Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2842

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-07-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
16/661920-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een man tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 9 maanden voorwaardelijk voor het medeplegen van poging tot afpersing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661920-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Nieuwegein - Huis van Bewaring locatie Nieuwegein - te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

22 september 2013 in [woonplaats] samen met een ander [slachtoffer] met een mes in zijn hals heeft gestoken.

Dit is ten laste gelegd als poging doodslag dan wel poging zware mishandeling.

Ook is verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging diefstal met geweld en/of een poging afpersing, door samen met die ander naar de woning van die [slachtoffer] te gaan, hem om geld te vragen en hem met het mes te steken.

Primair is ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van deze feiten. Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte hieraan medeplichtig is geweest.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de poging doodslag en poging zware mishandeling omdat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood dan wel op zware mishandeling van [slachtoffer].

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (eveneens primair ten laste gelegde) medeplegen van de poging diefstal met geweld of afpersing.

De officier van justitie baseert dit op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van al het ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Op 22 september 2013 rond 23:30 uur is verdachte aan de deur geweest bij [slachtoffer] in [woonplaats]. Verdachte heeft [slachtoffer] om het geld gevraagd dat [slachtoffer] van hem had geleend. [slachtoffer] geeft het geld niet gegeven.2

[slachtoffer] heeft verdachte vervolgens iets horen zeggen in de trant van ‘kom maar’ en zag hem daarbij naar links kijken. Verdachte heeft daarbij een beweging met zijn hoofd gemaakt.3 Op dat moment is [slachtoffer] aangevlogen door een tweede man met een mesje in zijn hand en is [slachtoffer] in zijn hals gestoken.4

[slachtoffer] had een steekwond in het midden van zijn hals.5

Verbalisanten hebben van de ambulancebroeder gehoord dat als er 2 millimeter verder was gestoken, het slachtoffer er niet meer was geweest.6

[slachtoffer] heeft medeverdachte [medeverdachte] van foto herkend als degene die hem heeft gestoken.7

Verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het incident aan [medeverdachte] heeft verteld dat hij geld bij [slachtoffer] ging halen en dat het [medeverdachte] is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken.8

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood dan wel op zware mishandeling van [slachtoffer]. Verdachte had wel rekening moeten houden met het feit dat medeverdachte [medeverdachte] geweld zou kunnen gebruiken, maar de rechtbank acht niet bewezen dat het voor verdachte voorzienbaar geweest is dat [medeverdachte] [slachtoffer] met een mes zou steken. Aanwijzingen hiervoor ontbreken. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging doodslag en poging zware mishandeling.

De rechtbank acht ook niet bewezen dat verdachte of [medeverdachte] het geld bij [slachtoffer] hebben proberen weg te nemen, door het geld aan de feitelijke heerschappij van [slachtoffer] te onttrekken, zodat vrijspraak zal volgen voor de eveneens primair ten laste gelegde poging diefstal.

Bewezenverklaring

Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de (eveneens primair ten laste gelegde) poging tot afpersing. Verdachte en [medeverdachte] hebben samen geprobeerd [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld door geweld. [medeverdachte] was op de hoogte van het feit dat verdachte geld bij [slachtoffer] ging halen. Zij zijn samen naar [slachtoffer] toe gegaan. Verdachte heeft [slachtoffer] eerst gevraagd om het geld en toen [slachtoffer] het geld niet gaf, heeft verdachte [medeverdachte] erbij geroepen en is er door [medeverdachte] geweld toegepast op [slachtoffer]. Er is dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking in de uitvoering van het delict, waardoor medeplegen bewezen wordt geacht.

De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van aangever. Zij heeft geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dat aangever in zijn latere verklaringen gedetailleerder is gaan verklaren over het roepen van [medeverdachte] door verdachte maakt niet dat zijn verklaring niet betrouwbaar is.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 22 september 2013 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer],

als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en

- om een geldbedrag gevraagd,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- met een mes in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Primair: medeplegen van poging tot afpersing.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 271 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van

2 jaren, met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht conform het reclasseringsadvies d.d. 19 februari 2014.

De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht gevorderd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat volstaan kan worden met het voorarrest als straf.

Indien de rechtbank toch een voorwaardelijke strafdeel wil opleggen, dan stelt de raadsman voor: bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht met de verplichting om mee te werken aan ‘begeleid wonen’ en een ambulante behandelverplichting voor de verslavingsproblematiek van verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging afpersing, waarbij ter afdwinging van geld het slachtoffer met een mes in zijn hals is gestoken. Verdachte heeft daarmee blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van zijn medemens, enkel voor financieel gewin. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 april 2014, waaruit blijkt dat verdachte recent niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een gevangenisstraf voor de duur van

18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Ook zal aan verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd met reclasseringstoezicht conform het reclasseringsadvies d.d. 19 februari 2014.

Nu verdachte het door de rechtbank op te leggen onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

Omdat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam van een of meerdere personen en de rechtbank het van belang acht dat de aan verdachte op te leggen voorwaarden direct van toepassing zijn op het moment dat hij in vrijheid wordt gesteld, zal worden bepaald dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank bekend geworden (door lezing van het proces-verbaal van de raadkamer van deze rechtbank d.d. 30 juni 2014) met het feit dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte per die datum is opgeheven. Verdachte heeft zich niet aan de regels van de Piet Roordakliniek gehouden waardoor verdachte de kliniek heeft moeten verlaten. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Daarbij zij opgemerkt dat de rechtbank uit het voornoemde proces-verbaal is gebleken dat ook de verdediging en de officier van justitie daaraan geen behoefte hebben. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om op basis van de thans voorliggende stukken op de zaak te beslissen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft als benadeelde partij een vordering ingediend ter zake immateriële schade ten bedrage van € 1.000,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[slachtoffer] tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit voor dit deel van de vordering rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering kan dan ook tot het bedrag ad € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 september 2013, worden toegewezen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het toegewezen bedrag aan

[slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en poging tot diefstal.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: medeplegen van poging tot afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 9 (negen) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

Meldplicht

4. zich persoonlijk een dag na het wijzen van het vonnis melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Klinische behandeling

5. wordt verplicht om zich te laten behandelen in de Forensische Verslavingskliniek Piet Roordakliniek Zutphen, Verlengde Ooyerhoekseweg 30, 7207 BJ te Zutphen, voor het geval de kliniek alsnog bereid is om veroordeelde een behandeling aan te bieden, of een soortgelijke intramurale instelling, gedurende een periode van maximaal achttien maanden, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de (geneesheer)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

Beveelt dat de hiervoor gestelde algemene en bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro en nul eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer]
€ 500,00 (zegge: vijfhonderd euro en nul eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft op de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. A.M. Verhoef en

mr. G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2014.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

althans aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

(gezamenlijk)

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en/of

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen 30 euro, althans een

geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 30 euro, althans een

geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

(gezamenlijk)

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en/of

- om 30 euro, althans een geldbedrag gevraagd

en/of welke poging diefstal en/of poging afpersing werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een of meet mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 372 lid 2 ahf sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- naar de woning van die [slachtoffer] is gegaan en/of

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel van die [slachtoffer] heeft

gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats]

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en aldaar

- voornoemde [medeverdachte] of tot op heden onbekend gebleven persoon te vragen mee te

gaan naar de woning van die [slachtoffer] en/of

- nadat die [slachtoffer] de deur had geopend aldaar een gesprek met die [slachtoffer] te voeren en/of

(vervolgens)

- voornoemde [medeverdachte] of tot op heden onbekend gebleven persoon te roepen (te weten

door de woorden: “kom maar” en/of “naar binnen”, althans woorden van gelijke aard of

strekking, te roepen), althans te wenken;

en/of

[medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door die [medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven

persoon voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen 30 euro, althans een geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte]

[medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon,

en/of

met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 30 euro, althans een

geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende die [medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en/of

- om 30 euro, althans een geldbedrag gevraagd

en/of welke poging diefstal en/of poging afpersing werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte]

of een tot op heden onbekend gebleven persoon

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel

van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 september 2013 te [woonplaats] opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en aldaar

- voornoemde [medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon te vragen

mee te gaan naar de woning van die [slachtoffer] en/of

- nadat die [slachtoffer] de deur had geopend aldaar een gesprek met die [slachtoffer] te voeren en/of

(vervolgens)

- voornoemde [medeverdachte] of een tot op heden onbekend gebleven persoon te roepen

(te weten door de woorden: “kom maar” en/of “naar binnen”, althans woorden van gelijke aard

of strekking, te roepen), althans te wenken en/of

art 302 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

en/of

art 312 Wetboek van Strafrecht

art 317 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden van politie Midden Nederland met registratienummer 2013213260MEER, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 279. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] d.d. 22 september 2013, opgenomen op pagina 27 en 28.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 3 januari 2014, opgenomen op pagina 107.

4 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] d.d. 22 september 2013, opgenomen op pagina 27 en 28.

5 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] d.d. 20 januari 2014, los proces-verbaal met registratienummer PL0940-2013213260-1.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2013, opgenomen op pagina 31.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2013, opgenomen op pagina 40 en pagina 104 en proces-verbaal d.d. 1 april 2014, opgenomen op pagina 228.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2014.