Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2642

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
2072001 UC EXPL 13-7567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is er niet in geslaagd om zijn stellling dat de woningbouwvereniging onrechtmatig heeft gehandeld, voldoende te onderbouwen. Kantonrechter wijst vordering van eiser af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2072001 UC EXPL 13-7567 DJ/1067

Vonnis van 18 juni 2014

inzake

[eiser] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best,

tegen:

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G.J. Scholten, advocaat te [woonplaats ].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (LJN: BK1559 en BM9469) veroordeeld wegens het plegen van ontucht met meerdere minderjarigen tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. In 1988 is [eiser] ook veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het plegen van ontucht met minderjarige jongens.

2.2.

Bij arrest van 15 maart 2010 heeft Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gelast voor de duur van drie maanden, omdat [eiser] zich niet heeft gehouden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering. De resterende voorwaardelijk gevangenisstraf van zes maanden en de opgelegde bijzondere voorwaarde zijn in stand gelaten.

2.3.

Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf heeft [eiser] getracht woonruimte te vinden in de gemeente [gemeente] en de gemeente [gemeente]. In beide gemeenten is geweigerd om hem woonruimte te verhuren, vanwege de vrees voor verstoring van de openbare orde. [eiser] leidde hierdoor een zwervend bestaan.

2.4.

In september 2012 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om een huurovereenkomst met hem aan te gaan met betrekking tot de woonruimte, gelegen aan de [adres] te [woonplaats ]. Dit betreft een flatwoning die onderdeel uitmaakt van een woongroep voor ouderen, bestaande uit 14 woningen. De woongroep voor ouderen is verenigd in de [vereniging]. Aan deze vereniging is door de rechtsvoorgangster van [gedaagde] een coöptatierecht toegekend. Aan het toegekende coöptatierecht is onder meer de voorwaarde verbonden dat de voorgedragen kandidaat lid dient te zijn van de vereniging. Voorts is bepaald dat de huurovereenkomst kan worden geweigerd indien onvoldoende waarborg kan worden gegeven voor het nakomen van de verplichtingen uit de huurovereenkomst of indien de kandidaat uit een vorige woning is ontruimd waarbij de schuld van de ontruiming bij de huurder was gelegen. De vereniging heeft [eiser] bij brief van 16 augustus 2012 als kandidaat voorgedragen. De vereniging was op dat moment niet bekend met de volledige identiteit (hij heeft zich bekend gemaakt als [naam] in plaats van [eiser]) en met achtergrond van [eiser]. Naar aanleiding van de voordracht heeft [gedaagde] [eiser] een acceptatieformulier toegezonden. Dit formulier heeft hij ondertekend als ‘[naam]’.

2.5.

[gedaagde] heeft [eiser] vervolgens voor 28 september 2012 uitgenodigd om een huurovereenkomst te ondertekenen. Bij brief van 26 september 2012 heeft [gedaagde] echter laten weten dat de afspraak om op 28 september 2012 het huurcontract te tekenen geen doorgang zou vinden. In de brief staat onder meer het volgende:

“(…) Indien de identiteit van [eiser] bekend wordt, hetgeen zeker niet denkbeeldig is, dan bestaat naar de mening van [gedaagde] een gerede kans op onrust. Die onrust kan zowel voor [eiser] zelf als voor de kwetsbare leden van de woongroep vergaande gevolgen hebben. [gedaagde] rekent het tot haar taak en verantwoordelijkheid om dergelijke gevolgen te voorkomen. Mede vanwege het feit dat de woonruimte in de woongroep is gelegen in een wijk, waar zich reeds de nodige problemen voordoen, is [gedaagde] van oordeel, dat de door [eiser] uitgekozen woning niet geschikt is. [gedaagde] is dan ook niet bereid om deze woonruimte aan [eiser] te verhuren, tenzij [eiser] zelf de leden van de woongroep informeert en deze leden unaniem hun voordracht wensen te handhaven. Ook in dat geval stelt [gedaagde] echter als voorwaarde dat bijzondere bepalingen in de huurovereenkomst zullen worden opgenomen. [gedaagde] is bovendien wel bereid om onder voorwaarden gezamenlijk te zoeken naar andere passende woonruimte in [woonplaats ], waarbij de uitgangspunten zouden moeten gelden, zoals hiervoor weergegeven door de voorzieningenrechter te [woonplaats ]. Van belang is dat daarbij in ieder geval een aantal voorwaarden zal gelden.

(…)

Om die reden stelt [gedaagde] in alle gevallen als voorwaarde dat [eiser] in het kader van een eventueel te sluiten huurovereenkomst als verplichting op zich neemt om op geen enkele wijze de publiciteit of media-aandacht te zoeken. Ook zou het [eiser] verboden moeten worden om aan zin omgeving informatie te verstrekken over zijn verleden of zijn denkbeelden ter zake van pedoseksualiteit.

Let wel: indien [eiser] ervoor kiest om de leden van de woongroep alsnog te informeren dan geldt dit verbod uiteraard niet ten aanzien van deze leden.

(…)

Gelet op het verleden van [eiser] en gezien het in een ieders belang is dat niet alleen recidive wordt voorkomen, maar dat [eiser] ook in staat zal zijn om in een veilige en prettige woonomgeving een nieuw leven op te bouwen, is het naar de mening van [gedaagde] eveneens van belang dat intensieve belgeleiding van [eiser] zal plaatsvinden. Het is [gedaagde] bekend dat [eiser] niet van harte heeft ingestemd met de door het Gerechtshof opgelegde begeleiding en toezicht van de reclassering. Bovendien is het [gedaagde] bekend dat de begeleiding van de zijde van de reclassering weliswaar wordt aangeduid als “niveau 3”, maar dat ook deze begeleiding min of meer beperkt is.

Vandaar dat [gedaagde] als voorwaarde voor het aangaan van een huurovereenkomst tevens stelt, dat [eiser] naast de begeleiding door de reclassering extra en meer intensieve begeleiding aanvaardt van hulpverlening van Exodus. (…) aangezien [gedaagde] mede verantwoordelijk is voor het rustig huurgenot van haar andere huurders. (…)”

2.6.

Op 27 september 2013 heeft [eiser] telefonisch aan [gedaagde] laten weten dat hij niet met nadere voorwaarden instemde en de media had ingelicht.

2.7.

[eiser] heeft de leden van de woongroep vervolgens ingelicht. De woongroep heeft de voordracht vervolgens ingetrokken.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

  2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding, vermeerder met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

- [gedaagde] heeft onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door de woning, ondanks de positieve beslissing van de woongroep en de voordracht, niet aan hem te verhuren. [gedaagde] heeft voorwaarden gesteld aan het sluiten van een huuroverkomst die in strijd zijn met artikel 10 Grondwet en die aan andere potentiële huurders niet worden gesteld.

- [eiser] heeft hierdoor materiële en immateriële schade geleden die voor rekening van [gedaagde] behoort te komen.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende.

- [gedaagde] was aanvankelijk niet bekend met de identiteit en achtergrond van [eiser]. Gebleken is dat hij ook de woongroep onjuiste informatie had verstrekt en zijn strafrechtelijk verleden had verzwegen.

- [gedaagde] dient als instelling een bijdrage te leveren aan de doelmatige en rechtvaardige woonruimteverdeling en betaalbare woonruimte te verhuren aan met name sociaal zwakkeren. Daarnaast is [gedaagde] op grond van artikel 12a van het Besluit Beheer Sociale Huursector gehouden om bij te dragen aan de leefbaarheid in buurten en wijken. [gedaagde] moet nagaan of de woongroep naar eer en geweten en met inachtneming van deze uitgangspunten tot haar voordracht is gekomen. Toen bleek dat [eiser] geen open kaart had gespeeld maakte [gedaagde] zich hier zorgen over.

- [gedaagde] vreesde dat het bekend worden van de identiteit van [eiser] tot maatschappelijke onrust in en rond de woongroep zou leiden. Deze onrust zou voor de kwetsbare leden van de woongroep vergaande gevolgen hebben. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om die gevolgen te voorkomen. [gedaagde] heeft daarom aan [eiser] laten weten dat zijn verzoek zou worden afgewezen tenzij hij de woongroep over zijn identiteit en achtergrond zou informeren en de woongroep naar aanleiding daarvan zou besluiten de voordracht te handhaven. Voorts heeft [gedaagde] aangehouden om onder voorwaarden gezamenlijk te zoeken naar een passende woonruimte in [woonplaats ].

- [gedaagde] heeft de persoonlijke levenssfeer van [eiser] niet geschonden. [eiser] heeft er immers zelf voor gekozen de publiciteit te zoeken. Ook heeft hij er zelf voor gekozen de woongroep in te lichten over zijn verleden. Hij had er in plaats daarvan voor kunnen kiezen om af te zien van de woonruimte in de woongroep en daarover een neutrale mededeling te doen aan de woongroep. In dat geval had [gedaagde] samen met [eiser] kunnen zoeken naar een oplossing. De door [gedaagde] gestelde voorwaarden om een alternatieve oplossing te zoeken zijn niet onrechtmatig.

- [gedaagde] betwist dat [eiser] door haar handelen schade heeft geleden.

3.5.

Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die ter beantwoording voorligt is of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door voorwaarden te stellen aan de verhuur van woonruimte aan [eiser]. Het ligt op de weg van [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat van onrechtmatig handelen sprake is. [eiser] stelt daartoe dat de door [gedaagde] gestelde eisen voor het tot stand komen van een huurovereenkomst direct inbreuk maken op zijn persoonlijke levenssfeer, zijn recht op privacy en zijn recht op vrije meningsuiting. [gedaagde] heeft daarmee in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 10 Grondwet, volgens [eiser].

4.2.

Vooropgesteld moet worden dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10 Grondwet geen absoluut recht is, maar wordt begrensd door de belangen van anderen. Het enkele feit dat inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] brengt dus nog geen onrechtmatigheid met zich. Daarvan is pas sprake als sprake is van een inbreuk die onevenredig is in vergelijking met het te beschermen belang van derden. Het ligt op de weg van [eiser] om te onderbouwen dat daarvan sprake is.

4.3.

[eiser] stelt dat [gedaagde] hem zou hebben gedwongen om zijn achtergrond aan de medebewoners van de woongroep kenbaar te maken. Die stelling is echter feitelijk onjuist. [gedaagde] heeft in haar brief van 26 september 2012 immers slechts geëist dat hij dit zou doen indien hij voor een huurovereenkomst met betrekking tot een flat binnen de woongroep in aanmerking zou willen komen. [gedaagde] heeft echter uitdrukkelijk de mogelijkheid open gelaten dat [eiser] zich op neutrale gronden terug zou trekken en aangeboden om in dat geval in overleg met hem een passende woonruimte te zoeken. Voor zover [eiser] tevens beoogt te stellen dat het onrechtmatig is om van hem te verlangen dat hij zijn achtergrond aan de medebewoners kenbaar zou maken, overweegt de kantonrechter het volgende. Gelet op deze specifieke situatie waarin de bewoners zelf een kandidaat voordragen mag er van worden uitgegaan dat de bewoners bekend zijn met de identiteit en achtergrond van de kandidaat die zij voordragen. Het betreft immers, zoals [gedaagde] onbetwist heeft gesteld, een woonomgeving waarin ouderen in een nauwer verband dan gewone buren met elkaar samenwonen en gezamenlijk activiteiten ontplooien. Juist in die situatie is van belang dat de bewoners bekend zijn met de identiteit en de achtergrond van degene die zij voordragen. [gedaagde] had, gelet op het feit dat [eiser] slechts zijn tweede voorletter had gebruikt, aanleiding om te twijfelen aan de vraag of [eiser] open kaart had gespeeld tegen te bewoners. Uit het verslag van de reclassering dat [eiser] heeft overgelegd blijkt deze twijfel ook terecht te zijn. Daaruit blijkt immers dat [eiser] heeft verteld dat hij in financiële moeilijkheden was geraakt doordat zijn bedrijf failliet was gegaan. Uit het feit dat de bewoners, nadat zij bekend zijn geworden met de achtergrond van [eiser], de voordracht hebben ingetrokken blijkt bovendien dat zij hem niet zouden hebben voorgedragen indien zij tevoren bekend waren geweest met zijn identiteit en achtergrond. Dat [gedaagde] het, alvorens een huurovereenkomst met [eiser] aan te gaan, noodzakelijk achtte dat de bewoners wisten wie ze voordroegen kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet onrechtmatig worden geacht.

4.4.

[eiser] stelt dat [gedaagde] reeds voor de voordracht van de bewoners bekend was met zijn komst doordat [gedaagde] op de hoogte is gesteld door de ketenpartners. [eiser] verwijst in dat verband naar het verslag van de reclassering. De kantonrechter stelt vast dat uit dit verslag weliswaar blijkt dat [gedaagde] van de komst van [eiser] in kennis is gesteld maar niet wanneer dat heeft plaatsgevonden. Dat [gedaagde] wat dit betreft in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv. heeft gehandeld is dan ook niet gebleken.

4.5.

Verder betwist [eiser] dat [gedaagde] rekening zou hebben te houden met de belangen van andere huurders of medebewoners. Dit zou er volgens [eiser] toe leiden dat hij nooit voor woonruimte in aanmerking zou komen omdat de verhuurder het belang van medebewoners altijd boven dat van hem als veroordeelde zedendelinquent zou stellen. [eiser] gaat daarmee voorbij aan het aanbod dat [gedaagde] in de brief van 26 september 2012 heeft gedaan om in overleg met [eiser] op zoek te gaan naar passende huisvesting. Het is de keuze van [eiser] zelf geweest om niet op dit aanbod in te gaan. Door vervolgens de publiciteit te zoeken heeft [eiser] zelf een situatie gecreëerd waardoor het zoeken naar een andere oplossing in ernstige mate is bemoeilijkt.

4.6.

[eiser] lijkt er voorts vanuit te gaan dat [gedaagde] in alle gevallen zou verlangen dat hij zijn identiteit en achtergrond aan medebewoners kenbaar zou maken. Uit de brief van 26 september 2012 blijkt evenwel dat [gedaagde] dat juist niet heeft beoogd. Juist om te voorkomen dat omwonenden de verhuur aan [eiser] bij voorbaat onmogelijk zouden maken wilde [gedaagde] dit vermijden.

4.7.

[eiser] betoogt verder dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het grondrecht van vrijheid van meningsuiting door hem te verbieden om de publiciteit te zoeken. De kantonrechter verwerpt die stelling. [eiser] erkent immers dat ruchtbaarheid aan het voornemen om woonruimte aan hem te verhuren leidt tot reacties uit de samenleving. Juist dit gegeven was voor [gedaagde], blijkens de brief van 26 september 2012, aanleiding om deze voorwaarde te stellen. [gedaagde] heeft daarbij benadrukt dat publiciteit noch in het belang van [gedaagde] noch in het belang van [eiser] zelf zou zijn. De eis had dan ook als doel te voorkomen dat het vinden van alternatieve huisvesting voor [eiser] door heftige reacties vanuit de samenleving nodeloos gefrustreerd zou worden. Niet valt in te zien waarom dit onrechtmatig zou zijn.

4.8.

Voorts moet worden overwogen dat [gedaagde] als woningcorporatie naast het belang van [eiser] als woningzoekende het belang van haar medehuurders en andere omwonenden in acht moet nemen. Dat zij de houding die [eiser] in het kader van zijn reclasseringstraject (waarbij de reclassering de opdracht terug heeft gegeven omdat onvoldoende medewerking van [eiser] werd verkregen) in dit verband zorgwekkend heeft geacht, kan haar niet worden tegengeworpen en is zeker niet als onrechtmatig aan te merken. Afgezien van de vraag of het op de weg van een woningcorporatie ligt om eisen te stellen aan de begeleiding van een potentiële huurder kan niet zonder meer worden gesteld dat dit in deze omstandigheden onrechtmatig is.

4.9.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd om zijn stellling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld voldoende te onderbouwen. Echter, zelfs al zou het stellen van voorwaarden door [gedaagde] onrechtmatig zijn geweest dan nog valt niet in te zien welke schade [eiser] hierdoor lijdt. Dat het niet mogelijk is gebleken om huisvesting in [woonplaats ] te vinden is immers niet een gevolg van het stellen van voorwaarden door [gedaagde] maar door het feit dat [eiser] niet verder met [gedaagde] in overleg wilde en de publiciteit zocht.

4.10.

De vordering zal dan ook worden afgewezen met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 500,- aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 250,-).

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 500,- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.