Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:291

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
16-657350-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en met een te hoge snelheid reed.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2014/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/657350-12 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 januari 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen),

wonende te [adres] te [woonplaats] (Polen).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013 en 9 januari 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting van 9 januari 2014 laten bijstaan door mr. R.G. van der Laan, advocaat te Leiden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: zich als bestuurder van een auto zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig te handelen, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: als bestuurder van een auto dit voertuig heeft bestuurd onder invloed van alcoholhoudende drank en/of zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 1 juni 2012 vond er een verkeersongeval plaats op het kruispunt van de Nieuweweg met de Willeskop te Montfoort. Het betrof een aanrijding tussen een BMW en een Volkswagen.2

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in zijn personenauto naast de personenauto van [slachtoffer] stond op de kruising van de Nieuweweg met de Willeskop te Montfoort. Hij keek naar links, daarna naar rechts en vervolgens weer naar links en zag geen voertuigen aankomen. Hij zag dat [slachtoffer] de Willeskop op reed. Vervolgens zag hij een BMW met hoge snelheid vanaf links aan komen rijden. Hij zag dat de BMW een stuurbeweging maakte en dat het voertuig naar het midden van de weg stuurde. Hij hoorde en zag dat de BMW het voertuig van [slachtoffer] hard in de flank raakte.3 Hij zag dat de snelheid van de BMW erg hoog was en schat deze op 80 tot 100 kilometer per uur.4

Getuige [getuige 2] stond voor het raam van zijn woning aan de Willeskop te Montfoort en heeft vanuit zijn woning zicht op de t-splitsing van de Nieuweweg en de Willeskop. Hij zag een personenauto vanaf de Nieuweweg de Willeskop opdraaien en zag dat dit voertuig linksaf richting Montfoort wilde rijden. Hij zag vervolgens dat er een BMW met hoge snelheid over de Willeskop reed en zag dat dit voertuig de auto in de flank ramde. Hij schat de snelheid van de BMW op ongeveer 100 kilometer per uur. Hij zag dat de BMW vlak voor de aanrijding naar het midden van de weg stuurde.5

Van verdachte is bloed afgenomen, welk monster is voorzien van het nummer SIN TAAI4841NL.6 Het NFI heeft het bloedmonster geanalyseerd. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 1,01 milligram ethanol per milliliter bloed.7

Uit de verkeersongevallenanalyse is gebleken dat in de rijrichting die de BMW had voorafgaande aan het ongeval, de Willeskop in een bocht naar rechts verloopt tot vijftig meter voor het punt waar de Nieuweweg op de Willeskop aansluit. De toegestane snelheid ter plaatse bedroeg 60 kilometer per uur.8 Gezien vanuit de positie van de Volkswagen, stilstaand ter hoogte van de haaientanden en kijkend in de richting van Montfoort (rijrichting BMW), had de bestuurder van de Volkswagen ongeveer 100 meter vrij zicht. Daarna werd het zicht geheel belemmerd door begroeiing.9 Uit de computersimulatie is gebleken dat de indicatieve snelheid van de BMW voorafgaande aan het ongeval 93 kilometer per uur was.10 De Volkswagen was (ruim) overgestoken geweest indien de bestuurder van de BMW zich aan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur had gehouden.11

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft ten gevolge van de aanrijding haar ribben gebroken, haar bekken zijn op drie plaatsen gebroken, haar linker bovenbeen is gebroken, uitstulpingen op haar ruggengraat zijn gebroken en zij heeft twee hoofdwonden opgelopen.12 Zij ondervindt nog dagelijks hinder van het ongeval omdat zij niet langer dan tien minuten kan lopen, niet in staat is om te werken en nog steeds veel pijn heeft. Ook is een lichte hersenbeschadiging gebleken uit psychisch onderzoek.13

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte met een veel hogere snelheid dan de daar toegestane maximum snelheid van 60 kilometer per uur heeft gereden. Niet bewezen is dat dit met 93 kilometer per uur is geweest. Wel acht de officier van justitie bewezen dat verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol. Er is derhalve sprake van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel bekomen.

De officier van justitie acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet vaststaat met welke snelheid verdachte heeft gereden. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt immers dat de vastgestelde snelheid van 93 kilometer per uur een indicatieve snelheid betreft. Alle overige standpunten zoals het beslismoment van het slachtoffer, de vermijdbaarheid van de aanrijding en het feit dat het slachtoffer op het moment dat zij de weg opreed het voertuig van verdachte nog niet zou hebben kunnen zien, zijn allemaal gebaseerd op de snelheid van 93 kilometer per uur. Aangezien onvoldoende vaststaat dat verdachte 93 kilometer per uur heeft gereden, staat ook onvoldoende vast dat het slachtoffer, op het moment dat zij de kruising opreed, het voertuig van verdachte nog niet had gezien. Het slachtoffer had daarom voorrang moeten en kunnen verlenen aan verdachte.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat de verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is ten laste gelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet vaststaat met welke snelheid verdachte heeft gereden. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt immers dat de vastgestelde snelheid van 93 kilometer per uur slechts een indicatieve snelheid betreft. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de verdediging, wel bewezen dat verdachte met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur heeft gereden, omdat dit met voldoende waarborgen is berekend in de verkeersongevallenanalyse. De advocaat heeft gesteld dat de berekende snelheid enkel een aanname is, maar heeft dit niet verder gemotiveerd. Overigens heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat die aannames in de verkeersongevallenanalyse onjuist zijn. Daarbij is door twee getuigen, [getuige 1] en [getuige 2], verklaard dat verdachte veel te hard heeft gereden voorafgaand aan de aanrijding.

De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de getuige [getuige 1] te twijfelen. Het enkele feit dat hij de vriend van het slachtoffer is acht de rechtbank – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd- daarvoor onvoldoende.

Voorts acht de rechtbank de overige omstandigheden zoals ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte onder invloed van alcoholhoudende drank, met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan door een bocht reed, waardoor het slachtoffer verdachtes auto pas zo laat in het zicht kreeg dat zij geen voorrang meer kon verlenen. Verdachte heeft vervolgens zijn voertuig niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten.

Zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank merkt het lichamelijk letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zoals hierna is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 01 juni 2012 te Montfoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Willeskop, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank

na een zwakke bocht naar rechts met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur althans een veel hogere snelheid dan de daar ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 km per uur de kruising met de Nieuweweg te naderen en op te rijden

op het moment dat vanaf de Nieuweweg een auto, merk VW, optrok vanuit stilstand en

linksaf de Willeskop op reed terwijl de bestuurster van deze auto

- door die veel te hoge snelheid van verdachte en

- door die zwakke bocht in de Willeskop in de richting waar verdachte vandaan kwam verdachtes auto pas zo laat in haar zichtveld kreeg dat zij niet in staat was aan hem, verdachte, voorrang te verlenen,

en hij, verdachte, de door hem bestuurde auto niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

waarna een aanrijding tussen beide auto's ontstond,

waardoor de bestuurster van de VW, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten onder andere een bekkenbreuk en een bovenbeenbreuk en ernstig borstkasletsel, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde,

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. In het kader van de strafmaat heeft de verdediging subsidiair verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en het feit dat hij nog steeds niet hersteld is van de gevolgen van de aanrijding.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Verdachte heeft onder invloed van alcoholhoudende drank veel te hard gereden, waardoor het slachtoffer de auto van verdachte te laat in het zicht kreeg en geen voorrang meer kon verlenen. Als gevolg van deze handeling heeft verdachte een aanrijding veroorzaakt, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit haar verklaring bij de politie blijkt dat zij bijna een jaar na het ongeluk nog steeds kampte met de lichamelijke gevolgen van het ongeluk. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich op deze manier in het verkeer heeft gedragen.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. Voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag (grove verkeersfout), de verdachte onder invloed van alcohol verkeerde (minder dan 570 Ugl) en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen wordt overeenkomstig deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat verdachte in Polen woont, geen vaste verblijfplaats heeft in Nederland en dat verdachte naar eigen zeggen nog herstellende is van het ongeluk. Reeds daarom ziet de rechtbank voor het opleggen van een werkstraf geen aanleiding. De rechtbank acht in dit geval slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen passend.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit zijn justitiële documentatie van 16 oktober 2013 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, zoals gevorderd door de officier van justitie, acht de rechtbank niet opportuun, nu verdachte in Polen woont.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden passend is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. de Stigter, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2014.

Mr. J.P.H. van Driel van Wageningen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 01 juni 2012 te Montfoort, althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Willeskop, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

(terwijl hij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank)

na een (zwakke) bocht naar rechts en/of met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan de daar ter plaatse toegestane maximun snelheid van 60 kilometer per uur de kruising met de Nieuweweg te naderen en/of op te rijden

op het moment dat vanaf de Nieuweweg een auto (merk VW) optrok (vanuit stilstand) en linksaf de Willeskop op reed terwijl de bestuurster van deze auto

- door die (veel) te hoge snelheid van verdachte en/of

- door die (zwakke) bocht in de Willeskop in de richting waar verdachte

vandaan kwam

verdachte's auto pas zo laat in haar zichtveld kreeg dat zij niet in staat was aan hem, verdachte, voorrang te verlenen,

en/of hij, verdachte, de door hem bestuurde auto niet tot stilstand kon

brengen/heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en

waarover deze vrij was,

waarna een aanrijding/botsing tussen beide auto's ontstond,

waardoor de bestuurster van de VW, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een bekkenbreuk en/of een bovenbeenbreuk en/of ernstig borstkasletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 juni 2012 te Montfoort, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,

1,01 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

en/of

hij, op of omstreeks 01 juni 2012, te Montfoort, althans in het arrondissement

Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Willeskop,

na een (zwakke) bocht naar rechts en/of met een snelheid van ongeveer 93 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan de daar ter plaatse toegestane maximun snelheid van 60 kilometer per uur de kruising met de Nieuweweg is genaderd en/of is opgereden

op het moment dat vanaf de Nieuweweg een auto (merk VW) optrok (vanuit stilstand) en linksaf de Willeskop op reed terwijl de bestuurster van deze auto

- door die (veel) te hoge snelheid van verdachte en/of

- door die (zwakke) bocht in de Willeskop in de richting waar verdachte

vandaan kwam

verdachte's auto pas zo laat in haar zichtveld kreeg dat zij niet in staat was aan hem, verdachte, voorrang te verlenen,

en/of hij, verdachte, de door hem bestuurde auto niet tot stilstand kon brengen/heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna een aanrijding/botsing tussen beide auto's ontstond,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden

veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL 0971 2012122815 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van ongevallenanalyse (met nummer 2012122815-3), d.d. 19 augustus 2012, p. 4.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 2 juni 2012, p. 13.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 2 juni 2012, p. 14.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige R. [getuige 2], d.d. 3 juni 2013, p. 15.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van misdrijf, d.d. 20 september 2012, p. 53.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het NFI, d.d. 7 juni 2012, p. 57.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van ongevallenanalyse (met nummer 2012122815-3), d.d. 19 augustus 2012, p. 7.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van ongevallenanalyse (met nummer 2012122815-3), d.d. 19 augustus 2012, p. 16.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van ongevallenanalyse (met nummer 2012122815-3), d.d. 19 augustus 2012, p. 26.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van ongevallenanalyse (met nummer 2012122815-3), d.d. 19 augustus 2012, p. 32.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer], d.d. 4 juli 2012, p. 21.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal verzoek OM, d.d. 21 maart 2013 (niet doorgenummerd).