Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2760

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
16.70087-14 + 07.661057-11 (vtvv) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens afpersing en diefstal met geweld tot 4 maanden jeugddetentie. Tevens gelast de rechtbank dat verdachte geplaatst wordt in een jeugdinrichting voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.70087-14 + 07.661057-11 (vtvv) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 mei 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op[1998] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats ], [adres],

thans verblijvende in Forensisch Behandel Centrum Amsterbaken te Amsterdam.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren op 24 april 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Nitrauw en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 december 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 3000 euro, althans een geldbedrag en/of een horloge en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan schoenenwinkel [schoenenwinkel] en/of[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar

die [slachtoffer 2]:

- een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of

- dat vuurwapen tegen de buik, althans het lichaam, heeft/hebben gehouden en/of

- bij de schouder, althans het lichaam heeft vastgepakt en/of

daarbij (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Kassala open” en/of “klepjes open” en/of “naar de kluis” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft/hebben getoond

en/of

die [slachtoffer 1]:

- (van achteren) bij het lichaam heeft/hebben vastgepakt en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben getoond en/of

- een vuurwapen heeft/hebben getoond

en/of

hij op of omstreeks 13 december 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 3000 euro, althans een geldbedrag en/of een horloge en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan schoenenwinkel [schoenenwinkel] en/of[slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar

die [slachtoffer 2]:

- een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of

- dat vuurwapen tegen de buik, althans het lichaam, heeft/hebben gehouden en/of

- bij de schouder, althans het lichaam, heeft vastgepakt en/of

daarbij (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Kassala open” en/of “klepjes open” en/of “naar de kluis” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (vervolgens)

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben getoond

en/of

die [slachtoffer 1]

- (van achteren) bij het lichaam heeft/hebben vastgepakt en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben getoond en/of

- een vuurwapen heeft/hebben getoond en/of

daarbij (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Geef me je horloge”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 13 december 2013 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een bromfiets (Yamaha Aerox) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bromfiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen te verklaren. Daartoe heeft hij voor wat betreft de overval op de schoenenzaak [schoenenwinkel] voor het wettige bewijs verwezen naar de aangiften van [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1], de verklaring van [A], de verklaring van [B] en het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voldoen aan de opgegeven signalementen. Voor de overtuiging van de betrokkenheid van verdachte heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [slachtoffer 2] dat overvaller 2 kleiner was dan overvaller 1 en hij een zwarte stoffen joggingbroek droeg, het tapgesprek waaruit blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] boos is op verdachte, het DNA van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op de bivakmutsen die zijn aangetroffen bij [B] en de aangetroffen kleding bij verdachte.

Met betrekking tot de heling van de scooter heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [aangever], de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen waarin gerelateerd is dat de scooter met daarop DNA van medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van [B] en [A] de auditu verklaringen zijn van ene [bijnaam]. Uit deze verklaringen blijkt niet dat verdachte op enige manier betrokken is geweest bij de overval op de schoenenzaak [schoenenwinkel]. Daarnaast heeft de raadsman ook gewezen op het feit dat er een mengprofiel is aangetroffen op één van de bivakmutsen en dat hier geen bewijswaarde aangekoppeld is.

Het oordeel van de rechtbank1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 13 december 2013 de schoenenzaak [schoenenwinkel] met [medeverdachte] heeft overvallen. Daartoe overweegt zij het navolgende.

Diefstal met geweld

Op 13 december 2013 doet [slachtoffer 2] aangifte van diefstal met geweld en bedreiging. Zij verklaart dat zij op de desbetreffende dag als bedrijfsleidster aan het werk was bij de schoenenzaak [schoenenwinkel] in Almere toen er op het moment dat zij achter het kassablok stond een persoon op haar af kwam lopen. Deze man keek raar (glazig) uit zijn ogen en bleef dichtbij haar staan. Deze man hield daarop een pistool tegen haar buik. Hij legde zijn rechterhand op aangeefsters linkerschouder en hield haar bovenarm vast. Vervolgens zei de man tegen haar: “Kassala open”. Aangeefster opende daarop de lade, maar kon de klepjes niet open krijgen. De man zei daarop: “Klepjes open” en pakte uiteindelijk zelf het geld uit de kassalade.2 Uit de kassa is 500 euro weggenomen.3

[slachtoffer 1] heeft op 13 december 2013 eveneens aangifte gedaan. Hij verklaart dat hij die dag aan het werk was in de schoenenzaak [schoenenwinkel] in Almere toen hij de filiaalmanager [slachtoffer 2] ([slachtoffer 2]) een angstkreet hoorde slaken. Aangever keek op en zag een man met in zijn rechterhand een pistool op [slachtoffer 2] aflopen. Een andere man stond in de deuropening en kwam op aangever aflopen. Deze man hield in zijn rechterhand een mes vast. Deze man pakte aangever van achteren vast en drukte hem tegen de grond. De man pakte het horloge van aangevers linkerpols af en zei daarbij: “Geef mij je horloge”. Vervolgens zei de man tegen aangever dat hij op moest staan en naar achteren moest lopen. Aangever liep achter [slachtoffer 2] en de man met het pistool de kluis in. Aangever moest daar op de grond gaan liggen. Toen [slachtoffer 2] de kluissleutel ophaalde, vroeg de man met het pistool waar de kluis was. [slachtoffer 2] gaf, na het openen van de kluis, een enveloppe met geld.4

De rechtbank overweegt dat op grond van voornoemde aangiften bewezen is dat de overvallers het geld uit de kassalade en het horloge van[slachtoffer 1] hebben gestolen terwijl zij [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1] bedreigd hebben met geweld. Overvaller 1 heeft de filiaalmanager met een pistool bedreigd terwijl overvaller 2 medewerker [slachtoffer 1] naar de grond werkt en zijn horloge afpakte. Tijdens dit handelen van verdachte riepen de overvallers enkele woorden naar elkaar. De twee overvallers hebben dusdanig gehandeld dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. De rollen van overvaller 1 en 2 zijn immers inwisselbaar en getuigen van feitelijke samenwerking.

Afpersing

Nadat de man (overvaller 1) het geld heeft gepakt, richt hij opnieuw het pistool op aangeefster [slachtoffer 2] en vraagt hij wie de filiaalmanager is. Toen aangeefster zei dat zij dat was zei de man: “Naar de kluis” en maakte de man een gebaar dat zij moest gaan lopen. In het magazijn ziet aangeefster de tweede overvaller met een collega van haar. Op een gegeven moment realiseert aangeefster dat zij de sleutel van de kluis niet heeft. Overvaller 2 loopt met een mes met haar mee en duwt hard in haar rug zodat zij doorloopt. Aangeefster is teruggelopen met de sleutel naar het magazijn en heeft de kluis opengemaakt en enveloppes met geld aan overvaller 1 geven.5 Aangeefster verklaart dat uit de kluis een geldbedrag van ongeveer 2500 euro is weggenomen.6

Aangever[slachtoffer 1] verklaart in zijn aangifte dat hij zijn portemonnee heeft afgegeven aan de man met het mes.7

De rechtbank overweegt dat op grond van voornoemde aangifte bewezen is dat de overvallers het geld uit de kluis en de portemonnee van[slachtoffer 1] afgeperst hebben. De twee overvallers hebben dusdanig gehandeld dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Overvaller 1 heeft in het bijzijn van overvaller 2 gezegd dat het geld uit de kluis afgegeven moest worden nadat overvaller 2 met de filiaalmanager mee was gelopen met een mes om de kluissleutel te halen. Overvaller 2 heeft het horloge afgepakt terwijl overvaller 1 de filiaalmanager bedreigde. De rollen van de overvallers zijn inwisselbaar en getuigen van een nauwe en bewuste samenwerking.

Identiteit overvaller 1 en 2

Aangeefster [slachtoffer 2] omschrijft overvaller 1 (de man met het pistool) als een man, begin 20, donkere huidskleur, ongeveer 1.80m a 1.85m, met bloeddoorlopen ogen en glazig kijkend en een muts op die zijn hele gezicht behalve zijn ogen bedekte. Overvaller 2 ( de man met het mes) omschrijft zij als een man, jonger dan overvaller 1, donkere huidskleur, ongeveer 1.60m met een zwarte stoffen joggingbroek aan.8

[slachtoffer 2] omschrijft overvaller 1 (de lange) als de man met het pistool. Hij was 1.90m a 1.95m, had een donkere huidskleur en was in het zwart gekleed met een groene bivakmuts op. Overvaller 2 (de korte) omschreef aangever [slachtoffer 1] als een man van ongeveer 1.80m a 1.85m met een mes, een zwarte bivakmuts op en in het zwart gekleed.

[A] verklaart dat medeverdachte [medeverdachte] op 8 januari 2014 aan hem verteld heeft dat hij de persoon is die samen met ene “[bijnaam]” de overval op de [schoenenwinkel] had gepleegd in december 2013. [medeverdachte] vertelde ook aan [A] dat hij boos was op die vriend omdat hij de kleding die bij de overval gebruikt was bij [B] (de dochter van [A]) had laten verstoppen.9

[B] ([B]) verklaart op 8 januari 2014 met betrekking tot de overval op de schoenenzaak [schoenenwinkel] dat er een zak met daarin een jas, twee bivakmutsen en een broek is aangetroffen onder haar bed. Op 9 januari 2014 verklaart [B] dat de persoon die meegeholpen heeft met de overval op de [schoenenwinkel] haar had gevraagd de tas met de spullen van het dak te halen. [B] verklaart voorts dat zij van medeverdachte [medeverdachte] wist dat de overval op de vrijdag plaats zou vinden. De persoon die meegeholpen heeft, heet “[bijnaam]”. 10

Uit diverse tapgesprekken komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] gebruik maakt van het telefoonnummer [nummer]. In een getapt gesprek op 9 januari 2014 heeft hij contact met een onbekende man die gebruik maakt van het telefoonnummer [nummer]. [medeverdachte] zegt dat een vriend van hem “[bijnaam]” een tas bij zijn vriendin [B] heeft achtergelaten en dat [B] deze tas heeft verstopt in haar slaapkamer. [B] is aangehouden en kan nooit drie dagen haar mond houden en gaat namen noemen.11

De bivakmutsen die onder het bed van [B] zijn aangetroffen, zijn onderzocht op biologische sporen door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Uit dit onderzoek blijkt dat op één van de bivakmutsen aan de binnenzijde ter hoogte van de vermoedelijke plaats van de mond een DNA-mengprofiel is gevonden. Uit dit DNA-mengprofiel is een combinatie van DNA kenmerken afgeleid die eenmalig vergeleken is met de DNA-profielen in de DNA-databank. Hierbij is een match aangetroffen met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat verdachte donor kan zijn van het celmateriaal.12De andere bivakmuts is eveneens bemonsterd aan de binnenzijde rondom het mondgat. Daarbij is een afgeleid DNA-hoofdprofiel aangetroffen dat is opgenomen in de DNA-databank en is er een match gevonden met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte].13

Getuige [getuige 3] verklaart dat zij ziet dat in de schoenenwinkel [schoenenwinkel] een negroïde man gekleed in het zwart een meisje in de winkel vastpakt en door de winkel naar de hoek duwt. Op een gegeven moment rennen er twee mannen de winkel uitrennen naar een scooter. De man die het meisje in de winkel het meisje vastpakte, pakte direct het stuur vast met beide handen en startte de scooter. De scooter was zwart/oranje.14 Getuige [getuige 4] verklaart dat hij op 13 december 2013 naar Almere Haven fietste toen hij een oranje scooter hem tegemoet zag rijden. De scooter was bijna zeker de scooter van [aangever], die een paar dagen daarvoor gestolen was. De getuige herkende de scooter omdat de scooter van [aangever] een zeer opvallend uiterlijk heeft. Op de scooter zat een donker getinte man met een slank postuur.15 Deze scooter wordt op 16 december 2013 aangetroffen op de Oorweg in Almere.16 De rechter remhendel, het rechter handvat en het linker handvat en de linker remhendel van de scooter zijn bemonsterd op mogelijke biologische sporen.17 Het NFI heeft deze bemonsteringen onderzocht en op de linker remhendel en het linker handvat is een onvolledig DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen. De matchkans is berekend op kleiner dan 1 op 1 miljard. Op het rechter handvat is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen, waarvan medeverdachte [medeverdachte] er minimaal één is.18

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de door de aangevers [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1] gegeven signalementen, de verklaringen van [B], [A], de aangetroffen DNA-sporen op de bivakmutsen en het aangetroffen DNA van medeverdachte [medeverdachte] op de scooter die bij de overval is gebruikt wettig en overtuigend bewezen is dat medeverdachte [medeverdachte] overvaller 1 is en verdachte overvaller 2. De rechtbank overweegt dat het niet anders kan zijn dat met de benamingen “[bijnaam]”, “[bijnaam]” en “[bijnaam]” die uit de verklaringen van [B] en [A] en het tapgesprek naar voren komen verdachte [verdachte] bedoeld wordt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] een bromfiets van het merk Yamaha Aerox voorhanden heeft gehad op 13 december terwijl zij wisten dat deze bromfiets van misdrijf afkomstig was.

Op 11 december 2013 doet [aangever] aangifte van diefstal van zijn zwart/oranje scooter van het merk Yamaha Aerox, met kenteken [kenteken]. Hij verklaart dat de scooter tussen 10 december 2013 20:30 uur en 11 december 2013 09:30 uur is weggenomen, terwijl aangever het stuurslot er op had gezet.19

Zoals hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is opgenomen verklaart getuige [getuige 3] dat zij ziet dat in de schoenenwinkel [schoenenwinkel] een negroïde man gekleed in het zwart een meisje in de winkel vastpakt en door de winkel naar de hoek duwt. Op een gegeven moment rennen er twee mannen de winkel uitrennen naar een scooter. De man die het meisje in de winkel het meisje vastpakte, pakte direct het stuur vast met beide handen en startte de scooter. De scooter was zwart/oranje.20 Getuige [getuige 4] verklaart dat hij op 13 december 2013 naar Almere Haven fietste toen hij een oranje scooter hem tegemoet zag rijden. De scooter was bijna zeker de scooter van [aangever], die een paar dagen daarvoor gestolen was. De getuige herkende de scooter omdat de scooter van [aangever] een zeer opvallend uiterlijk heeft. Op de scooter zat een donker getinte man met een slank postuur.21

Op 16 december 2013 wordt de scooter van het merk Yamaha Aerox van aangever aangetroffen op de Oorweg in Almere.22 Deze scooter is geretourneerd aan aangever, zijnde de eigenaar.23

Op 17 december 2013 verklaart aangever dat hij via Facebook meerdere berichten had ontvangen dat er een oranje scooter was gebruikt bij de overval op de schoenenzaak [schoenenwinkel]. Uit de beschrijving leek het te gaan om de scooter van aangever. Dit omdat aangever de enige persoon is met een scooter in die zwart/oranje uitvoering.24

De rechtbank overweegt dat uit voorgaande verklaringen blijkt dat de zwart/oranje scooter van het merk Yamaha Aerox van [aangever] een scooter is die opvallende kenmerken vertoont. Aangever verklaart ook dat hij de enige persoon is die de scooter in die uitvoering heeft. Op grond van de herkenning van de scooter door getuige [getuige 4] en de omschrijving van getuige [getuige 3] van de scooter die gebruikt is bij de overval op de schoenenzaak de [schoenenwinkel] is de rechtbank van oordeel dat de scooter die gebruikt is de scooter is van [aangever]. Zoals ten aanzien van het onder 1 ten laste is vastgesteld, heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] deze overval gepleegd. De rechtbank overweegt dat op het moment dat verdachte en [medeverdachte] wegvluchtten na de overval op de schoenenzaak op de scooter van [aangever] zij, nu de scooter niet van hen was, bewust de kans aanvaard hebben dat deze scooter van enig misdrijf afkomstig was.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 13 december 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een horloge toebehorende aan schoenenwinkel [schoenenwinkel] en/of[slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader toen aldaar

die [slachtoffer 2]:

- een vuurwapen tegen de buik heeft gehouden en

- bij de schouder heeft vastgepakt en

daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: “Kassala open” en “klepjes open”.

en

die [slachtoffer 1]:

- (van achteren) bij het lichaam heeft vastgepakt

en

hij op 13 december 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en een portemonnee, toebehorende aan schoenenwinkel [schoenenwinkel] en/of[slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader toen aldaar

die [slachtoffer 2]:

- een vuurwapen heeft getoond en

daarbij (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: “naar de kluis” en

(vervolgens)

- een mes heeft getoond

en

die [slachtoffer 1]

- (van achteren) bij het lichaam heeft vastgepakt en

- een vuurwapen heeft getoond.

2.

hij op 13 december 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander een bromfiets (Yamaha Aerox) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het het voorhanden krijgen van die bromfiets wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Onder 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd door twee of meer verenigde personen.

en

Afpersing, meermalen gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Onder 2:

Medeplegen van opzetheling.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie met aftrek van het reeds ondergane voorarrest. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel plaatsing in een jeugdinrichting op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf opgemerkt dat een voorwaardelijke plaatsing in een jeugdinrichting ook mogelijk is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Aard en ernst van het bewezen verklaarde

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaderschuldig gemaakt aan een overval op een schoenenzaak. Tijdens winkeluren in een druk centrum hebben verdachte en zijn mededader in de schoenenzaak twee werknemers gedwongen tot afgifte van geld en goederen. Tevens hebben verdachte en zijn mededader met geweld geld en goederen weggenomen. Bij deze overval hebben zowel verdachte als zijn mededader gebruik gemaakt van wapens. Voornoemde omstandigheden rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Justitiële documentatie

In het nadeel van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 11 maart 2014, waaruit volgt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Kennelijk hebben eerder aan hem opgelegde straffen verdachte er niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Jeugddetentie

Gelet op het hiervoor overwogene over de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de justitiële documentatie van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie dient te worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de tijd die door de verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat van de eis van de officier van justitie dient te worden afgeweken nu gelet op de stoornis van verdachte en zijn jeugdige leeftijd, de noodzaak bestaat om ten spoedigste met een behandeling van verdachte, zoals hieronder staat omschreven, aan te vangen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft rekening gehouden met de rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht.

Blijkens een psychologisch rapport d.d. 11 april 2014, uitgebracht door drs. D.W.M. Kragt (psycholoog), functioneert verdachte cognitief op een licht verstandelijk beperkt niveau. Daarnaast heeft verdachte een gedragsstoornis en is er een risico op het ontwikkelen van een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische trekken, waardoor gesproken kan worden van een ziekelijke stoornis met een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte wil zich laten gelden, is gevoelig voor status en geld en is sneller beïnvloedbaar door omgevingsfactoren. Er is sprake van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid. Gelet op de ontkenning van verdachte kan niet worden bepaald in welke mate dat is.

Blijkens een psychiatrisch rapport d.d. 14 april 2014, uitgebracht door kinder- en jeugdpsychiater M.W.H. Ploumen is verdachte lijdend aan een ziekelijke stoornis, te weten een gedragsstoornis beginnend in de kinderleeftijd, die zich kenmerkt door agressief en impulsief gedrag. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Tevens is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis (met antisociale en narcistische kenmerken) in ontwikkeling die zich kenmerkt door gebrek aan inlevingsvermogen en zelfoverschatting. Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. De psychiater adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater over dat er sprake is van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid en maakt die de hare.

Voorts concludeert de psycholoog dat er vanuit de opvoedingssituatie te weinig grenzen worden gesteld, er te weinig toezicht is en dat verdachte overbeschermd wordt. Verdachte is geneigd gedragsproblemen te ontkennen, te minimaliseren of te externaliseren. Daarnaast is er sprake van een onvermogen tot werkelijke voeling en empathie met de ander, is hij zelfbepalend, dominant en is zijn introspectief vermogen beperkt. Op basis van de Wegingslijst adviseert de psycholoog een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Verdachte disfunctioneert door zijn psychopathologie. Hij loopt daardoor op meerdere levensterreinen vast. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Van belang is vooral dat verdachte omgaat met delinquente “peers”. Het sociale netwerk van verdachte is niet ondersteunend en zowel moeder als verdachte zijn onvoldoende bereid en gemotiveerd om zich in te zetten voor behandeling. MST is niet haalbaar gebleken omdat intrinsieke motivatie bij verdachte en zijn moeder ontbreekt. Tevens hebben eerdere ambulante behandelingen onvoldoende effect gehad. Er is noodzaak voor een gedwongen kader nu verdachte begrensd moet worden. Alternatieven ontbreken waardoor een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geïndiceerd is.

De psychiater concludeert dat factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene van belang kunnen zijn voor de kans op recidive. Het gebrek aan empathie en inlevingsvermogen, impulsiviteit, grootheidsideeën en behoefte aan status zijn de factoren die van belang zijn. Verdachte schuwt geen geweld omdat het een gevoel van macht geeft. Het pedagogische klimaat binnen het primaire systeem biedt onvoldoende steun, structuur en begrenzing enerzijds en anderzijds te beschermend en verwennend. Ouders zijn weinig beschikbaar en moeder erkent onvoldoende de beperkingen van verdachte waardoor hij overvraagd wordt. De behandelingen en begeleiding die tot nu toe ingezet zijn, hebben onvoldoende effect gehad of zijn vroegtijdig gestaakt wegens gebrek aan motivatie, betrokkenheid en haalbaarheid. Omdat de ingezette behandelingen allemaal in een (semi)ambulante setting waren, kan geconcludeerd worden dat deze setting ontoereikend is en een gepasseerd station voor verdachte. Het juridische kader dat de psychiater adviseert is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Dit is de enige mogelijkheid om een residentiele behandeling binnen een strafkader op te leggen.

De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) concludeert in haar rapport 2B d.d. 18 april 2014 dat verdachte niet gestuurd kan worden in zijn negatieve gedrag waardoor er zeer moeizaam passend onderwijs gevonden kan worden en zijn cognitieve ontwikkeling alsmede zijn dagbesteding in gevaar komt. De Raad concludeert dat er bij verdachte sprake is van een zorgelijke ontwikkeling op meerdere gebieden. Naast de gedragsstoornis zijn er symptomen van een reactieve hechtingsstoornis en een aandachttekortstoornis met hyperactiviteit van het gecombineerde type. Het recidiverisico is hoog, waardoor er een noodzaak is voor een gedwongen en gesloten residentieel kader. Verdachte heeft weinig behoefte om te veranderen en heeft weinig probleembesef. Eerdere interventies en andere juridische kaders hebben onvoldoende tot geen resultaten geboekt in het verminderen van de gedragsproblematiek en verlagen van de recidivekans. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen omdat er geen alternatieven meer zijn in een vrijer/ambulant kader.

Ter terechtzitting van 24 april 2014 heeft de heer J. Grendel namens Bureau Jeugdzorg en belast met de dubbele maatregel (jeugdreclasseerder en tevens gezinsvoogd) eveneens geadviseerd een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Het Amsterbaken kon verdachte qua begeleiding niet aan en het advies luidt dan ook dat verdachte naar een andere setting dient te gaan. Andere ambulante behandelingen hebben geen resultaat gehad en moeder biedt onvoldoende grenzen om de recidivekans te verminderen.

Maatregel

Uit genoemde rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde sprake was en ook thans nog sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat hij daarvoor behandeling behoeft.

Ook uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering blijkt dat er veel zorgen zijn en dat een intensieve en langdurige behandeling noodzakelijk is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat een behandeling van de verdachte tevens in zijn eigen belang is, dat wil zeggen het belang dat hij zich zo gunstig mogelijk verder kan ontwikkelen.

De rechtbank is van oordeel dat deze behandeling, gelet op de adviezen van de psychiater, psycholoog, de Raad en de Jeugdreclassering, plaats zou moeten vinden in het gedwongen kader van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de maatregel van plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen eist, zodat aldaar de noodzakelijke behandeling van de verdachte in een gesloten setting plaats kan vinden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het hiervoor overwogene en gelet op de inhoud van de rapporten, tevens is voldaan aan de overige wettelijke eisen voor het opleggen van de maatregel.

De rechtbank overweegt dat artikel 77s lid 6 van het Wetboek van Strafrecht thans luidt:

“De maatregel geldt voor de tijd van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t.

De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden …”

De rechtbank overweegt dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten diefstal, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing in vereniging gepleegd. De termijn van de maatregel zou daarom, gelet op het bepaalde in artikel 77t, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden verlengd.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [schoenenwinkel] – daartoe vertegenwoordigd door [C],[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op een bedrag van respectievelijk

€ 4.095,10, € 1.500,87 en € 1.948,38.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen en daaraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd de benadeelde partijen gelet op de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen [schoenenwinkel],[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van respectievelijk € 4.095,10, € 1.500,87 (immateriële schade van €1.250,-) en €1.948,38, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vorderingen van de benadeelde partijen, die in die vordering ontvankelijk zijn, zijn in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Zwolle opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van 28 dagen ten uit voer te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering tenuitvoerlegging afgewezen dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande en het in artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 26 april 2012 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 28 dagen toe te wijzen.

11 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77dd en 77gg van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- legt aan de verdachte op de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen;

Benadeelde partijen

[schoenenwinkel]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [schoenenwinkel], gevestigd te [plaats], van een bedrag van € 4.095,10 (zegge: vierduizend vijfennegentig euro en tien eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 4.095,10 ten behoeve van het slachtoffer [schoenenwinkel] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [schoenenwinkel](in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [schoenenwinkel], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[slachtoffer 1]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 1], wonende te Almere, van een bedrag van € 1.500,87 (immateriële schade van € 1.250,-) (zegge: vijftienhonderd euro en zevenentachtig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 13 december 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.500,87 ten behoeve van het slachtoffer[slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft/voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

[slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats ], van een bedrag van € 1.948,38 (immateriele schade van € 1.250,-) (zegge: negentienhonderdachtendertig euro en achtendertig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 13 december 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.948,38 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededader (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.661057-11 door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 26 april 2012 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten jeugddetentie voor de duur van 28 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. M.A. Pot en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013093737, doorgenummerd 1 tot en met 458.

2 Pagina 25 en 26.

3 Pagina 29

4 Pagina 32.

5 Pagina 26, laatste alinea, pagina 27.

6 Pagina 29.

7 Pagina 32., regel 26.

8 Pagina 28.

9 Pagina 56 en pagina 57, alinea 1.

10 Pagina’s 213 tm 215.

11 Pagina 329.

12 Pagina’s 398 en 399.

13 Pagina’s 398 en 400.

14 Pagina’s 39, alinea 1 en 2, pagina 40, alinea 1, pagina 41.

15 Pagina 53.

16 Pagina 173.

17 Pagina’s 358 en 359.

18 Pagina 368 en 369.

19 Pagina’s 167 en 169.

20 Pagina’s 39, alinea 1 en 2, pagina 40, alinea 1, pagina 41.

21 Pagina 53.

22 Pagina 173.

23 Pagina 175.

24 Pagina 170.