Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2762

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
16/661040-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 30-jarige man uit Amersfoort tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De verdachte schopte op 7 januari 2014 in Amersfoort een peuter tegen het hoofd. Het driejarige jongetje liep op de betreffende dag met zijn moeder over straat. De verdachte trapte geheel onverwachtse de peuter met zijn schoen in het gezicht. Het jongetje liep blauwe plekken op. Deskundigen achten de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De man lijdt aan een zeer ernstige stoornis. Naast de deels voorwaardelijke celstraf legt de rechtbank daarom als bijzondere voorwaarde een verplichte opname in een psychiatrische instelling op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661040-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 8 juli 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [1983],

wonende te [woonplaats],

verblijvende te Vught, Penitentiair Psychiatrisch Centrum Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014 en 24 juni 2014.

De verdachte is op beide terechtzittingen in persoon verschenen en heeft zich op 24 juni 2014 ter terechtzitting laten bijstaan door mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen door hem met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen;

Subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, de poging tot zware mishandeling, heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier bevindende bewijsmiddelen en verklaring van verdachte ter zitting van 24 juni 2014.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Nu verdachte ten aanzien van het primaire feit, de poging tot zware mishandeling, een bekennende verklaring heeft afgelegd en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.2

- de aangifte namens [slachtoffer].3

- de geneeskundige verklaring van dr. C.C.M. Rijk, huisarts.4

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 07 januari 2014 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [2010]) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met geschoeide voet) in het gezicht heeft getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

poging tot zware mishandeling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport opgesteld door I.N.K. Aga-Kulijeva, psychiater i.o. onder supervisie van E.A.M. Schouten, psychiater, d.d. 11 mei 2014 en het Pro Justitia rapport opgesteld door R.K.F. Lemmens, klinisch psycholoog, d.d. 21 mei 2014.

In deze rapporten wordt -onder meer- het volgende geconstateerd.

Betrokkene is een man met schizofrenie van het paranoïde type, afhankelijkheid van qat en misbruik van alcohol en cannabis. De stoornissen waren aanwezig en actueel ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn gedrag. Betrokkene had de avond voor het tenlastegelegde middelen gebruikt die de werking van zijn medicatie verminderen en psychotische symptomen kunnen veroorzaken of versterken. De volgende dag raakte hij op straat overprikkeld door zijn omgeving. Dit heeft de psychotische symptomen uitgelokt, in de vorm van een denkstoornis, die leidden tot het tenlastegelegde. Voorts wordt geconcludeerd dat het risico op gewelddadige recidive matig tot hoog wordt geschat. Betrokkene lijdt aan een zeer ernstige stoornis, waarvan de behandeling zeer afhankelijk is van enerzijds medicatie-trouw en anderzijds structuur en toezicht. Onderzoekers adviseren betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De stoornis had sterke invloed op het ten laste gelegde en het agressief karakter van betrokkene kwam grotendeels vanuit zijn psychotische stoornis. Onbehandeld blijven de paranoïde wanen bij de psychotische stoornis voortbestaan.

Betrokkene dient langere tijd klinisch opgenomen te worden om zijn psychiatrische toestand te stabiliseren en hem met name in te stellen op en te motiveren voor antipsychotische medicatie. Dit kan gerealiseerd worden door een verplichte klinische opname als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke detentie.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies, d.d. 18 juni 2014, opgemaakt door mevr. R. Rooijakkers.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het bewezen verklaarde strafbare feit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten tijde van het gepleegde strafbare feit. Overeenkomstig deze conclusie kan echter niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan verdachte een kortere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd, te weten een straf gelijk aan het voorarrest op de dag van de uitspraak. Verdachte is bereid zich dagelijks te melden bij de reclassering, in afwachting van zijn opname in FPA Roosenburg.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op straat, geheel onverwachts, een 3-jarig jongetje met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt. Het slachtoffer heeft daardoor een kneuzing en bloeduitstorting op zijn wang opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst aangejaagd bij hem en zijn moeder. Een schop tegen het hoofd kan ernstig letsel tot gevolg hebben. Dat het fysieke letsel bij het jonge slachtoffer beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 14 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Ter terechtzitting is uitgebreid over de persoon van verdachte gesproken. Hierbij is de inhoud van voornoemde rapporten van de psycholoog, psychiater en reclassering aan de orde geweest. Dit alles heeft ertoe geleid dat rechtbank, zoals reeds weergegeven onder 7, tot het oordeel is gekomen dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het bewezen verklaarde feit dient te worden aangemerkt.

Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betoond. Hij heeft aangegeven dat zich nu bewust is van het feit dat het gebruik van alcohol en/of drugs psychoses in de hand werkt. Bovendien heeft hij zich bereid verklaard mee te werken aan een opname en behandeling in de FPA Roosenburg.

Alles afwegende, acht de rechtbank een straf zoals door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden. Verdachte is, kort nadat hij in detentie is gekomen, overgeplaatst naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught. De rechtbank acht het van groot belang dat de reeds aangevangen behandeling zonder onderbreking kan worden voortgezet in de FPA Roosenburg. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat verdachte, naar inschatting van de opname coördinator van FPA Roosenburg, binnen 2 maanden kan worden opgenomen. Mede gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de raadsman om aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest ten tijde van de uitspraak, dan ook afwijzen.

Gelet op de aard en duur van de problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 3 jaar koppelen.

Omdat - gelet op genoemde rapporten - bij het uitblijven van een behandeling er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, ziet de rechtbank aanleiding om te bevelen dat de hieronder te formuleren voorwaarden en het uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

bijzondere voorwaarden dat (het) de veroordeelde:

  • -

    zich binnen twee dagen na zijn invrijheidstelling, telefonisch meldt bij Reclassering Nederland. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    verplicht is zich, op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, te laten opnemen in FPA Roosenburg (onderdeel van Altrecht) of een soortgelijke intramurale instelling, voor de duur van maximaal één jaar, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven;

  • -

    verplicht is zich na afloop van zijn klinische opname in FPA Roosenburg binnen een beschermde woonvorm of en soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    verboden is om enige vorm van drugs (waaronder begrepen qat en cannabis) en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar.

Bepaalt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter,

mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2014.

Mr. Kleijne is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 07 januari 2014 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (geboren op [2010]) opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met

geschoeide voet) in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft

geschopt/getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 januari 2014 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (geboren op

[2010]), (met geschoeide voet) in het gezicht, althans tegen het

hoofd, heeft geschopt/getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, met registratienummer PL0940-2014005761, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering 1 t/m 70. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van terechtzitting, d.d. 24 juni 2014

3 Proces-verbaal van aangifte door [naam], namens [slachtoffer], met bijlage, pagina 7 tot en met 10

4 Geschrift, pagina 66 en 67