lijkend (steek)voorwerp gepakt en/of in zijn hand gehouden en/of meermalen met een mes, althans een scherp en/of een puntig voorwerp, (een) stekende beweging(en) naar, althans in de richting van de buik en/of de keel, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer]heeft gemaakt en/of (terwijl hij zich op korte afstand van die [slachtoffer]bevond) een mes, in elk geval een daarop lijkend (scherp en/of puntig) voorwerp, heeft uitgestoken en/of (vast)gehouden vlak voor de buik en/of de keel, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer]en/of dat mes/voorwerp heeft getoond aan die [slachtoffer]en omstanders;

2.

hij op of omstreeks 02 augustus 2013 te Almere opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2], met kracht bij de keel en/of hals heeft vastgepakt en/of gegrepen en/of met kracht tegen de schouders heeft geduwd en/of met kracht de pols heeft vastgepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 25 juni 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 3]en/of [slachtoffer 4]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een koevoet in het gebouw van de Meerengaard gelopen en/of dreigend de woorden toegevoegd "De Meerengaard maakt mijn leven kapot. Ik ga jullie in elkaar slaan. ik doe jullie en [B] wat aan! Ik maak jullie kapot, want jullie maken mij kapot. Ik ben alles kwijt door jullie! Jullie bemoeien jullie overal mee!", althans woorden van gelijke aard

en/of strekking.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting van 31 maart 2014 heeft de officier van justitie zich reeds op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde onder feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer]en de verklaringen van de getuigen [getuige 1],[slachtoffer 2] en [getuige 2].

Ter terechtzitting van 26 juni 2014 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat aangever [slachtoffer]en de getuigen [getuige 1] en[slachtoffer 2] consistent hebben verklaard bij de rechter-commissaris en dat hiermee hun verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om te bezigen als bewijs. [getuige 1] en[slachtoffer 2] verklaren beiden dat ze een mes hebben gezien en[slachtoffer 2] en [slachtoffer]verklaren beiden over een stekende beweging richting de buik. Verdachte is enige tijd later op een andere plek aangehouden, dus heeft hij genoeg tijd en gelegenheid gehad om het mes weg te maken. Ook weegt in de overtuiging mee dat verdachte eerder iemand heeft neergestoken en dat hij heeft verklaard dat hij vanaf 2006 een wapen bij zich draagt omdat hij zich niet veilig voelde. Zij blijft dan ook bij haar standpunt dat de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ter terechtzitting van 26 juni 2014 heeft de officier van justitie voor wat betreft het tenlastegelegde onder feit 2 en 3 verwezen naar hetgeen zij ter terechtzitting van 31 maart 2014 naar voren heeft gebracht. Daar heeft zij aangevoerd dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden gelet op de aangifte van[slachtoffer 2] en de verklaringen van getuigen [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2]. Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 3 heeft zij erop gewezen dat meerdere mensen verdachte met een koevoet hebben gezien en dat zij zagen dat verdachte heel boos keek, bedreigend overkwam en hoorden dat hij dreigende woorden sprak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van 31 maart 2014 primair bepleit dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 primair dient te worden vrijgesproken nu er geen enkele aanwijzing is dat verdachte een mes voorhanden heeft gehad en het verwijt dat verdachte een stekende beweging zou hebben gemaakt onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen. Dientengevolge dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde, omdat het enkele tonen van een scherp voorwerp op zichzelf genomen geen bedreiging oplevert. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank wel oordeelt dat er sprake is geweest van een stekende beweging, verdachte dient te worden vrijgesproken omdat uit het vermeende handelen van verdachte geen (voorwaardelijk) opzet valt af te leiden op het van het leven beroven dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen gelet op de uiteenlopende verklaringen over het handelen van verdachte en is hij subsidiair van mening dat verdachte enkel kan worden veroordeeld voor het vastpakken van de pols van zijn moeder.

Voor wat betreft het tenlastegelegde onder feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Het enkele lopen met een koevoet levert geen bedreiging op en de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen blijken enkel uit de verklaring van getuige [slachtoffer 4]. Daarnaast waren de vermeende verwoordingen gericht op de Meregaard en waren deze niet van dien aard dat onder zulke omstandigheden een redelijke vrees zou ontstaan.

Ter terechtzitting van 26 juni 2014 heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 verzocht de verklaring van getuige [getuige 1] als onbetrouwbaar uit te sluiten van het bewijs, omdat er geen mes is aangetroffen en haar verklaring op cruciale punten wordt weersproken door andere getuigen. De raadsman heeft primair aangevoerd dat ook na de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris onvoldoende overtuigend blijkt dat verdachte een mes bij zich heeft gedragen en dat eveneens niet, dan wel onvoldoende, blijkt van een stekende beweging richting de heer [slachtoffer]. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde. Subsidiair is de raadsman van mening dat de vermeende stekende beweging geen opzet op de dood oplevert, maar enkel een poging zware mishandeling.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 heeft de raadsman hetzelfde naar voren gebracht als ter terechtzitting van 31 maart 2014.

Voor wat betreft de tenlastegelegde feiten onder 2 en 3 heeft de raadsman naar zijn pleidooi gewezen van de terechtzitting van 31 maart 2014.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht op basis van de aangifte2 en de verklaring van getuige[slachtoffer 2]3 bij de politie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een mes heeft gepakt en met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt richting de buik van aangever.

Aangever [slachtoffer]heeft bij de politie verklaard dat verdachte met zijn rechterhand in zijn rechterbroekzak tastte en daar vervolgens een mes uit pakte. Het mes was zilverkleurig en ongeveer 25 cm lang. Hij zag dat verdachte met dit mes, op ongeveer een meter afstand van hem, een stekende beweging maakte richting zijn buik.

Getuige[slachtoffer 2], de moeder van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat verdachte in een flits een mes trok en dit mes vlak voor de buik van de buurman stilhield. Zij zag dat verdachte het mes op een afstand van ongeveer 10 cm van de buik van de buurman hield.

De rechtbank acht de bovengenoemde bij de politie afgelegde verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar, nu de verhoren binnen een uur na de aanhouding van verdachte hebben plaatsgevonden. Dat deze verklaringen op enkele onderdelen afwijken van de verklaringen bij de rechter-commissaris doet daar niet aan af. Nu de aangifte ten aanzien van het mes wordt ondersteund door de politieverklaring van[slachtoffer 2] gaat de rechtbank ook ten aanzien van de stekende beweging af op hetgeen de aangever daarover heeft verklaard. Temeer daar de aangever zijn verklaring (ook) op dat punt heeft herhaald tegenover de rechter-commissaris en ook getuige[slachtoffer 2] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard over een stekende beweging.

Het is een feit van algemene bekendheid dat, door met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van de buik van een ander, een gebied waar zich veel vitale organen bevinden, de aanmerkelijke kans bestaat dat die ander daardoor zodanig gewond raakt dat deze daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door met een mes een stekende beweging te maken richting de buik van aangever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel op zou kunnen lopen. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven handelen van verdachte onvoldoende is om te spreken van een poging doodslag en zal verdachte daarvan vrijspreken. Aldus acht de rechtbank wel wettig en overtuigen bewezen dat verdachte opzettelijk, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft geprobeerd aan aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht op basis van de aangifte4 en de verklaring van getuige [getuige 1]5 bij de politie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met kracht bij de keel heeft vastgepakt, tegen de schouders heeft geduwd en de pols heeft vastgepakt waardoor aangever letsel en pijn heeft ondervonden.

Aangeefster[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte haar bij de keel pakte en dat dit pijn deed. Zij bleef achteruit lopen en toen liet verdachte los. Verdachte gaf haar daarna met twee handen een harde duw op de schouders. Verdachte pakte haar vervolgens bij de pols en probeerde haar arm om te draaien om de autosleutels af te pakken.

Verbalisant [D] neemt bij het verhoor bij aangeefster een rode verkleuring op de rechterpols en een hele lichte verdikking waar. Hij hoort aangeefster ook zeggen dat zij nog wel last heeft van haar pols.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij zag dat verdachte aangeefster met beide handen bij de keel greep en dat aangeefster zich kort daarna wist los te rukken van de keelgreep van verdachte. Zij zag dat aangeefster vervolgens richting huis liep en dat verdachte achter haar aan liep en haar tegenhield op straat. Zij zag dat verdachte aangeefster bij haar handen beetpakte en door elkaar schudde.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte aangeefster, zijn moeder, heeft mishandeld.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht op basis van de aangifte6 en de getuigenverklaring van [slachtoffer 4]7 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een koevoet in het gebouw van De Meregaard heeft gelopen en later dreigende woorden heeft geuit.

Aangever [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij van een collega hoorde dat hij op zijn kamer moest blijven, omdat verdachte met een koevoet voor de deur stond en naar hem vroeg. Hij was bang dat verdachte met de koevoet zijn kamer binnen zou komen en hem iets zou aandoen.

Getuige [slachtoffer 4] hoorde dat verdachte met een koevoet in de hand naar het kantoor van aangever was gelopen en weer naar buiten was geleid. Zij ging naar buiten en zag dat verdachte een koevoet bij zich had. Zij zag dat verdachte agressief was en boos keek. Zij hoorde dat verdachte op zoek was naar aangever en is vervolgens met collega [C] naar aangever toegelopen. Zij zag dat verdachte erg boos was, dat hij zich groot maakte en met zijn armen zwaaide. Zij hoorde verdachte onder andere schreeuwen: “De Meregaard maakt mij kapot. Ik ga jullie in elkaar slaan. Ik doe jullie en [B] wat aan! Ik maak jullie kapot, want jullie maken mij kapot. Ik ben alles kwijt door jullie! Jullie bemoeien je overal mee!” Deze bedreigingen waren volgens haar persoonlijk, berekenend, gericht en bewust en ook tegen haar gericht. Zij voelde zich erg bedreigd en had het idee dat verdachte zijn bedreigingen ook wilde uitvoeren.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van getuige [slachtoffer 4]. Dat haar verklaring niet op alle punten wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, doet daar niet aan af.

De rechtbank is van oordeel dat het rondlopen met een koevoet in De Meregaard, op zoek zijnde naar aangever, en het zich buiten bij de Meregaard blijven ophouden met die koevoet waarbij de tenlastegelegde dreigende woorden zijn geuit zodanige omstandigheden opleveren dat bij aangever en getuige [slachtoffer 4] vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen zou uitvoeren. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor omschreven handelen van verdachte onvoldoende is om te spreken van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en za verdachte daarvan vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1. Primair

hij op 02 augustus 2013 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet een mes heeft gepakt en vervolgens met een mes, een stekende beweging in de richting van de buik van die [slachtoffer]heeft gemaakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 02 augustus 2013 te Almere opzettelijk mishandelend zijn moeder, te weten [slachtoffer 2], met kracht bij de keel heeft vastgepakt en met kracht tegen de schouders heeft geduwd en met kracht de pols heeft vastgepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 25 juni 2013 te Almere [slachtoffer 3]en [slachtoffer 4]heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een koevoet in het gebouw van de Meregaard gelopen en dreigend de woorden toegevoegd "De Meregaard maakt mijn leven kapot. Ik ga jullie in elkaar slaan. ik doe jullie en [B] wat aan! Ik maak jullie kapot, want jullie maken mij kapot. Ik ben alles kwijt door jullie! Jullie bemoeien jullie overal mee!", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

De rechtbank heeft bij de bewezenverklaring een aantal kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1, primair, impliciet subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Feit 2, impliciet primair:

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder.

Feit 3, impliciet subsidiair:

Bedreiging met zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest alsmede te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Zij heeft daartoe aangevoerd dat duidelijk is geworden dat verdachte een stoornis heeft en behandeld moet worden in een klinische setting. Als dit niet gebeurt, blijft de kans op recidive groot en vormt verdachte een gevaar voor anderen. De geëiste gevangenisstraf is een stuk lager dan de voorgeschreven gevangenisstraf volgens de richtlijnen van het openbaar ministerie ten opzichte van een poging doodslag, omdat verdachte behandeling nodig heeft. Een gemaximeerde terbeschikkingstelling is volgens de officier van justitie niet aan de orde, omdat de tenlastegelegde feiten zien op (mogelijk) lichamelijk letsel bij anderen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verwezen naar hetgeen hij ter terechtzitting van 31 maart 2014 naar voren heeft gebracht. Daar heeft hij verzocht om verdachte niet ter beschikking te stellen, omdat de ernst van de feiten dat niet rechtvaardigt en het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) niet volledig genoeg is. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de eventueel op te leggen gevangenisstraf te matigen, omdat verdachte zijn straf al ruimschoots heeft uitgezeten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig maakt aan meerdere geweldsdelicten. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen bij de slachtoffers, maar ook bij de mensen die getuige zijn geweest van het geweld, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gevolgen voor slachtoffers van (dreiging met) geweld zeer ingrijpend kunnen zijn. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het gegeven dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van geweldsdelicten, blijkens een uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 mei 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van een door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (verder: NIFP) locatie PBC uitgebrachte rapportage d.d.

13 februari 2014 opgesteld door A.H. Bouwman, psycholoog, en M. van Berkel, psychiater. Deze rapportage bestaat uit een milieuonderzoek, een groepsobservatie, een psychologisch onderzoek en een psychiatrisch onderzoek.

Op basis van het huidige onderzoek kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van psychotische stoornis, hoogstwaarschijnlijk met als onderliggende oorzaak schizofrenie van het paranoïde type. Het onderzoek geeft tevens aanwijzingen voor een problematisch gebruik van cannabis. Afhankelijkheid van cannabis kan niet worden onderbouwd, maar ook niet worden uitgesloten.

Er zijn voldoende aanwijzingen dat ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van bovenstaande diagnoses. Dit kan worden opgemaakt uit het chronisch beloop van de ziekte schizofrenie c.q. schizoaffectieve stoornis. Er zijn veel aanwijzingen dat deze ziekte bij verdachte als sinds jaren aanwezig is in de vorm van in ieder geval chronische paranoïde wanen. Ook zijn er veel aanwijzingen dat de aanwezige ziekelijke stoornis bij verdachte zijn gedragingen en gedragskeuzes beïnvloedde ten tijde van alle tenlastegelegde feiten. Er zijn geen aanwijzingen dat de problemen op het gebied van cannabisgebruik van invloed zijn geweest op de tenlastegelegde feiten.

Alles overziend wordt geadviseerd verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het is goed mogelijk dat er sprake is van een grotere doorwerking van het ziektebeeld ten tijde van de tenlastegelegde feiten, maar dit kan door het niet meewerken van verdachte niet goed beoordeeld worden.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare, in zoverre dat zij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar acht.

De klinische inschatting van de deskundigen van het PBC is dat er een hoog risico is op recidive op korte en middellange termijn. Hierbij speelt mee dat het gaat om een chronische stoornis waarvan niet waarschijnlijk is dat deze zonder behandeling zal verdwijnen. Tegelijkertijd heeft verdachte geen enkel ziektebesef, zodat hij zelf niet inziet dat behandeling nodig is. Om het recidiverisico te verminderen is psychiatrische behandeling nodig in een klinische setting, waarbij behandeling met medicatie zeer belangrijk is. Daarnaast zal aandacht moeten worden besteed aan het gebruik van cannabis, aangezien dit een negatieve invloed heeft op zijn ziektebeeld en het bestaan van een psychose kan onderhouden. De behandeling zal op zijn minst binnen een forensisch psychiatrisch kader moeten plaatsvinden in verband met de beveiliging en een garantie voor een eventueel langer durende behandeling.

Ten aanzien van het juridisch kader waarin behandeling zal kunnen plaatsvinden werd door de deskundigen overwogen om een voorwaardelijk kader te adviseren, maar de inschatting is dat verdachte niet zal meewerken aan de voorwaarden die gesteld zullen worden. De rapporteurs komen dan ook tot de conclusie dat geen andere mogelijkheid als advies overblijft om verdachte binnen een TBS met bevel tot dwangverpleging te laten behandelen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van een jaar passend is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Een langere gevangenisstraf acht de rechtbank niet geboden nu zij ten aanzien van feit 1 primair niet gekomen is tot een bewezenverklaring van poging doodslag en het van belang is dat verdachte zo spoedig mogelijk wordt behandeld.

Gelet op de inhoud van het NIFP-rapport waarin verdachtes psychische problematiek is beschreven, de ernst van de feiten en het gevaar voor geweldsrecidive, is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en/of een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld dan wel het misdrijf is genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en ten eerste, van het Wetboek van Strafrecht;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 45, 57, 285, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 1 primair impliciet primair en het onder feit 3 impliciet primair aan verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair impliciet subsidiair, feit 2 impliciet primair en feit 3 impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 primair impliciet subsidiair, feit 2 impliciet primair en feit 3 impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mrs. G. Blomsma en
mr. F.H. Schormans, rechters, .in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013046118, doorgenummerd 1 tot en met 71.

2 P. 16.

3 P. 13.

4 P. 13.

5 P. 17.

6 P. 34.

7 P. 47 en 48.