Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2724

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
C/16/339365 / HA ZA 13-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid vanwege onbetaald laten schulden vennootschap. Geen vorderingsrecht op echtgenote bestuurder. Niet gesteld dat sprake is van zodanig onzorgvuldig handelen dat bestuurder daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Betrokkenheid bestuurder niet onderbouwd. Geen nadere onderbouwing in reactie op onderbouwd beroep op betalingsonmacht. Ook geen sprake van (onrechtmatige) selectieve betaling. Volgt afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/339365 / HA ZA 13-156

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G&G BEHEER BV,

gevestigd te Purmerend,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. H.J. Hulsbergen te Hoofddorp,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in voorwaardelijke reconventie

advocaat: mr. G.B. de Jong te Hoogezand.

Eiseres zal hierna G&G genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden]genoemd worden en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 mei 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2013;

  • -

    de akte van de zijde van G&G;

  • -

    de akte van de zijde van [gedaagde 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] is enig bestuurder van KP IT-Medical.

2.2.

Tussen G&G en KP IT-Medical is een procedure aanhangig geweest bij deze rechtbank. Bij vonnis van 28 november 2012 is KP IT-Medical in conventie veroordeeld om aan G&G een bedrag te betalen van € 36.858,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over € 35.700,00 vanaf 16 maart 2012 tot de dag van volledige betaling. Verder is KP IT-Medical veroordeeld tot betaling van beslagkosten (€ 738,64), proceskosten (€ 3.023,17) en de nakosten. In reconventie zijn de vorderingen van KP IT-Medical afgewezen en is zij veroordeeld tot betaling van € 1.158,00 aan proceskosten.

2.3.

Tussen G&G als verkoper enerzijds en [naam] Business Solutions B.V. (hierna: NBS) als koper anderzijds, is op 5 mei 2011 een intentieovereenkomst tot stand gekomen. In deze overeenkomst is de intentie van NBS vastgelegd om 90% van de aandelen in K&P IT Medical B.V. (hiermee is bedoeld KP IT-Medical) te verwerven van G&G voor een bedrag van € 100.000,00.

2.4.

Bij notariële akte van 17 mei 2011 zijn door G&G 2 prioriteitsaandelen en 162 gewone aandelen KP IT-Medical aan NBS geleverd. In de notariële akte is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

“(…)

KOOPSOM

(…)

c. Met betrekking tot de voldoening van gemelde resterende koopsom zijn verkoper [G&G; rechtbank] en koper [NBS; rechtbank] een overeenkomst van afstand om baat aangegaan, ter uitvoering waarvan verkoper afstand doet van het hem toekomende vorderingsrecht tot betaling van gemelde koopsom, waartegenover koper bij deze jegens verkoper schuldig erkent een bedrag groot tweeënnegentigduizend vijfhonderd euro (€ 92.500,00).

Verkoper neemt bij deze gemelde schuldigerkenning aan.

De bepalingen en bedingen waaronder gemelde schuldigerkenning is geschied, zijn door verkoper en koper worden neergelegd in voormelde aangehechte overeenkomst.

d. Verkoper verleent koper hierbij kwijting voor de betaling van de koopsom op de hiervoor vermelde wijze.

(…)”

2.5.

NBS houdt sinds de overdracht van de aandelen negentig procent van de aandelen in KP IT-Medical, G&G de overige tien procent. Enig aandeelhouder en bestuurder van NBS is de stichting [naam] Vastgoed. [gedaagde 1] is bestuurder van de stichting [naam] Vastgoed.

2.6.

G&G heeft een grosse van de notariële akte bij deurwaardersexploit laten betekenen aan NBS op 6 maart 2012. In het exploit is bevel gedaan binnen twee dagen tot betaling over te gaan.

2.7.

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2013 is KP IT-Medical B.V. in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

G&G vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagden]tot betaling van € 113.573,97, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, althans een in goede justitie vast te stellen rente, vanaf 15 januari 2013. Voorts vordert zij veroordeling van [gedaagden]vergoeding van buitengerechtelijke kosten, proceskosten, waaronder de kosten voor de door G&G gelegde conservatoire beslagen, en nakosten.

3.2.

[gedaagden]voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van G&G in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden]vordert in reconventie, onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden afgewezen, dat het door G&G gelegde conservatoire beslag op het woonhuis van [gedaagden]aan de[adres] te [woonplaats], zal worden opgeheven.

3.5.

G&G heeft in reconventie geen verweer gevoerd.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

G&G legt aan haar vorderingen jegens [gedaagde 1] – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Dit volgens G&G onrechtmatige handelen valt uiteen in twee onderdelen. Ten eerste heeft [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld door als enig bestuurder van KP IT-Medical betaling van vorderingen die G&G had op KP IT-Medical opzettelijk tegen te houden. Deze vorderingen baseert G&G op het vonnis van deze rechtbank van 28 november 2012. Ten tweede heeft [gedaagde 1] volgens G&G onrechtmatig gehandeld doordat hij door zijn handelen en/of nalaten als (indirect en tot 1 juni 2012 enig) bestuurder en feitelijk beleidmaker, feitelijk verhinderde en verhindert dat aan G&G wordt betaald.

4.2.

Aan haar vorderingen jegens [gedaagde 2] legt G&G ten grondslag dat [gedaagde 2] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [gedaagde 1], zodat zij hebben in te staan voor elkaars schulden. Dit is volgens G&G de reden dat zij ook [gedaagde 2] in rechte betrekt.

Vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2]

4.3.

De vorderingen van G&G jegens [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. De gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde 2] jegens G&G is door laatstgenoemde gebaseerd op de tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als echtelieden bestaande algehele gemeenschap van goederen. [gedaagde 2] is echter als echtgenote van [gedaagde 1] niet persoonlijk aansprakelijk jegens G&G. De gestelde vordering vloeit voort uit volgens G&G onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] als bestuurder van KP IT-Medical, waarvoor [gedaagde 1] volgens G&G persoonlijk aansprakelijk is. Een door [gedaagde 1] als bestuurder van een rechtspersoon begane onrechtmatige daad betekent echter niet dat ook [gedaagde 2] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is jegens G&G. Een en ander laat onverlet dat G&G zich op de tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestaande gemeenschap van goederen kan verhalen indien aansprakelijkheid van [gedaagde 1] komt vast te staan. Of hiervan sprake is, zal in het navolgende worden beoordeeld.

Vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1]

4.4.

Vast staat dat de vorderingen van G&G op KP IT-Medical die voortvloeien uit het vonnis van 28 november 2012 ten dele zijn voldaan. G&G heeft omstreeks 30 november 2012 een bedrag van € 25.440,87 verkregen door betaling door het Academisch Ziekenhuis Maastricht, onder wie G&G conservatoir, later executoriaal, derdenbeslag had gelegd. Het restant van de verplichtingen die uit het vonnis van 28 november 2011 voortvloeien bedroeg volgens G&G op 15 januari 2013 € 18.899,48. Dit bedrag is, ondanks herhaalde sommatie,

door KP IT-Medical niet aan haar voldaan, aldus G&G.

4.5.

Het door NBS aan G&G op grond van de notariële akte van 17 mei 2011 verschuldigde bedrag van € 92.500,00 is, ondanks de op dit punt eveneens herhaaldelijk verrichte sommaties, niet door NBS betaald. De vordering van G&G op NBS en de hoogte daarvan worden door [gedaagde 1] niet betwist.

4.6.

Anders dan G&G lijkt te betogen, is [gedaagde 1] niet reeds uit onrechtmatige daad aansprakelijk enkel vanwege het feit dat hij er als (indirect) bestuurder niet op toe zou hebben gezien dat zowel KP IT-Medical als NBS tijdig haar (financiële) verplichtingen jegens G&G zou nakomen (vgl. Hoge Raad 13 juni 1986, NJ 1986, 825; De Leeuw/Wijnen en Hoge Raad 8 januari 1999, NJ 1999, 318; Pelco/Sturkenboom). Voor de door G&G bepleite aansprakelijkheid is immers vereist dat het handelen of nalaten van [gedaagde 1] als (indirect) bestuurder van KP IT-Medical en NBS jegens hun schuldeiser G&G in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat [gedaagde 1] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. de door G&G aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 31 januari 1958, NJ 1958, 251; Van Dulleman/Sala, Hoge Raad 3 april 1992, NJ 1992, 411; Waning/Van der Vliet, maar ook Hoge Raad 8 december 2006, NJ 2006, 659; Ontvanger/Roelofsen).

4.7.

Dat het handelen of nalaten van [gedaagde 1] onzorgvuldig was is niet door G&G gesteld. Voor zover de vereiste onzorgvuldigheid besloten zou kunnen liggen in haar stellingen, kan dit evenmin leiden tot toewijzing van de vorderingen, omdat bovendien niet gesteld is dat het handelen of nalaten van [gedaagde 1] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit ernstige verwijt is een vereiste voor de door G&G voorgestane doorbraak van aansprakelijkheid. G&G laat bovendien na feiten te stellen waaruit kan volgen dat [gedaagde 1] bij de gang van zaken in zodanige mate was betrokken dat daarin een grondslag voor een persoonlijk ernstig verwijt als hiervoor bedoeld kan worden gevonden.

4.8.

G&G onderbouwt haar betoog met de stelling dat KP IT-Medical en NBS nalaten te betalen en deze vennootschappen taal noch teken geven naar aanleiding van de door G&G gezonden aanmaningen. Dit is onvoldoende voor de door G&G gestelde persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1].

4.9.

Weliswaar stelt G&G ook dat [gedaagde 1] (opzettelijk) heeft voorkomen dat G&G werd betaald door KP IT-Medical en NBS, maar zij onderbouwt deze door [gedaagden]weersproken stelling op geen enkele wijze. De conclusie kan niet, zoals G&G kennelijk doet, getrokken worden uit het enkele feit dat G&G niet werd betaald. Op welke wijze [gedaagde 1] – al dan niet opzettelijk – zou hebben voorkomen dat G&G zou worden betaald blijkt niet uit de stellingen van G&G, iedere onderbouwing van dit standpunt ontbreekt. Door G&G zijn geen (bijkomende) omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden.

4.10.

[gedaagde 1] heeft in deze procedure bovendien betwist dat sprake is van betalingsonwil en heeft ter onderbouwing van die stelling aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht van zowel (het inmiddels in staat van faillissement verkerende) KP IT-Medical als van NBS waar het – onder meer – de vorderingen van G&G betreft. Omdat niet uit het oog verloren mag worden dat betalingsonmacht zeer wel gepaard kan gaan met en zelfs haar oorzaak kan vinden in betalingsonwil van [gedaagde 1] (vgl. Hoge Raad 3 april 1992, NJ 1992,411; Waning/Van der Vliet) wordt het volgende overwogen.

4.11.

[gedaagde 1] heeft onweersproken en met stukken onderbouwd gesteld dat KP IT-Medical tot aan haar faillietverklaring niet in staat was de vorderingen van G&G te voldoen. De omzet die KP IT-Medical genereerde (bijna € 350.000,00) bleef achter bij de geprognosticeerde (€ 600.000,00), waardoor zij mede als gevolg van hoge kosten steeds verliesgevend is geweest. Dat KP IT-Medical verliesgevend was, was ook bij G&G als verkoper van negentig procent van de aandelen in KP IT-Medical bekend. Ter comparitie heeft G&G immers verklaard dat zij ermee bekend was dat KP IT-Medical verlies draaide, maar dat dit als compensabel aangeduide verlies aantrekkelijk werd bevonden. Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken aangevoerd dat KP IT-Medical financieel niet in staat was de door haar met [gedaagde 1] overeengekomen managementvergoeding geheel te betalen. Dit heeft ertoe geleid dat ook [gedaagde 1] vooralsnog achter het net vist doordat KP IT-Medical in staat van faillissement is verklaard. [gedaagde 1] heeft zijn vordering met betrekking tot onbetaald gelaten managementvergoeding ter verificatie ingediend bij de curator in het faillissement van KP IT-Medical, maar verwacht naar eigen zeggen geen betaling meer.

4.12.

Waar het NBS betreft, heeft [gedaagde 1] eveneens onweersproken aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht. NBS ontbrak het volgens [gedaagde 1] aan financiële middelen omdat KP IT-Medical geen dividend kon uitkeren aan haar aandeelhouder NBS vanwege de aanhoudende verliezen van KP IT-Medical. Dit heeft er volgens [gedaagde 1] toe geleid dat NBS niet in staat was enig bedrag te voldoen aan G&G. In reactie op dit door [gedaagde 1] bij conclusie van antwoord gevoerde verweer is geen nadere onderbouwing van de zijde van G&G gevolgd. Vanwege het ontbreken van een concrete nadere onderbouwing kunnen de stellingen van G&G op dit punt geen stand houden.

4.13.

Hoewel G&G het tegendeel lijkt te veronderstellen, behoeft [gedaagde 1] niet aannemelijk te maken dat sprake is van betalingsonmacht van KP IT-Medical en NBS. Aan het leveren van (tegen)bewijs wordt immers eerst toegekomen als hetgeen G&G heeft gesteld en onderbouwd voldoende is om voorshands bewezen te kunnen achten dat KP IT-Medical en NBS in staat zijn of waren de vorderingen van G&G te voldoen én dat, hiervan uitgaande, G&G niet betaald is omdat sprake is van betalingsonwil van de zijde van [gedaagde 1]. Dit is niet het geval. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen G&G heeft gesteld en onderbouwd onvoldoende (concreet) is om voorshands bewezen te verklaren dat KP IT-Medical en NBS in staat waren G&G te voldoen en dat sprake is van betalingsonwil van [gedaagde 1]. Aan het leveren van tegenbewijs door [gedaagden]wordt daarom niet toegekomen.

4.14.

Omdat gesteld noch gebleken is dat KP IT-Medical beschikte over een bestaande kredietfaciliteit, althans dat zij deze kon verkrijgen, G&G heeft hierover niets aangevoerd, behoeft de vraag of [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld door na te laten van een dergelijke kredietfaciliteit gebruik te maken, geen beantwoording. Het is niet aan [gedaagde 1] om aannemelijk te maken dat de vennootschap geen gebruik kon maken van een dergelijke kredietfaciliteit, maar aan G&G die zich op de rechtsgevolgen van het gestelde (volgens haar onrechtmatige) nalaten op dit punt beroept.

Selectieve betaling

4.15.

Met haar ter comparitie aangevoerde stelling dat iedereen behalve G&G door KP IT-Medical werd betaald en daarom sprake is van selectieve betaling, heeft G&G kennelijk bedoeld de grondslag voor het door haar gestelde onrechtmatige handelen van [gedaagde 1] uit te breiden. Deze gestelde selectieve betaling is ter comparitie door [gedaagde 1] betwist door erop te wijzen dat personeel en leveranciers zijn betaald. Verder zijn volgens [gedaagde 1] kosten betaald die verband hielden met het pand van KP IT-Medical en met licenties. Dit was nodig om omzet te kunnen genereren.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. Van deze afweging door [gedaagde 1] blijkt uit de door hem gegeven toelichting dat kosten die verband hielden met personeel, leveranciers, het pand van KP IT-Medical en licenties nodig waren om omzet te kunnen genereren. Omdat G&G nalaat te vermelden welke betalingen zodanig selectief zijn geweest dat ze als onrechtmatig moeten worden gekwalificeerd en haar stellingen voor het overige dermate onvoldoende concreet zijn, leidt hetgeen G&G op dit punt heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatig handelen. Ook het feit dat mogelijkerwijs een bedrag dat het Academisch Ziekenhuis Maastricht – al dan niet in weerwil van het door G&G gelegde beslag – aan KP IT-Medical heeft betaald niet door KP IT-Medical is gereserveerd ten behoeve van G&G leidt niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1]. De hiervoor tot uitgangspunt genomen vrijheid van [gedaagde 1] als bestuurder om een eigen afweging te maken bij de bepaling welke schuldeisers zullen worden voldaan, maakt dat er geen verplichting rustte op [gedaagde 1] om het bedrag te reserveren ten behoeve van G&G. Dit temeer niet omdat [gedaagde 1] er naar eigen – onweersproken – zeggen vanuit mocht gaan dat G&G geheel was voldaan uit de beslagen vordering van KP IT-Medical op het Academisch Ziekenhuis Maastricht. Voor een andersluidend oordeel is hetgeen G&G heeft aangevoerd, onvoldoende concreet en onderbouwd.

4.17.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens G&G. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de nevenvorderingen ten aanzien van wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten.

Overige

4.18.

G&G zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden]worden begroot op € 4.316,00, bestaande uit € 1.474,00 aan griffierecht en € 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00) aan salaris advocaat.

in reconventie

4.19.

Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen brengt mee dat de voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingesteld, is ingetreden.

4.20.

Omdat de vorderingen van G&G in conventie zullen worden afgewezen en daarmee van de ondeugdelijkheid van de door haar ingeroepen rechten is gebleken, dient het door haar op grond van het verlof van 5 februari 2013 ten laste van [gedaagde 1] gelegde beslag te worden opgeheven. Nu artikel 705 lid 1 Rv de rechtbank daartoe bevoegd verklaart, zal zij het beslag bij dit vonnis opheffen. Voor veroordeling van G&G tot vergoeding van de kosten van de deurwaarder en het kadaster die opheffing meebrengt is geen plaats omdat deze kosten eerst na deze procedure zullen ontstaan en de hoogte ervan niet vaststaat.

4.21.

G&G zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden]worden begroot op € 1.421,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt G&G in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden]tot op heden begroot op € 4.316,00,

in reconventie

5.3.

heft op het door G&G ten laste van [gedaagden]gelegde beslag op het woonhuis van [gedaagden]aan de[adres] te [woonplaats],

5.4.

veroordeelt G&G in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden]tot op heden begroot op € 1.421,00,

5.5.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.V.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.1

1 type: CTH/1033 coll: NG/999