Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2840

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_6319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening van eisers studiefianciering. Het besluit tot intrekking van eisers asielvergunning is pas in werking getreden nadat de (toenmalige) rechtbank ‘s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, uitspraak deed. Eiser had tot dat moment rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw. In de zaak van eiser is hoger beroep ingesteld, maar hoger beroep in vreemdelingenzaken brengt geen schorsende werking van de uitspraak mee. De uitkomst van de vreemdelingrechtelijke procedure heeft tot gevolg dat eiser in de hier relevante periode geen rechtmatig verblijf had en daarom geen recht op studiefinanciering had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/6319

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. van Manen),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op studiefinanciering vanaf september 2011 herzien en een bedrag van € 19.164,48 teruggevorderd.

Bij besluit van 1 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het toen geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 24 februari 2010 heeft de Minister van Justitie deze vergunning ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw en bepaald dat hij niet alsnog in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw. Het beroep daartegen is bij uitspraak van 18 januari 2011 (AWB 10/8878) van de toenmalige rechtbank ‘s‑Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft deze uitspraak bij uitspraak van 18 september 2011 (201101974/1/V2) bevestigd.

2.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij met terugwerkende kracht met ingang van 26 maart 2010 niet rechtmatig in Nederland verblijft. De intrekking van de verblijfsvergunning wordt geacht rechtsgevolg te hebben nadat op het beroep is beslist, op grond van de schorsende werking als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Vw. Dit heeft tot gevolg dat eiser niet vanaf 26 maart 2010, maar op zijn vroegst vanaf 21 september 2013 (lees: 2011) onrechtmatig in Nederland verblijft. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de ABRvS van 25 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3981) en de daarbij behorende noot van mr. B.K. Olivier (NAV 2009/3).

3.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf september 2011 geen recht heeft gehad op studiefinanciering, omdat hij op dat moment niet aan de nationaliteitseis voldoet en evenmin met een Nederlander kon worden gelijkgesteld. Volgens verweerder is de werking van het besluit van 24 februari 2010 weliswaar opgeschort door het ingestelde beroep en hoger beroep, maar door de ongegrondverklaring van de ABRvS van 21 september 2011 treedt de beslissing van 24 februari 2010 alsnog in werking met terugwerkende kracht. Hierdoor verblijft eiser vanaf 26 maart 2010 niet rechtmatig in Nederland. Ten tijde van de aanvraag was eiser dus bekend met de gewijzigde status en ten tijde van de eerste maand studiefinanciering was hij bekend met de uitspraak van de ABRvS. Ondanks dat hij hiertoe wettelijk verplicht was, heeft eiser nagelaten deze informatie aan verweerder mee te delen.

4.

Er is in dit geval geen sprake van een ongewenstverklaring in de huidige regelgeving is dat een inreisverbod als bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY0598) waardoor het rechtmatig verblijf direct zou eindigen. Ook is er geen sprake van een intrekking van een asielvergunning met terugwerkende kracht als bedoeld in uitspraak van de ABRvS van 12 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU8616). In dit geval is er verder geen sprake één van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 82, tweede tot en met het vijfde lid, van de Vw zoals dat toentertijd luidde. Het door eiser ingestelde beroep had op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw tot gevolg dat de intrekking van zijn asielvergunning geen onmiddellijk rechtsgevolg had. Dat betekent dat het besluit tot intrekking van eisers asielvergunning pas in werking is getreden nadat de (toenmalige) rechtbank ‘s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, uitspraak deed. Eiser had tot dat moment rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in overwegingen 4.4. en 4.5 van de uitspraak van de CRvB van 11 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM6748). Dat overigens in die uitspraak wordt overwogen dat “onherroepelijk” op het beroep is beslist, is niet van belang voor de zaak van eiser. In die zaak waarover de CRvB had te beslissen is geen hoger beroep ingesteld. In de zaak van eiser is wel hoger beroep ingesteld, maar hoger beroep in vreemdelingenzaken brengt geen schorsing van de werking van de uitspraak van de rechtbank mee en gelet op de duidelijke tekst van artikel 82, eerste lid, van de Vw wordt de werking van een besluit uitgesteld totdat op het beroep (en dus niet het hoger beroep) is beslist. Dat betekent dat eiser vanaf 18 januari 2011 niet langer rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij op grond artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf) in de hier relevante periode, vanaf september 2011, niet voor studiefinanciering in aanmerking kwam. Slotsom over deze beroepsgrond is dat verweerders besluit niet geheel de juiste redenering volgt. Verweerder gaat immers uit van onrechtmatig verblijf vanaf 26 maart 2010 in plaats van 18 januari 2011. Anderzijds trekt verweerder de juiste conclusie, namelijk dat de uitkomst van de vreemdelingrechtelijke procedure tot gevolg heeft dat eiser in de hier relevante periode, vanaf september 2011, geen rechtmatig verblijf had en daarom geen recht op studiefinanciering had. In het geheel ziet de rechtbank geen aanleiding het besluit op dit punt onrechtmatig te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.

5.

Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij vanwege onrechtmatig verblijf geen recht heeft op studiefinanciering, gelet op de in juni 2012 gemaakte afspraak tussen de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G.B.M. Leers (Leers), en de Iraakse minister voor Migratie, D.N. Shafiq Duski. Eiser heeft gewezen op punt 3 in de brief van Leers aan de Tweede Kamer van 2 juli 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 19 637, nr. 1553), waaruit volgt dat Nederland Iraakse migranten uit de oude groep die Nederland moeten verlaten, maar die een opleiding zijn gestart aan een hogere onderwijsinstelling in Nederland, de gelegenheid biedt die opleiding af te maken, indien nodig met verstrekking van een beurs. Eiser behoort volgens hem tot deze groep, nu hij een verblijfsvergunning heeft gekregen op basis van het categoraal beschermingsbeleid.

6.

Eiser verblijft in de hier relevante periode niet rechtmatig in Nederland en komt daarom niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 2.2 van de Wsf gelezen in samenhang met artikel 3 van het Bsf. In wat in de brief van 2 juli 2012 staat ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ruimere uitleg van deze bepalingen dan daaraan door verweerder is gegeven. In die brief staat dat maar 50 studenten, indien nodig, een beurs kunnen ontvangen en ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij in 2012 niet heeft geprobeerd hier aanspraak op te maken. Voor zover eiser een beroep doet op het vertrouwensbeginsel is wat Leers in 2012 heeft gezegd niet gedaan namens verweerder en te algemeen om te concluderen dat eiser daaraan het vertrouwen mocht ontlenen dat hij toch in aanmerking komt voor studiefinanciering. De beroepsgrond slaagt niet.

7.

Eiser heeft aangevoerd dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de brief van 26 februari 2013, die betrekking heeft op de daar lopende zaak van eiser, heeft geconcludeerd dat het, op basis van informatie die het EHRM van Nederland heeft ontvangen, niet mogelijk is asielzoekers van Irakese afkomst als eiser, die niet vrijwillig willen terugkeren naar Irak en niet in het bezit zijn van een geldig reisdocument, uit te zetten vanuit Nederland naar Irak. Daarom is de zaak uit de lijst van de door het EHRM te behandelen zaken gehaald. Eiser heeft telefonisch van een medewerker van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) vernomen dat hij een aanvraag moet indienen om alsnog in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier en dat deze aanvraag hoogstwaarschijnlijk zou worden gehonoreerd, waardoor hij weer rechtmatig in Nederland zou verblijven.

8.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij is vastgelopen in de aanvraagprocedure voor een reguliere verblijfsvergunning, omdat hij bepaalde documenten bij het aanvraagformulier moet voegen waarover hij niet beschikt en dat hij daarom bij de IND een beroep wil doen op bewijsnood. Dit laat onverlet dat eiser geen relevante gevolgen heeft gegeven aan de brief van 26 februari 2013 van het EHRM en de telefonische mededeling van de IND dat hij een reguliere aanvraag kan indienen, althans niet alles op alles heeft gezet om hier werk van te maken. Hij is bijvoorbeeld blijven steken in de wens om een beroep te doen op bewijsnood, maar heeft dat kennelijk nog niet gedaan. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan de door eiser in deze procedure gewenste consequenties te verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.

9.

Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf. Als hij had geweten dat hij al vanaf eind 2011 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning dan had hij zonder twijfel destijds al een aanvraag gedaan die hoogstwaarschijnlijk zou zijn gehonoreerd. In dat geval had hij vanaf eind 2011 rechtsmatig verblijf in Nederland gehad en recht op studiefinanciering gehad.

10.

Het speculatieve betoog van eiser dat als hij eerder had geweten dat hij al vanaf eind 2011 in aanmerking kon komen voor een verblijfsvergunning hij dan eerder een reguliere verblijfsvergunning had aangevraagd, is geen reden om te oordelen dat verweerder gedurende de relevante periode zou moeten uitgaan van rechtmatig verblijf. Dat eiser subjectief niet begreep dat zijn rechtmatig verblijf vanaf 18 januari 2011 is geëindigd en dat hij in die onjuiste veronderstelling studiefinanciering heeft aangevraagd, laat onverlet dat hij wist of had moeten weten dat zijn verblijfsrecht niet bepaald zeker was. Onder die omstandigheden mocht verweerder weigeren eiser op grond van de hardheidsclausule zijn studiefinanciering te laten houden. De beroepsgrond slaagt niet.

11.

Omdat de beroepsgronden al op grond van het voorgaande niet slagen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van verweerders standpunt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het beroep is ongegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Groot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.