Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:270

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
05/700583-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Verweren met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie verworpen. Aanmerkelijk onoplettend rijgedrag. Verdachte is vanuit een parkeerplaats achteruit de weg op gereden en heeft daarbij een overstekende voetganger overreden. Werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2014/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 05/700583-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 januari 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

Geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats],

Wonende te [adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: zich als bestuurder van een auto zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam te handelen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

subsidiair: als bestuurder van een auto zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd.

3 Voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de dagvaarding. De verdachte is namelijk opgeroepen te verschijnen voor de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank in het arrondissement Gelderland, zitting houdende te Utrecht. De rechtbank Gelderland heeft de behandeling van de zaak op 29 augustus 2013 echter verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op de dagvaarding foutief is opgenomen dat verdachte is opgeroepen voor de rechtbank Gelderland zitting houdende te Utrecht. Dit heeft echter geen consequenties voor de behandeling van de zaak door de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank Gelderland heeft de zaak namelijk op 29 augustus 2013 verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland. Gelet op deze verwijzing is de rechtbank Midden-Nederland thans bevoegd om kennis te nemen van de dagvaarding.

De rechtbank constateert dat de raadsvouw gelijk heeft waar zij stelt dat verdachte is opgeroepen te verschijnen voor de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank in het arrondissement Gelderland, zitting houdende te Utrecht. Dit is echter kennelijk ten onrechte gebeurd en heeft geen gevolgen voor de bevoegdheid van de rechtbank, aangezien de zaak op 29 augustus 2013 door de rechtbank Gelderland is verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank spreekt thans recht als rechtbank Midden-Nederland, waardoor deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het tenlastegelegde.
Nu voorts gesteld noch gebleken is dat verdachte in zijn belang is geschaad door genoemde onjuiste vermelding op de dagvaarding zal de rechtbank daar ook overigens geen consequenties aan verbinden.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

3.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit een ter zitting afgespeeld radiofragment van omroep Gelderland, inhoudende een interview met een politiewoordvoerster een dag na het ongeval, is bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de officier van justitie de zaak zou seponeren, behoudens het geval dat er nieuw bewijsmateriaal boven tafel zou komen. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad bestaat er ruimte om van de algemene regel, die stelt dat het Openbaar Ministerie bepaalt of een verdachte al dan niet wordt vervolgd, af te wijken in bijzondere gevallen. In het onderhavige geval is door de politiewoordvoerster niet slechts in algemene termen informatie prijsgegeven, maar zijn er mededelingen gedaan over een afweging omtrent de verdere vervolging van de verdachte, welke afweging is voorbehouden aan de officier van justitie. Voorts is de politiewoordvoerster een zeer ervaren en goed getrainde woordvoerster, heeft zij de mededeling in het openbaar gedaan en week het bijkomende bewijsmateriaal van na de datum van de sepotmelding niet wezenlijk af van het materiaal dat voor die datum al was vergaard. Na deze sepotmelding heeft verdachte gedurende negen maanden niets vernomen van de officier van justitie, totdat hij de dagvaarding ontving. Er is derhalve sprake van een zodanige schending van het vertrouwensbeginsel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer betreffende de niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat slechts in uitzonderlijke gevallen een schending van het vertrouwensbeginsel kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het moet gaan om een ondubbelzinnige toezegging door een voor vervolging verantwoordelijk orgaan, waaraan verdachte redelijkerwijs het vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet verder vervolgd zou worden. Daar is in dit geval geen sprake van. De mededeling is gedaan door een politiewoordvoerster en in de regel geldt dat aan een door een opsporingsambtenaar gedane sepotmededeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen mag worden ontleend dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging over zal gaan. Daarnaast is er geen sprake van een ondubbelzinnige opmerking, nu de politieambtenaar een slag om de arm houdt door te zeggen “zoals het er nu naar uitziet”. Ook de omstandigheden van het geval en de ernst van het feit spelen daarbij een rol. Het betreft een zeer ernstig verkeersongeval, waarbij het niet in de rede ligt een sepotmelding door middel van een radio interview aan de verdachte kenbaar te maken. In het onderhavige geval is er geen sprake van een uitzonderingssituatie en moet de officier van justitie ontvankelijk worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een

niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op grond van het feit dat het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld in strijd met een bij de verdachte gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Er moet in dat geval sprake zijn van een ondubbelzinnige toezegging, in beginsel van een voor de vervolging verantwoordelijk overheidsorgaan, dat een verdachte niet zal worden vervolgd of van een gedraging waarin een toezegging in redelijkheid geacht kan worden besloten te liggen. Als regel geldt dat aan een door een opsporingsambtenaar gedane mededeling omtrent de vervolging niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat de officier van justitie niet tot vervolging zal overgaan. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan van deze regel worden afgeweken. Daarbij spelen de omstandigheden van het geval en de aard van het desbetreffende feit een belangrijke rol.

Uit het radiofragment blijkt dat de politiewoordvoerster een dag na de aanrijding heeft gezegd dat “zoals het er nu naar uitziet hij verder niet vervolgd zal worden”. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verdachte aan deze opmerking het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet vervolgd zou worden. Hoewel de uitlatingen van de politiewoordvoerster ongelukkig zijn, is de rechtbank van oordeel dat verdachte hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat de officier van justitie hem niet meer zou vervolgen. De rechtbank overweegt daartoe dat een politiewoordvoerster niet met de vervolging van strafbare feiten is belast. De mededeling is bovendien slechts een dag na het ongeval gedaan, terwijl het onderzoek nog niet was afgerond. Voorts houdt de politiewoordvoerster met haar opmerking een slag om de arm doordat zij zegt “zoals het er nu naar uitziet”. In de onderhavige zaak is sprake van een aanrijding met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Indien een verdachte hiervoor niet wordt vervolgd, ligt het niet in de rede dat dit aan hem wordt medegedeeld door een politiewoordvoerster in een radioprogramma. Van een gerechtvaardigd vertrouwen ontleend aan een ondubbelzinnige toezegging gedaan door een voor de vervolging verantwoordelijke autoriteit is daarom in deze zaak geen sprake. De door de raadsvrouw genoemde omstandigheden acht de rechtbank ook niet dusdanig bijzonder dat gezegd kan worden dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat tot een ander oordeel dient te leiden.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de officier van justitie in zijn vordering kan worden ontvangen en verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 27 maart 2011 reed verdachte in zijn personenauto naar de voorzijde van zalencentrum De Linde. Verdachte parkeerde zijn voertuig met de voorzijde in de richting van De Linde en met de achterzijde in de richting van de doorgaande weg die voor De Linde ligt.2 Aan de overzijde van de doorgaande weg zag verdachte een groep mensen staan. Verdachte zag vanuit zijn auto dat een aantal personen met elkaar begonnen te vechten voor zijn auto. Verdachte startte zijn motor en reed achteruit de Cranenburgsestraat op.3 Verdachte heeft daarbij een bocht links naar achteren gemaakt.4

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) en hij de Cranenburgsestraat op liepen.5 [getuige 1] hoorde twee keer een bonk geluid en zag vervolgens een auto op zich afkomen en sprong omhoog om de auto te ontwijken. Hij voelde dat de auto tegen hem aanreed. Toen hij daarna richting de auto keek, zag hij [slachtoffer] twee à drie meter voor de auto op de grond liggen.6 Tussen het horen bonken en het moment dat de auto tegen hem aanreed, heeft de auto volgens [getuige 1] niet geremd.7

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de auto met de rechterachterzijde tegen [slachtoffer] aanreed. Hij zag dat [slachtoffer] met haar voet onder het rechterachterwiel terecht kwam en zij ten val kwam. Hij zag dat dat de auto met het rechterachterwiel over het been, het lichaam en het hoofd van [slachtoffer] heen reed en dat ook het voorwiel van de auto over haar lichaam heen reed. [getuige 2] zag dat de auto nog een paar meter verder reed en toen stopte.8

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij bij verdachte in de auto zat.9 Hij heeft verklaard dat verdachte achteruit reed, de Cranenburgsestraat op. Op een bepaald moment keek hij naar achteren en zag een meisje tegen de achterruit van de auto staan. Hij riep op dat moment gelijk tegen verdachte dat hij moest stoppen omdat er een meisje achter de auto was.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens het achteruit rijden steeds dan wel in de spiegels, dan wel over zijn schouder naar achteren heeft gekeken.11

Bij de verkeersongevallenanalyse is een persoon gepositioneerd op de plaats waar op de achterzijde van de auto veegsporen zijn aangetroffen. Deze persoon was voor de bestuurder zichtbaar in de binnenspiegel en door de achterruit. Ten tijde van het ongeval was het nacht, waardoor het zich minder zal zijn geweest.12

[slachtoffer] heeft als gevolg van deze aanrijding ernstig traumatisch schedel-hersenletsel, een hersenkneuzing van de voorkwab, een bloeding en een schedelbreuk opgelopen. Zij is tweemaal geopereerd door een neurochirurg.13 Haar schedel is gelicht en het duurt ongeveer twee jaar voordat deze geheel hersteld is. Haar hersenen zijn op drie plaatsen beschadigd en sommige delen zijn afgestorven. Ook is haar hersenstam beschadigd. Diverse functies zijn uitgevallen en zullen nooit herstellen. Zo heeft zij geen reuk en smaak meer en is zij doof aan haar rechteroor. Door de operatie heeft zij verschillende littekens opgelopen die altijd zichtbaar zullen blijven.14

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Verdachte is achteruit gereden en heeft een bocht naar links gemaakt. Uit de getuigenverklaringen en het feit dat de auto met het voor- en achterwiel over het slachtoffer heen is gereden en vervolgens pas twee tot drie meter verderop tot stilstand is gekomen, blijkt dat verdachte daarbij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast en onvoldoende op het overige verkeer heeft gelet. Ook acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad. Verdachte voerde een bijzondere manoeuvre uit in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, er waren op dat moment veel personen in de buurt en verdachte heeft personen aan de overzijde van de weg zien staan voordat hij achteruit reed. Hij had gelet op deze omstandigheden meer moeten opletten dan hij heeft gedaan. Er is derhalve sprake van aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig verkeersgedrag. Gelet hierop kan bewezen worden dat verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het slachtoffer heeft ten gevolge van deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op basis van het dossier kan niet overtuigend worden vastgesteld dat verdachte de bocht achteruit te hard zou hebben genomen. De verkeersongevallenanalyse geeft op dit punt geen uitsluitsel en bij de weging van de getuigenverklaringen moet worden meegenomen dat deze getuigen op enige afstand hebben gestaan, zij veelal alcohol hadden genuttigd en dat veel getuigen met elkaar hebben gesproken voordat zij een verklaring hebben afgelegd. De ernstige gevolgen en het harde geluid van de motor van de auto van verdachte kunnen de getuigenverklaring hebben gekleurd. Twee getuigen, [getuige 4] en [getuige 5], die goed zicht hadden en die nacht geen alcohol hadden genuttigd, verklaren dat verdachte normaal achteruit reed.

Voorts heeft verdachte voldoende zorgvuldigheid in acht genomen tijdens het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre. Hij heeft goed in zijn spiegels gekeken en is daarin blijven kijken. Ook kan het nodige worden afgedongen aan de waarde van de test die bij de verkeersongevallenanalyse is gedaan met betrekking tot het zicht. Deze test gaat namelijk in tegenstelling tot de werkelijke situatie uit van een statische situatie en de proefopstelling is bij daglicht gedaan.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

Om ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat de verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is ten laste gelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004, NJ 2005, 252, zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank gaat eerst in op de vraag of verdachte de bocht achteruit naar links met een te hoge snelheid heeft genomen. De verkeersongevallenanalyse kan geen uitsluitsel bieden over de snelheid waarmee verdachte voorafgaand aan het ongeval heeft gereden. Verdachte ontkent dat hij te hard voor de situatie ter plaatse heeft gereden. Er zijn echter verschillende getuigen die hebben verklaard dat verdachte hard achteruit reed. De rechtbank weegt bij de waardering van de getuigenverklaringen mee dat de meeste getuigen op enige afstand van de aanrijding hebben gestaan, dat zij veelal alcohol hadden genuttigd en dat veel getuigen met elkaar hebben gesproken voordat zij een verklaring hebben afgelegd. De ernstige gevolgen van de aanrijding en het harde geluid van de motor van de auto zullen de verklaringen van de getuigen bovendien mogelijk hebben ingekleurd. Daarnaast is er sprake van tegenstrijdige getuigenverklaringen, nu er ook getuigen zijn die hebben verklaard dat verdachte normaal of rustig reed. Zo heeft getuige [getuige 5] verklaard dat verdachte normaal reed. De rechtbank acht deze getuige betrouwbaar, gelet op het feit dat hij zowel het slachtoffer als de verdachte niet kent en gelet op zijn nabije positie ten opzichte van de auto van verdachte.

De rechtbank is gelet op het voorgaande, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zijn snelheid niet of in onvoldoende mate heeft aangepast aan de situatie ter plaatse.

De rechtbank is voorts met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de vervuilde achterruit van de auto het zicht van verdachte niet zodanig heeft belemmerd dat dit van invloed is geweest op de totstandkoming van de aanrijding. De rechtbank acht derhalve ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte, terwijl zijn zicht beperkt was omdat het nacht was, achteruit met een bocht een doorgaande straat is opgereden, terwijl hij daarvoor had gezien dat er zich mensen aan de overkant van de straat bevonden. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn auto tijdens dit achteruit rijden onvoldoende onder controle heeft gehad. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat getuige [getuige 3], die bij verdachte in de auto zat, heeft verklaard dat hij op het moment dat hij een meisje tegen de achterruit van de auto zag staan heeft geroepen dat verdachte moest stoppen. Verdachte is vervolgens met zijn voor- en achterwiel over het slachtoffer heen gereden en is, blijkens de getuigenverklaringen van Wijers en [getuige 2], enkele meters verderop pas tot stilstand gekomen. De rechtbank concludeert uit deze feiten en omstandigheden dat verdachte zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad, omdat een bestuurder onder normale omstandigheden niet zodanig lang de tijd nodig heeft om zijn auto tot stilstand te brengen.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of deze handelingen van verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

De rechtbank overweegt dat achteruitrijden een bijzondere manoeuvre is als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Uit dit artikel blijkt dat iemand die een bijzondere manoeuvre uitvoert het overige verkeer dient voor te laten gaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het achteruit van een parkeerplaats een doorgaande straat in rijden om extra zorgvuldigheid vraagt. Het is ook algemeen bekend dat dit achteruitrijden met nog meer zorgvuldigheid gepaard dient te gaan als daarbij ook nog een bocht wordt gemaakt en het zicht bovendien beperkt is omdat het schemert. De rechtbank is van oordeel dat verdachte tijdens het uitvoeren van de bijzondere manoeuvre niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Als verdachte dit wel had gedaan, had hij de overstekende voetgangers moeten (kunnen) zien. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het mogelijk was om in de binnenspiegel en door de achterruit een persoon die op een afstand van ongeveer 1,20 meter achter de rechterzijde van de auto stond te zien.15 De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte kennelijk niet of niet voldoende zicht heeft gehouden op de situatie achter en aan de rechterzijde van zijn auto door in zijn spiegels en door de zijruiten te blijven kijken terwijl hij de achteruit rijdende manoeuvre maakte. Dit klemt te meer nu de passagier van verdachte het slachtoffer wel tijdig heeft waargenomen en de rechtbank het niet aannemelijk acht dat die persoon een beter zicht had op de ruimte (schuin)achter de auto dan verdachte.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte niet op het achter hem gelegen gedeelte van de Cranenburgsestraat en/of het overige verkeer is blijven letten, terwijl verdachte vooraf had gezien dat er zich mensen aan de overzijde van de Cranenburgsestraat bevonden.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten.

Zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank merkt het lichamelijk letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank leidt dit af uit de hiervoor reeds genoemde geneeskundige verklaring met betrekking tot dit letsel.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zoals hierna is weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

op 27 maart 2011, te Groesbeek, gemeente Groesbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Cranenburgsestraat, ter hoogte van zalencentrum De Linde, aanmerkelijk onoplettend

-terwijl het zicht ter plaatse beperkt werd door schemering, en

-terwijl hij, verdachte, meerdere op die Cranenburgsestraat en bij dat zalencentrum De Linde voortbewegende en/of stilstaande personen had waargenomen,

een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig van een parkeerplaats achteruit in de richting van de Cranenburgsestraat is gereden, en

vervolgens zijn voertuig naar links heeft gestuurd en naar links is gereden, en

daarbij niet op het voor en/of naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg De Cranenbursestraat en/of het overige verkeer is blijven letten, en

daarbij in onvoldoende mate zijn auto onder controle heeft gehad, en

vervolgens is gebotst tegen een zich op die Cranenburgsestraat bevindende voetganger,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Indien de rechtbank toch tot een veroordeling komt heeft de raadsvrouw subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn nu de verdachte op 27 maart 2011 als verdachte is aangehouden en op zijn vroegst op 23 januari 2014 een uitspraak in eerste aanleg valt te verwachten. Voorts zijn er geen bijzondere omstandigheden als bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak of internationale aspecten die het tijdsverloop kunnen verdisconteren. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat hij in zijn werkzaamheden als ZZP-er in de bouw zijn rijbewijs nodig heeft.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door aanmerkelijk onoplettend rijgedrag. Een bijzondere manoeuvre als een bocht achteruit uitvoeren is pas geoorloofd indien de bestuurder zich tevoren ervan heeft vergewist dat zulks kan zonder andere weggebruikers in gevaar te brengen. Het gaat immers in het verkeer om mensenlevens. Verdachte heeft er, kort gezegd, niet alles aan gedaan om er zeker van te zijn dat hij deze bijzondere manoeuvre veilig kon uitvoeren. Ten gevolge van zijn rijgedrag heeft het slachtoffer, [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel bekomen. Uit de namens haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij bijna een jaar na het ongeluk nog steeds kampte met de lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeluk en dat zij blijvend letsel heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. Voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. De rechtbank zal dit als uitgangspunt hanteren.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangpunt geldt dat het geding, behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen, met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. De rechtbank stelt in dit kader vast dat het strafbare feit op 27 maart 2011 is gepleegd en verdachte op diezelfde datum is aangehouden. Verdachte is vervolgens op 20 februari 2012 gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Arnhem, zitting houdende te Utrecht, waarna op 5 maart 2012 vonnis in eerste aanleg is gewezen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er geen sprake is van een dusdanig tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dat het vonnis in eerste aanleg vervolgens nietig is verklaard door het gerechtshof en is terugverwezen naar de rechtbank, doet aan het voorgaande niet af.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2014 is verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Ook na het betreffende feit is verdachte niet meer met politie en/of justitie in aanraking gekomen in verband met de Wegenverkeerswet 1994, terwijl geruime tijd is verstreken sinds het strafbare feit. Voorts is het de rechtbank gebleken dat verdachte nog altijd doende is de gevolgen van zijn handelen een plek in zijn leven te geven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een lagere onvoorwaardelijke werkstraf dan gevorderd op zijn plaats, in combinatie met de geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de officier van justitie gevorderd. Met het opleggen van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid beoogt de rechtbank te bewerkstelligen dat verdachte extra voorzichtig zal zijn in het verkeer. De rechtbank acht met de officier van justitie een proeftijd van één jaar afdoende, omdat verdachte sinds het strafbare feit niet opnieuw de Wegenverkeerswet heeft overtreden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14f, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:



Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd (en ingehouden) is geweest.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen en E.M. de Stigter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2014.

Mr. J.P.H. van Driel van Wageningen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

hij op of omstreeks 27 maart 2011, te Groesbeek, gemeente Groesbeek, in elk

geval in Nederland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Cranenburgsestraat, ter hoogte van zalencentrum De

Linde, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

-terwijl het zicht ter plaatse belemmerd en/of beperkt en/of gehinderd werd

door schemering, althans het ontbreken van (enig) daglicht, en/of

-terwijl de achterruit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig was vervuild, dat het zicht door die ruit in ernstige mate, althans in enige mate werd belemmerd, en/of

-terwijl hij, verdachte, een of meerdere op die Cranenburgsestraat en/of bij dat zalencentrum De Linde voortbewegende en/of stilstaande personen had waargenomen,

met zijn, verdachtes, voertuig voor en/of bij en/of op de aan de voorzijde van dat zalencentrum gelegen parkeerplaats stilstond, en/of

(daarbij) zijn aandacht gedurende enige tijd heeft gericht op een voor en/of naast zijn, verdachtes, voertuig afspelende vechtpartij en/of in elk geval niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die parkeerplaats en/of die weg de Cranenburgsestraat en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(vervolgens) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met dat motorrijtuig van genoemde parkeerplaats achteruit in de richting van de Cranenburgsestraat is gaan rijden en/of is gereden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer en/of de verkeersituatie ter plaatse, en/of

(vervolgens) zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of naar links is gereden, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van die weg De Cranenbursestraat en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate zijn auto (steeds) onder controle heeft gehad en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een zich op die Cranenburgsestraat bevindende voetganger

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten ongevalheeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 27 maart 2011 te Groesbeek, gemeente Groesbeek, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Cranenburgsestraat, ter hoogte van zalencentrum De Linde,

-terwijl het zicht ter plaatse belemmerd en/of beperkt en/of gehinderd werd door schemering, althans het ontbreken van (enig) daglicht, en/of

-terwijl de achterruit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig was vervuild, dat het zicht door die ruit in ernstige mate, althans in enige mate werd belemmerd, en/of

-terwijl hij, verdachte, een of meerdere op die Cranenbursestraat en/of bij dat zalencentrum De Linde voortbewegende en/of stilstaande personen had waargenomen,

met zijn, verdachtes, voertuig voor en/of bij en/of op de aan de voorzijde van dat zalencentrum gelegen parkeerplaats stilstond, en/of

(daarbij) zijn aandacht gedurende enige tijd heeft gericht op een voor en/of naast zijn, verdachtes, voertuig afspelende vechtpartij en/of in elk geval niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die parkeerplaats en/of die weg de Cranenburgsestraat en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(vervolgens) een bijzondere manoeuvre, als bedoeld in artikel 54 van het

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft uitgevoerd, namelijk met

dat motorrijtuig van genoemde parkeerplaats achteruit in de richting van de

Cranenburgsestraat is gaan rijden en/of is gereden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd

en/of aangepast aan het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter

plaatse, en/of

(vervolgens) zijn voertuig naar links heeft gestuurd en/of naar links is

gereden, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor en/of naast en/of

achter hem gelegen gedeelte van de weg de Cranenburgsestraat en/of het

overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate zijn auto (steeds) onder controle heeft gehad en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een zich op die Cranenburgsestraat bevindende voetganger,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL082C 2011030426 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 27 maart 2011, p. 149.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 27 maart 2011, p. 150.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 3 mei 2011, p. 26.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 1], d.d. 27 maart 2011, p. 86.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 27 maart 2011, p. 87.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 1] d.d. 2 april 2011, p. 90.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 27 maart 2011, p. 95.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], d.d. 27 maart 2011, p. 77.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 3], d.d. 27 maart 2013, p. 78.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 2013.

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 3 mei 2011, p. 24.

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], d.d. 29 april 2011, p. 56.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een afzonderlijk proces-verbaal van verhoor van benadeelde [slachtoffer], d.d. 29 september 2011 (niet doorgenummerd).

15 Proces-verbaal van Verkeers Ongevallen Analyse, p. 000025.