Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2851

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
16/702324-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 23-jarige man uit Amsterdam tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De man heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een boerderijwoning in Nagele in de nacht van 21 op 22 juni 2013. Het gezin werd midden in de nacht gewekt door drie overvallers. Onder bedreiging van geweld gingen de overvallers de slaapkamers van de bewoners binnen. De vader werd in het gezicht gestompt en geslagen. De 16-jarige zoon werd gedwongen op de grond te gaan liggen en hoorde dat er geweld tegen zijn ouders werd gebruikt. De overvallers gingen er met een radio en een fotocamera vandoor. De rechtbank concludeert dat de verdachte één van de personen is geweest die de gewelddadige overval op de woning heeft gepleegd. Daarnaast wordt de man veroordeeld voor verboden wapenbezit. De rechtbank vindt alleen een langdurige gevangenisstraf passend. Het wordt verdachte zeer zwaar aangerekend dat er kinderen betrokken zijn geraakt bij de overval en dat er geweld is gebruikt tegen de vader. Omdat verdachte nooit eerder betrokken is geweest bij een soortgelijk feit, legt de rechtbank een iets lagere straf op dan de geëiste zes jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/702324-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats],

verblijvende te PI Nieuwegein.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F. Rethmeier en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 juni 2013 te [woonplaats], gemeente Noordoostpolder, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit een woning gelegen aan de [adres 1]) een radio en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- rond 03:30 uur in de nacht

- terwijl hij/zij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een taser bij zich had(den)

- de slaapkamer van die [aangever 3] is/zijn binnengegaan en/of die [aangever 3] heeft/hebben wakker geschud en/of tegen die [aangever 3] heeft/hebben gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en/of

- de slaapkamer van die [aangever 1] en/of [aangever 2] is/zijn binnengegaan en/of die [aangever 1] aan de arm/mouw heeft/hebben getrokken en/of op het bed is/zijn gesprongen en/of (meermalen) (dreigend) heeft/hebben geroepen 'het is een overval, het is een overval', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [aangever 1] (meermalen) met kracht (met een voorwerp en/of met de hand) in het gezicht en/of op het hoofd in elk geval het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen;

2.

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te [woonplaats] een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, model 70, kaliber 7,65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten 4 scherpe patronen (merk Geco, kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juni 2013 tot en met 30 oktober 2013 te [woonplaats] en/of te [woonplaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, (een) of meer wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten (een) nabootsing(en) van (een) pistool, dat/die door zijn/hun vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daarbij gewezen op de aangifte en de aangetroffen sporen, alsmede op de bij de doorzoeking aangetroffen goederen.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in of bij de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] is geweest. Verdachte voldoet niet aan de opgegeven signalementen en ook uit de historische verkeersgegevens van zijn telefoons blijkt niet dat hij in de nabijheid van de woning is geweest. Het DNA van verdachte is op de slede van het bij de overval gebruikte wapen terecht gekomen doordat verdachte op een eerder moment samen met [A] met dit wapen op blikjes heeft geschoten. Bovendien heeft verdachte door het fitnessen regelmatig wondjes aan zijn handen, wat de aanwezigheid van zijn bloed op de slede kan verklaren. De verklaring van [A], dat verdachte het wapen in zijn bezit had, moet als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven. De in zijn slaapkamer aangetroffen handschoen bevat weliswaar DNA-nevenkenmerken van verdachte en DNA van het slachtoffer, maar hierop zijn tevens DNA-nevenkenmerken van minimaal twee onbekende personen gevonden. Niet valt uit te sluiten dat anderen, zoals [A], de handschoen hebben gebruikt en in de kamer van verdachte hebben neergelegd, zodat de DNA-sporen van verdachte door middel van contaminatie op de handschoen zijn terecht gekomen. Voorts is van het DNA van verdachte de matchkans niet berekend.

Over de schoensporen heeft de verdediging aangevoerd dat er vijf DNA mengprofielen op de schoenen zijn aangetroffen en dat het een veel voorkomende type schoen is, zodat het heel goed kan zijn dat de drager van de schoenen in [woonplaats] iemand anders betreft dan verdachte. Uit onderzoek is ook gebleken dat het ongeveer even waarschijnlijk is dat de grond die onder de schoen zat dezelfde grond is als de grond die aangetroffen is in de keuken van het slachtoffer, als dat dit verschillende soorten grond betreft.

Daar komt bij dat de vriendin van verdachte [X] ter terechtzitting van 1 juli 2014 heeft verklaard dat verdachte op 22 juni 2013 tussen ongeveer half één en één uur ’s nachts bij haar is gekomen in [woonplaats] en dat zij de volgende ochtend samen wakker zijn geworden.

Feit 2

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Verdachte was zich niet bewust van de aanwezigheid van het wapen in de woning en niet is gebleken dat verdachte de beschikkingsmacht over het wapen had. Het wapen bevond zich in een voor iedereen toegankelijke ruimte in een woning waar meerdere mensen verbleven.

Feit 3

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde. Nu niet bewezen kan worden dat verdachte de woningoverval op 22 juni 2013 heeft gepleegd, kan evenmin worden bewezen dat hij het daarbij gebruikte wapen op die dag voorhanden heeft gehad. Ook de omstandigheid dat verdachte het wapen wel eens heeft vastgehouden, leidt er niet zonder meer toe dat hij het wapen voorhanden heeft gehad. Nergens blijkt uit dat verdachte enige macht van betekenis over het wapen heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feit 1

Op zaterdag 22 juni 2013 kwam er om 03:40 uur een melding bij de politie binnen van een overval in een woning op het adres [adres 1] in [woonplaats].

[aangever 1] verklaarde op 22 juni 2013 hierover onder meer het volgende.

Op zaterdag 22 juni lag ik ’s nachts te slapen in bed, in mijn slaapkamer op de eerste verdieping. Mijn vrouw lag naast mij te slapen. Ik werd wakker omdat iemand aan m’n mouw schudde. (..) Ik zag toen twee personen en dat ze op agressieve toon zeiden ‘Dit is een overval, dit is een overval.’ Meerdere keren. Degene die het dichtst bij mij stond, kon ik van me aftrappen. (..) Er gebeurde toen ook iets, iets met sterretjes, of een taser of zo. Toen kwam de tweede persoon, een groter persoon. (..) Hij leunde over m’n vrouw en begon op me in te stompen. Constant zeiden ze allebei ‘Dit is een overval’. (..) Ze hadden een buitenlands accent, richting Arabisch. Evengoed klonk het wel Nederlands, niet gebroken Nederlands. Die tweede persoon sloeg met zijn vuist, z’n rechtervuist. Achteraf denk ik dat hij wat in z’n handen had, omdat hij met de onderkant van zijn vuist sloeg. Ondertussen komt er een derde persoon binnen. En kan ik die tweede persoon flink raken, ik lag half overeind in bed. Ik raakte hem overal waar ik kon. (..) De eerste persoon die in de slaapkamer kwam, was begin 20 jaar. De tweede was groter en ouder, ik schat richting 25 jaar. De derde persoon schat ik ongeveer 16 jaar. (..) De eerste persoon was qua lengte de middelste. De tweede was de grootste en de derde was de kleinste. De tweede persoon schat ik minstens zo groot, ik ben 1 meter 81 en hij had een fors postuur. De eerste man was smaller. De derde man was ook smal.

Toen ze weggingen, renden ze naar beneden. Via de achterdeur zijn ze naar buiten gegaan. (..) Toen de eerste man in m’n slaapkamer stond, was het ongeveer 3:30 uur.2

Op 23 juni 2013 deed [aangever 1] aangifte bij de politie. Hij verklaarde toen onder meer het volgende.

Ik werd opeens aan mijn linkermouw getrokken. (..) Ik zag dat deze persoon naast mij aan mijn kant stond. (..) Ik hoorde de persoon op een vrij rustige manier zeggen dat het een overval betrof. (..) Ik hoorde vervolgens vanaf de achterzijde van het bed (het voeteneind) iemand op een agressieve en harde manier zeggen dit is een overval, dit is een overval. (..) Ik ben hierdoor in de aanval gegaan. (..) Ik zag een schittering bij mijn voeteneind komen. De schittering kwam op hoogte van het hoofd. Ik gok op 180 cm hoog. Het leek wel op sterretjes maar dan explosiever. Ik dacht in eerste instantie aan vuurwerk. (..) Het klonk DZZZT. (..) In de tussentijd werd er nog een aantal malen geschreeuwd ‘het is een overval, het is een overval’. Dat werd door beide personen meerdere malen gezegd. (..)

De persoon welke als tweede binnen kwam en die aan het voeteneind stond springt over de rand van het bed heen. (..) Ik kreeg vervolgens diverse klappen op mijn hoofd en gezicht. (..) Ik denk dat het met een vuist gebeurd is. (..) Ik heb het vermoeden dat ze wat in hun handen had omdat de vuistslagen zo hard aan kwamen. (..) Ik krijg ineens nieuwe klappen. Er komt een nieuwe aanval. Ik had het vermoeden dat hij agressiever werd want de klappen werden steeds harder. (..) In de tussentijd is er een derde persoon binnen gekomen. Deze is er in een flits geweest. Ik weet dat hij wat gezegd heeft. Dit betreft een jonge jongen. (..)

Signalement persoon 1 (welke aan mijn mouw trok)

- man

- schriel, mager (..)

- qua stem en postuur denk ik dat hij ongeveer 20 jaar moest zijn. (…)

Signalement persoon 2 (persoon welke geslagen heeft)

- man

- groter dan de man die aan mijn mouw trok. Ik gok zelf op 180 cm maar dat is op gevoel.

- breder postuur

- hierdoor denk ik dat hij ouders ie en dat hij een jaar of 25 is (..)

Signalement 3

- man

- dit was de kleinste en de smalste

- hierdoor denk ik aan persoon van ongeveer 16 jaar oud.

De stemmen klonken heel Nederlands. Ik bedenk me net dat degene die zo agressief sprak, daar geen accent in hoorde. Het zou dus echt gaan om de persoon die aan mijn mouw trok. Ik weet alleen niet waarom in aan Arabisch dacht. (..)

In mijn eerdere verklaring heb ik aangegeven dat ik een radio mis, welke ik gewonnen had bij de postcode loterij. Het betreft een retro Philips. (..) Ik mis tevens een canon HST 115, zilver fotocamera. (..)

Aan de hand van de doktersverklaring denk ik dat ze mij met iets geslagen hebben. Er staan diverse voorwerpen op mijn hoofd. Tevens zijn er metalen splintertjes op mijn hoofd gevonden. Door de mishandeling ben ik op drie plekken op mijn hoofd gehecht en heb ik in totaal vijf hechtingen.3

[aangever 2], de vrouw van [aangever 1], werd eveneens bij de politie verhoord. Zij verklaarde onder meer:

Op zaterdagnacht 22 juni 2013 lag ik te slapen samen met mijn man [naam]. Ik hoorde hem schreeuwen iets van ‘ga weg’. Ik zag toen iemand met een capuchon boven [naam] staan. (..) Hij of zij rende snel weg. (..) Volgens mij had de persoon die in onze slaapkamer was, een spijkerbroek aan. (..) Ik heb dus maar één persoon gezien. (..) Er is volgens mij alleen een radio meegenomen. (..) In de woonkamer staat een buffetkast, de lades staan open.4

In aan aanvullende verklaring verklaarde [aangever 2]:

Ik werd wakker van geschreeuw van [naam]. (..) Ik zag iemand met een bivakmuts op, op zijn knieën op bed zitten, dichtbij [naam] in ieder geval. Deze man hield zijn beide handen boven zijn hoofd opgeheven. (..) Ik hoor [naam] schreeuwen en ik voelde hem ook flink bewegen. (..) Het volgende wat ik mij kan herinneren is dat ik 1 man zie weglopen uit onze slaapkamer. (..) Ik zag dat [naam] gewond was en dat ze hem te pakken hadden genomen. (..) De overvaller droeg een bivakmuts, dat staat mij bij, de rest van zijn gezicht was bedekt met een donkere stof. Zijn ogen waren zichtbaar. (..) Ik kan mij nog wel herinneren dat hij zwart was en gemaakt van een soort gebreide kabelvormige stiksel. De overvaller had iets in zijn handen. Dat was iets donkers. Ik heb iets gezien dat een ronde vorm had met daarop uitsteeksels. Ik heb gezien dat hij dat ding in zijn rechterhand hield. Ik heb gezien dat de overvaller donkere kleding droeg. (..) Hij oogde groot. (..)

Ik denk dat ons fototoestel weg is, dat kan ik nergens vinden. (..) Uit de woonkamer is een radio gestolen. Dit is een witte radio.5

[aangever 3], de zoon van [aangever 1] en [aangever 2], was eveneens in de woning aanwezig. Hij verklaarde onder meer het volgende.

Ik lag te slapen toen ik plotseling aan mijn schouders werd wakker geschud. (..) Ik deed mijn ogen open en zag drie personen om mij heen staan. Ik hoorde dat een man tegen mij zei dat ik uit bed moest komen en op de grond moest gaan liggen. Hierop hoorde ik een man vragen: ‘Waar zijn je ouders’. (..) Ik hoorde vervolgens een jonge jongen tegen mij praten. Ik hoorde aan de stem dat deze jongen onder de 18 jaar moest zijn. Ik hoorde dat de jongen tegen mij zei dat ik op de grond moest blijven liggen en of er nog meer mensen in het huis waren. Ik hoorde dat de jongen Nederlands sprak met een accent.. Ik denk dat het een Pools accent was. (..) Ik zag dat de jonge jongen in mijn kamer bleef staan. Ik hoorde dat de andere twee mannen naar de kamer van mijn ouders gingen. (..) Ik hoorde toen ze op de kamer van mijn ouders waren dat ze tegen mijn ouders zeiden dat ze rustig moesten blijven. Ik hoorde mijn vader meerdere malen schreeuwen dat ze van hem af moesten blijven. Ik hoorde dat er geweld was in de kamer van mijn ouders, dit dacht ik omdat mijn vader niet rustig bleef. (..) Toen mijn vader tegenstribbelde door te schreeuwen en de mannen vermoedelijk van zich af duwde hoorde ik dat de twee mannen van de slaapkamer van mijn ouders, maar ook de jongen van mijn slaapkamer, naar beneden renden. (..) Toen zag ik mijn vader staan. Ik zag dat hij een grote wond bij zijn linkeroog had. Ik zag dat zijn gezicht en benen onder het bloed zaten. (..) Ik zag in de woonkamer dat de laden en kastdeuren van een dressoir openstonden. Ik zag uit een hoek van de kamer, bij de televisie, een radio was weggenomen.6

Uit een geneeskundige verklaring d.d. 24 juni 2013 opgemaakt door E.I. Hofstra, arts en forensisch deskundige7, volgt dat [aangever 1] meerdere wonden en bloeduitstortingen op zijn hoofd en in zijn gezicht had die zouden kunnen zijn veroorzaakt door grotendeels stomp inwerkend geweld, zoals een vuist met een stomp voorwerp, eventueel met scherpe randen. Op zijn linkerschouder en rechter bovenarm waren een drietal gebogen rode strepen zichtbaar passend bij grijpletsel van vingers/nagels. Op het rechter scheenbeen, de linker enkel en de linker handrug bevonden zich enkele schaafwondjes.

De rechtbank overweegt dat op grond van voornoemde aangifte en getuigenverklaringen bewezen kan worden dat de overvallers een radio en een fotocamera hebben gestolen en dat deze diefstal is voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3]. De overvallers hebben dusdanig gehandeld dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. De rollen van de overvallers getuigen immers van een feitelijke samenwerking.

De vraag waar de rechtbank zich thans voor gesteld ziet, is of verdachte op 22 juni 2013 betrokken is geweest bij de overval op de woning aan de [adres 1] in [woonplaats].

De rechtbank acht voor de beantwoording van deze vraag van belang dat in de slaapkamer van de familie [aangevers] een slede met het opschrift CZ 75 D COMPACT en een patroonhouder zijn aangetroffen.8 Op de slede zijn bloedsporen veiliggesteld (SIN AADJ16182NL). Door het NFI is aan de buitenzijde van deze slede een DNA profiel met de kenmerken van verdachte aangetroffen. De kans dat dit profiel matcht met dat van een willekeurig gekozen andere persoon dan verdachte, is kleiner dan 1 op 1 miljard.9

Tevens acht de rechtbank het van belang dat er tijdens de doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte. [moeder], aan [adres 2] te [woonplaats] in de slaapkamer die naar eigen zeggen door verdachte wordt gebruikt een handschoen is aangetroffen.10 Deze handschoen is veiliggesteld (SIN AAFW8772NL) en ook door het NFI onderzocht. Op de binnenzijde van de handschoen is bloed gevonden met een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen, waaronder DNA van het slachtoffer [aangever 1] en DNA-nevenkenmerken van verdachte.11 Ook is forensisch onderzoek gedaan op de plaats delict. Op circa 350 meter van de boerderij waren op een pad inkomende schoensporen zichtbaar. Deze zijn gefotografeerd voor eventueel vergelijkend onderzoek.12 Het profiel van één van deze gefotografeerde schoensporen komt overeen met het profiel van schoenen die tijdens de doorzoeking in de woning aan [adres 2] te [woonplaats] (verblijfplaats van verdachte) in een entree/schoenenkast zijn gevonden.13 De schoenen hebben een lengte van 28 centimeter, hetgeen overeenkomt met schoenmaat 43/44.14 Verdachte heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de schoenen - gelet op de schoenmaat - van hem moeten zijn.15

Al het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte één van de personen is geweest die samen met anderen de overval op de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] op 22 juni 2013 heeft gepleegd.

Het bewijsverweer van de raadsman wordt op basis van de gebruikte bewijsmiddelen reeds weersproken. Ten overvloede merkt de rechtbank daaromtrent nog het navolgende op.

De raadsman heeft een aantal mogelijkheden opgesomd met betrekking tot alternatieve wijzen en tijdstippen waarop het DNA van verdachte op de aangetroffen handschoen en de slede van het wapen kan zijn terechtgekomen. Ook heeft de raadsman mogelijkheden aangedragen over de wijze waarop de handschoen in de slaapkamer van verdachte terecht heeft kunnen komen.

De rechtbank merkt hierover op dat meerdere bewijsmiddelen wijzen op betrokkenheid van verdachte bij de woningoverval te [woonplaats] en dat van verdachte gevergd mag worden hierover een uitleg te geven die voldoende concreet en uitgewerkt is, zodat op basis daarvan de waarschijnlijkheid van de alternatieve mogelijkheden kan worden getoetst.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen aannemelijk alternatief scenario heeft gepresenteerd voor de aanwezigheid van een handschoen op zijn slaapkamer. Dat anderen deze handschoen op zijn slaapkamer hebben neergelegd, acht de rechtbank mede gelet ook op de andere bewijsmiddelen niet aannemelijk. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte hierover alleen zijn vermoedens heeft geuit, waarbij hij onvoldoende concreet heeft gemaakt op welke feiten deze vermoedens zijn gebaseerd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van zijn DNA op de slede van het wapen ook onvoldoende concreet om hieraan waarde te hechten als serieus alternatief scenario. Met betrekking tot de schoensporen merkt de rechtbank op dat deze geen bewijsmiddel zijn dat op zich zelf staat, maar dat dient te worden bezien in samenhang met de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

De verklaring van [X], zoals ter terechtzitting van 1 juli 2014 afgelegd, sluit tot slot niet uit dat verdachte op 22 juni 2013 omstreeks 3.30 uur aanwezig is geweest bij de overval.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat tijdens een doorzoeking op 30 oktober 2013 in de woning van de moeder van verdachte aan [adres 2] in [woonplaats], een wapen en munitie werden aangetroffen in de woonkamer.16

Uit onderzoek van de technisch deskundige bleek dat het wapen een pistool betrof van het merk CZ, model 70, kaliber 7,65 mm. Het pistool bleek een voorwerp te zijn dat bestemd was om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van het pistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Het pistool was tevens voorzien van een verwisselbaar patroonmagazijn met 4 scherpe patronen kaliber 7,65 mm, merk Geco, welke konden worden verschoten met het hiervoor genoemde wapen. De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.17

Op het wapen werden sporen veiliggesteld (SINAAFC6075NL) en onderzocht door het NFI. Op de geribbelde delen van het pistool werd een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen gevonden waaronder een afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte, met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.18

De rechtbank acht het voorhanden hebben door verdachte van een wapen en munitie op 30 oktober 2013 wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte de beschikkingsmacht had over het wapen en de munitie en hij zich daar ook bewust van moet zijn geweest. Zij leidt dat af uit het feit dat het wapen en de munitie zijn aangetroffen in de woning waar ook verdachte een kamer in gebruik had, in combinatie met het feit dat het DNA van verdachte op de geribbelde delen van het wapen is aangetroffen. Daarnaast acht de rechtbank voor deze conclusie van belang dat op de slaapkamer die naar eigen zeggen bij verdachte in gebruik is, een patroon is aangetroffen van het kaliber 7.65 mm, zijnde het kaliber behorende bij het in de woonkamer aangetroffen wapen.19

Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de door de verdediging gegeven verklaring dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de woning ongeloofwaardig.

Het onder 2 ten laste gelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 3

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde is overwogen dat in de slaapkamer van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] op 22 juni 2013, een slede en een patroonhouder werden aangetroffen20 met aan de buitenzijde van deze slede onder meer het DNA van verdachte.21

De aangetroffen slede en het patroonmagazijn bleken wezenlijke onderdelen te zijn van een voorwerp dat voor bedreiging of afdreiging geschikt was en dat in complete staat de vorm had van een nabootsing van een pistool, dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met echt bestaande vuurwapens. Het wapen viel volgens de technisch deskundige onder de categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie.22

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (delen van) een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie op 22 juni 2013 in [woonplaats] voorhanden heeft gehad. Ook indien verdachte het wapen alleen maar heeft vastgehouden, zoals de verdediging heeft betoogd, is verdachte zich bewust geweest van de aanwezigheid van het wapen en heeft hij hierover ook gedurende enige tijd de beschikkingsmacht gehad. Tevens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit wapen tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad nu dit wapen is gebruikt bij de overval in de woning, waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Gelet op de hierboven met betrekking tot feit 1 beschreven bewijsmiddelen, is deze overval door in elk geval drie personen gepleegd en is het wapen bij die overval gebruikt. Het voorhanden hebben van (onderdelen van) dit wapen kan dan ook aan alle betrokken daders worden verweten. Nu voornoemde delen wezenlijke onderdelen betreffen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, kunnen deze onderdelen naar het oordeel van de rechtbank ook op zichzelf en in gezamenlijkheid worden beschouwd als een verboden wapen in de zin van een nabootsing van een pistool.

Daarnaast werd op 30 oktober 2013 tijdens een doorzoeking in de woning van de moeder van verdachte aan Het Hoogte 318 in [woonplaats] in de slaapkamer op een kast een wapen aangetroffen.23 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze slaapkamer door hem wordt gebruikt.24

Uit onderzoek van de technisch deskundige bleek dat dit wapen een voorwerp in de vorm van een pistool betrof van een onbekend merk met kaliber 6 mm. Het wapen was gemaakt van kunststof, zwart van kleur en kon kunststof kogeltjes afvuren door middel van een natuurkundig proces, namelijk veerdruk. Het wapen kon qua werking worden omschreven als een veerdrukpistool. Dit veerdrukpistool was een voorwerp dat voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met echt bestaande vuurwapens en was derhalve voor bedreiging of afdreiging geschikt. Het wapen viel onder categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie.25

Nu verdachte ter terechtzitting26 bovendien verklaard heeft dat dit wapen van hem was, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 oktober 2013 in [woonplaats] een wapen van categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Dat verdachte dit wapen tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad, vindt geen steun in de bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte daarvan partieel zal vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 22 juni 2013 te [woonplaats], gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit een woning gelegen aan de [adres 1]) een radio en een fotocamera, toebehorende aan [aangever 1] en [aangever 2], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders

- rond 03:30 uur in de nacht

- terwijl zij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een taser bij zich hadden

- de slaapkamer van die [aangever 3] is/zijn binnengegaan en die [aangever 3] heeft/hebben wakker geschud en tegen die [aangever 3] heeft/hebben gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en

- de slaapkamer van die [aangever 1] en [aangever 2] zijn binnengegaan en die [aangever 1] aan de arm/mouw heeft/hebben getrokken en op het bed is/zijn gesprongen en (meermalen) (dreigend) hebben geroepen 'het is een overval, het is een overval', en

- die [aangever 1] (meermalen) met kracht (met een voorwerp en met de hand) in het gezicht en op het hoofd heeft/hebben gestompt en geslagen;

2.

hij op 30 oktober 2013 te [woonplaats] een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, model 70, kaliber 7,65 mm), en munitie van categorie III, te weten 4 scherpe patronen (merk Geco, kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 22 juni 2013 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad

en

hij op 30 oktober 2013 te [woonplaats], een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring voorkomende taal- en schrijffouten verbeterd en/of aangevuld. Verdachte is daardoor niet in zijn geschaad.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en aan andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Feit 3

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een

gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen gelet op de door hem bepleite integrale vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval tijdens de nachtelijke uren. Zij zijn de slaapkamers van de slachtoffers binnengedrongen, terwijl zij een (achteraf pas gebleken nep)pistool en een taser bij zich hadden, hebben getoond en gebruikt als slagwapen. Een van de slachtoffers was nog minderjarig. Verdachte heeft hierdoor grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers in het bijzonder, maar ook in de maatschappij in het algemeen. Verdachte en zijn mededaders waren hierbij alleen uit op eigen geldelijk gewin en hebben zich op geen enkele wijze bekommerd om de vooral psychische gevolgen van hun daden voor de slachtoffers. Daarnaast is een van de aangevers door het toegepaste geweld behoorlijk gewond geraakt. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Te verwachten valt dat de slachtoffers nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van deze traumatische ervaring. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan.

Tevens heeft verdachte meerdere wapens en munitie voorhanden gehad, zowel nep als echt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie gedateerd 20 mei 2014 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte opgemaakte rapportage d.d. 30 mei 2014, uitgebracht door Reclassering Nederland. Uit dit rapport blijkt dat verdachte van 2010 tot 2012 gedetineerd is geweest vanwege een overval waarvan hij in hoger beroep is vrijgesproken. Deze omstandigheid heeft er toe geleid dat hij geen opleiding kon volgen en geen werk kon vinden. Na zijn detentie heeft verdachte overmatig softdrugs gebruikt om zijn problemen te vergeten. Inmiddels is hij tot inkeer gekomen en is het gebruik van softdrugs beperkt tot tweemaal per week. Verdachte heeft een periode bij zijn oom en tante gewoond en is in september 2013 bij zijn vriendin in Maastricht ingetrokken. De reclassering heeft geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat de ernst van de feiten slechts een langdurige gevangenisstaf rechtvaardigt.

Bij de bepaling van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten, waarbij als uitgangspunt voor een overval in een woning met geweld en bedreiging met geweld een gevangenisstraf van drie jaar geldt. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om een hogere straf op te leggen.

De overval is gepleegd op een gezin met kinderen. Het gezin bestond uit vader, moeder, een jongen van toentertijd zestien jaar oud en een meisje van twaalf jaar oud. De jongen is direct betrokken geraakt bij de overval. Hij is gedwongen op de grond van zijn slaapkamer te gaan liggen en heeft gehoord dat tegen zijn ouders geweld is gebruikt. Hij is daarmee welbewust blootgesteld aan hetgeen in de woning is voorgevallen. Het meisje had met zes vriendinnen een slaapfeestje in de schuur. Uit het dossier blijkt dat deze meisjes na de overval erg van slag waren. Deze omstandigheden worden verdachte zeer zwaar aangerekend.

Als strafverzwarend is voorts aan te merken dat de overval midden in de nacht en samen met anderen is gepleegd. Het slachtoffer [aangever 1] is bovendien ernstig gewond geraakt doordat hij meerdere klappen en trappen heeft moeten incasseren. Er is ook sprake geweest van bedreiging die onder meer heeft bestaan uit het tonen van een taser, terwijl bij de overval bij de daders tevens een (achteraf pas gebleken nep)pistool voorhanden was.

Tevens heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat verdachte meerdere wapens en munitie voorhanden heeft gehad, zowel nep als echt.

Nu verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijke feiten, ziet de rechtbank wel aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar acht de rechtbank in dit geval passend en geboden.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade die zij ten gevolge van een overval op 22 juni 2013 in [woonplaats] hebben geleden. De hoogte van die schade werd door de benadeelde partij [aangever 1] begroot op een bedrag van € 3.742,21 bestaande uit € 60,00 voor kleding, € 612,19 eigen risico ambulancevervoer, € 12,42 voor slaaptabletten, € 57,60 aan reiskosten en € 3.000,00 aan immateriële schade.

De hoogte van de schade werd door de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 3] begroot op elk € 1.250,00. Deze bedragen betreffen een immateriële schadevergoeding.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de genoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te verklaren gelet op de bepleite integrale vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

[aangever 1]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 3.742,21, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het gepleegde feit, namelijk 22 juni 2013, tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

[aangever 2]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het gepleegde feit, namelijk 22 juni 2013, tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

[aangever 3]

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever 3] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het gepleegde feit, namelijk 22 juni 2013, tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partijen zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen, te vermeerderen met de wettelijke rente, ten behoeve van de benadeelde partijen.

10 BESLAG

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd een beslissing te nemen op alle voorwerpen die in het rood staan vermeld op de in fotokopie aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

Alle schoenen op de lijst kunnen worden teruggegeven aan verdachte en de overige goederen, zoals de vuurwapens, de bivakmutsen, de patroonhouders en de handschoen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt ten aanzien van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de in het rood vermelde in beslag genomen voorwerpen, zoals opgenomen op de in fotokopie aan dit vonnis gehechte lijst overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde voorwerpen met de nummers 9, 16, 17, 18, 22, 34, 38 en 39 moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven als de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde misdrijven en deze van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde schoenen met nummers 6, 7, 15, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49 en 50, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 91, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze op de wijze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen met de nummers 9, 16, 17, 18, 22, 34, 38 en 39 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen;

- gelast de teruggave van de nummers 6, 7, 15, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49 en 50 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte;

Benadeelde partij [aangever 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1], van een bedrag van € 3.742,21, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 22 juni 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.742,21, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 22 juni 2013, tot die van de voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2], van een bedrag van € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 22 juni 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 22 juni 2013, tot die van de voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Benadeelde partij [aangever 3]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3], van een bedrag van € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 22 juni 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 22 juni 2013, tot die van de voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. drs. H. Vegter en

mr. B. Fijnheer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2014.

Mr. S.J. de Vries was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer 25DRL13074, doorgenummerd 1 tot en met 1092.

2 Pagina 425 en 426

3 Pagina 430 tot en met 436

4 Pagina 428 en 429

5 Pagina 439 tot en met 443

6 Pagina 44 tot en met 446

7 Pagina 452 en 453

8 Pagina 502 tot en met 508 en 537

9 Pagina 665 tot en met 670

10 Pagina 863 tot en met 865 en verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2014

11 Pagina 701 tot en met 706

12 Pagina 561

13 Pagina 672, 1099 tot en met 1100

14 Pagina 1101

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2014

16 Pagina 820 en 826, in combinatie met pagina 1096.

17 Pagina 794 en 795

18 Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 juni 2014 opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes.

19 Beslaglijst bij PV van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 827, alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2014

20 Zie voetnoot 8

21 Zie voetnoot 9

22 Pagina 723 en 724

23 Pagina 820 en 826, in combinatie met p. 1096

24 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 1 juli 2014

25 Pagina 808

26 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 1 juli 2014