Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2725

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
C-16-327112 - HA ZA 12-939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis (in vervolg op: ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9525). Waardering bewijs in het kader van bewijsopdracht in verband met klachtplicht ex artikel 6:89 BW en met betrekking tot gestelde fout tussenpersoon. Bewijs niet geleverd, volgt afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/327112 / HA ZA 12-939

Vonnis van 4 juni 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. J.E.C. Reuser te Pijnacker,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEALER TOTAAL CONCEPT B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te IJsselstein,

gedaagde,

advocaat: mr. A.S. graaf van Randwijck te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DTC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 april 2013;

  • -

    het proces-verbaal van enquête van 8 oktober 2013;

  • -

    de akte houdende uitlating van de zijde van [eiseres] van 20 november 2013;

  • -

    de akte uitlating van de zijde van DTC van 20 november 2013;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van [eiseres] van 8 januari 2014;

  • -

    de conclusie na enquête van de zijde van DTC van 8 januari 2014;

  • -

    de antwoordakte na enquête van de zijde van [eiseres] van 5 februari 2014;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van de zijde van DTC van 5 februari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 24 april 2013 is [eiseres] ten eerste opgedragen te bewijzen dat DTC en [eiseres] zijn overeengekomen dat een overlijdensrisicoverzekering zou worden afgesloten op het leven van [eiseres] én [A] en dat door een fout van DTC niet de aanbevolen dekking is afgesloten en ten tweede dat na afgifte van de polis door DTC telefonisch is medegedeeld aan [eiseres] dat de polis wel degelijk tot uitkering zou komen indien [A] zou komen te overlijden. Daarmee valt de bewijsopdracht uiteen in twee onderdelen, waarvan het tweede onderdeel met betrekking tot telefonische mededelingen van DTC geen beoordeling behoeft indien [eiseres] niet slaagt in het leveren van bewijs van haar stelling dat DTC en [eiseres] zijn overeengekomen dat een overlijdensrisicoverzekering zou worden afgesloten op het leven van [A]. In het tussenvonnis van 24 april 2013 is onder 4.8 overwogen dat in dit laatste geval de vordering zal worden afgewezen.

2.2.

[eiseres] heeft ter voldoening van de hiervoor bedoelde bewijsopdrachten in enquête doen horen zichzelf, alsmede haar dochter [dochter] (hierna: [dochter]), haar schoonzus[schoonzus] (hierna: [schoonzus]) en medewerkster van DTC [B] (hierna: [B]). In contra-enquête heeft DTC afgezien van het doen horen van getuigen.

2.3.

Vooropgesteld dat de verklaring van [eiseres] op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts aan het door haar te leveren bewijs kan meewerken als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (vgl. Hoge Raad 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

2.4.

[eiseres] heeft – voor zover relevant – verklaard dat zij is gebeld door een mijnheer van DTC met de mededeling dat er “een overlijdensrisicoverzekering bij moest”. [eiseres] heeft hem medegedeeld dat zij daarover overleg met haar man zou voeren. Het ging volgens [eiseres] om een overlijdensrisicoverzekering voor haarzelf en haar man en een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor haarzelf. Nadat [eiseres] met haar man had overlegd, heeft zij DTC teruggebeld en gezegd dat zij en haar man een verzekering wilden afsluiten. Vervolgens kregen [eiseres] en [A] de polis thuisgestuurd die zij daarna hebben ondertekend en teruggestuurd. [eiseres] heeft verder verklaard dat zij en [A], toen zij de polis ontvingen, zagen dat daarop bij [A] was vermeld: “niet van toepassing”. [eiseres] heeft toen gebeld en gevraagd waarom er “niet van toepassing” stond. Dit omdat het advies was dat er voor hen beiden een verzekering afgesloten moest worden. Er is toen volgens [eiseres] gezegd dat dit “niet van toepassing” sloeg op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor haar man. Naar aanleiding van de polis heeft [eiseres] naar eigen zeggen meerdere malen met DTC getelefoneerd. [eiseres] heeft verklaard dat zij kort nadat zij de polis heeft ontvangen met [B] heeft gesproken. Tijdens dit gesprek heeft [B] gezegd dat ze “het zou navragen” en [eiseres] zou terugbellen. [B] heeft vervolgens tegen [eiseres] gezegd dat er een aantekening in de computer was gemaakt dat het in orde was en dat [eiseres] zich geen zorgen hoefde te maken, aldus [eiseres]. Verder heeft [eiseres] verklaard dat zij enige tijd later, in december 2006, naar aanleiding van vragen van haar schoonzus [schoonzus], telefonisch contact heeft opgenomen met DTC. [B] heeft in dat telefoongesprek gezegd dat zij het had nagekeken en dat er een aantekening was gemaakt, zo heeft [eiseres] verder verklaard. Zij en haar man waren verzekerd voor overlijden en [eiseres] hoefde zich geen zorgen te maken.

2.5.

Ten aanzien van de totstandkoming van de overlijdensrisicoverzekering voor zichzelf en [A] heeft [eiseres] niet concreet verklaard. Alleen dat zij na overleg met haar echtgenoot heeft teruggebeld naar DTC en heeft gezegd: “dat wij een verzekering wilden afsluiten”. Zij heeft echter niet verklaard welke verzekering zij wilden afsluiten. Dit klemt omdat [eiseres] in ieder geval voor zichzelf een overlijdensrisicoverzekering heeft afgesloten en zij in dit verband niet spreekt over het afsluiten van meerdere verzekeringen, waaronder een overlijdensrisicoverzekering met [A] als verzekerde.

2.6.

[dochter], de dochter van [eiseres], heeft verklaard dat zij haar moeder telefonisch heeft horen vragen hoe zou worden opgelost dat in het ontvangen formulier bij [A] “n.v.t.” stond terwijl bij de dealer was afgesproken dat voor beiden een overlijdensrisicoverzekering zou worden afgesloten en dat volgens haar moeder degene met wie zij het telefoongesprek voerde zei dat: “het zou worden veranderd in de computer” en dat beiden het stuk konden tekenen en retourneren en dat “het zo in orde was”. Wat precies veranderd zou zijn in de computer en wat in orde zou zijn is door [dochter] niet verklaard. Dit klemt omdat zij enerzijds verklaart dat haar moeder vragen stelde naar aanleiding van de vermelding “n.v.t.” bij verzekerde 2 op de polis van de overlijdensrisicoverzekering en zij anderzijds verklaart dat het antwoord dat hierop zou zijn gegeven betrekking heeft op een arbeidsongeschiktheidsverzekering waarvoor [A] niet in aanmerking kwam. Daarom is de verklaring van [dochter] onvoldoende concreet ten aanzien van de totstandkoming van een overeenkomst voor een overlijdensrisicoverzekering voor [A].

2.7.

Ten aanzien van de totstandkoming van de overlijdensrisicoverzekering of mededelingen namens DTC is door [schoonzus] niets verklaard dat zij uit eigen wetenschap van DTC heeft vernomen. Haar verklaringen omtrent de overlijdensrisicoverzekering hebben alle betrekking op mededelingen die door haar schoonzus [eiseres] en haar broer [A] aan haar zijn gedaan. Dit brengt mee dat aan haar verklaring geen belang kan worden gehecht in verband met het door [eiseres] te leveren bewijs.

2.8.

[B] heeft niets verklaard over de totstandkoming van de door [eiseres] gestelde overeenkomst voor een overlijdensrisicoverzekering op het leven van [eiseres] en [A].

2.9.

Voorgaande leidt reeds, mede gelet op wat onder 2.3. is overwogen, tot de slotsom dat [eiseres] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat zij en DTC zijn overeengekomen dat een overlijdensrisicoverzekering zou worden afgesloten op het leven van [eiseres] én [A]. Zoals in het tussenvonnis van 24 april 2013 onder 4.8 is overwogen leidt dit tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

2.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DTC worden begroot op € 3.526,00, bestaande uit € 1.789,00 aan griffierecht en € 1.737,00 (3,0 punten × tarief € 579,00) aan salaris advocaat.

2.11.

De nakosten, waarvan DTC betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van DTC tot op heden begroot op € 3.526,00,

3.3.

veroordeelt [eiseres], onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door DTC volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 60,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling en de nakosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bouter-Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.1

1 type: CTH/4065 coll: GABR/4312