Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2613

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
UTR 13/5382
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2015:479
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeenteraad geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van acht woningen en zes appartementen. Het daarop gebaseerde besluit is, gelet op het feit dat het bouwplan past in de geldende structuurvisie en dat er van gemeentezijde lange tijd medewerking aan is verleend, onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/5382

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 mei 2014 in de zaak tussen

Ontwikkelings Maatschappij Buitenveldert Amsterdam B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder

(gemachtigde: N.J.M. Röling).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning voor het realiseren van acht woningen en zes appartementen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], (het perceel) geweigerd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij tevens een verzoek om schadeloosstelling gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Namens eiseres zijn verschenen [A], algemeen directeur, en [B], architect, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die mede voor zover nodig is verschenen namens de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen.

Overwegingen

1.

Op 30 juni 2008 heeft Vivia Vastgoed B.V. een bouwaanvraag ingediend voor het oprichten van tien vrijstaande woningen en zes appartementen op het perceel, geprojecteerd aan weerszijden van de ontsluitingsweg. Op 2 oktober 2008 heeft eiseres het perceel gekocht en het bouwplan overgenomen van Vivia Vastgoed B.V. Op 30 juni 2010 heeft verweerder zijn voornemen om voor dit bouwplan een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen gepubliceerd. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen hebben gesprekken plaatsgevonden tussen eiseres, vertegenwoordigers van de gemeente en de omwonenden/indieners van de zienswijzen. Naar aanleiding van deze gesprekken heeft eiseres het bouwplan aangepast en de toen voorliggende aanvraag ingetrokken. De nieuwe aanvraag, die op 23 december 2010 is ingediend, voorziet in acht in plaats van tien woningen, met zes appartementen aan weerszijden van de ontsluitingsweg.

2.

Op de nieuwe aanvraag is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (a) en/of het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan (c).

Uit artikel 2.10 van de Wabo volgt, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met zowel het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan (“Vinkeveen-Zuid”) als het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vigerende bestemmingsplan (“Kom Vinkeveen”). Deze strijdigheid kan alleen worden opgeheven met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3˚, van de Wabo.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3˚, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op de voet van artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3˚, van de Wabo niet worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (de zogenoemde verklaring van geen bedenkingen).

3.

Op 18 oktober 2012 heeft de gemeenteraad, overeenkomstig het voorstel daartoe van verweerder, de verklaring van geen bedenkingen geweigerd, omdat – kort gezegd – het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Vervolgens heeft verweerder op 27 juni 2013 zijn voornemen om de omgevingsvergunning te weigeren gepubliceerd en per 28 juni 2013 ter inzage gelegd. Tegen dit voornemen heeft eiseres zienswijzen ingediend, waarna verweerder in het bestreden besluit de zienswijzen heeft weerlegd en de omgevingsvergunning heeft geweigerd. Verweerder heeft aan dat besluit – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij niet bevoegd is om de omgevingsvergunning op de voet van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3˚, van de Wabo te verlenen, vanwege het ontbreken van de verklaring van geen bedenkingen nu het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening kon worden geacht, zodat de verklaring van geen bedenkingen moest worden geweigerd en dientengevolge de omgevingsvergunning ook. Het beroep omvat dus mede de rechtmatigheid van de beslissing van de gemeenteraad om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren.

5.

Eiseres voert in beroep in de kern genomen aan dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij betoogt daartoe dat het bouwplan past binnen de geldende Structuurvisie Centrum Vinkeveen, dat als beleid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft te gelden, en dat verweerder en de gemeenteraad daarvan niet hebben mogen afwijken. Omdat het bouwplan past binnen deze Structuurvisie, kan het niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening zijn. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij tot een andere conclusie is gekomen, aldus eiseres. Zeker niet nu de voorgenomen ontwikkeling van de zijde van verweerder lange tijd is ondersteund. Verweerder heeft in elk geval volgens eiseres geen betekenis mogen hechten aan de inmiddels gewijzigde planologische inzichten aangaande de invulling van het perceel en de door de gemeenteraad gevoelde noodzaak de Structuurvisie te herijken. Dat er bezwaren van omwonenden zijn tegen de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel rechtvaardigt volgens eiseres niet de conclusie dat van strijd met een goede ruimtelijke ordening sprake is. Het bouwplan is bovendien juist met het oog op die bezwaren aangepast.

De beroepsgrond dat verweerder het bouwplan in het bestreden besluit aan het verkeerde bestemmingsplan heeft getoetst, heeft eiseres ter zitting ingetrokken.

6.

In 2007 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Centrum Vinkeveen vastgesteld op de voet van artikel 7, eerste lid, van de WRO. Anders dan verweerder in het bestreden besluit suggereert, heeft de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening en vervolgens de Wabo, gelet op de overgangsrechtelijke bepalingen ter zake, in de betekenis en relevantie van de structuurvisie geen verandering gebracht. De structuurvisie is, net als een structuurvisie, vastgesteld op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening dat thans is, een visie op hoofdlijnen omtrent de in het gebied gewenste ontwikkelingen. Het heeft in beginsel geen rechtsgevolgen voor burgers of bedrijven en het bindt het gemeentebestuur in beginsel niet bij de uitoefening van haar bevoegdheden. Een structuurvisie kan een coördinerende functie vervullen voor het hele ruimtelijke beleid van een gemeente. Blijkens de tekst van de inleiding van de Structuurvisie Centrum Vinkeveen gaat het inderdaad om een visie op hoofdlijnen, die verder dient te worden uitgewerkt, en is het kaderstellend voor het bestemmingsplan en particuliere initiatieven. Het is dus, anders dan eiseres betoogt, geen het bestuursorgaan bindende beleidsregel als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Het is echter evenmin een voor verweerder vrijblijvend document. Voor de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning op de voet van artikel 2.12 van de Wabo, zoals hier aan de orde, heeft de gemeenteraad immers in dit document de wenselijke uitgangspunten neergelegd. Naarmate die uitgangspunten concreter zijn, komt daaraan een grotere betekenis toe bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde ontwikkeling in beginsel uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is.

7.

In de Structuurvisie Centrum Vinkeveen is over het perceel het volgende opgenomen (het perceel wordt aangeduid als het zuidelijk ten opzichte van de [locatie] aangrenzend gelegen perceel):

Pagina 54

“Omdat binnen het thema “Dorp aan de plassen” gewenst is ook de centrale spil zichtbaar te maken aan de plaskant, mogen de ontwikkelingen rondom de [locatie] iets steviger zijn dan gebruikelijk in het lint en op de werven. Goothoogte naar de plas oplopen van 6 tot 9 meter.”

Pagina 57

“De [locatie] is momenteel een eenvoudig woonstraatje op een smal perceel. Het markeert echter aan de plaskant de centrale ligging van de reeks voorzieningen in het centrum van Vinkeveen. In het kader van ‘Dorp aan de plassen’ mag het perceel en ook het zuidelijk gelegen aangrenzende perceel een iets zwaardere invulling krijgen, als heldere markering aan de plas. Waarbij wel gekeken moet worden naar de ligging in deelgebied Werfbebouwing en Lint van Vinkeveen (laag 1). Bij de uitwerking dient evenwicht gevonden te worden tussen de uitgangspunten van beide lagen. Woningen met goothoogte 6 meter oplopend naar 9 meter aan de plaskant.”

8.

Dat het bouwplan niet past in de Structuurvisie Centrum Vinkeveen kan op basis van de gedingstukken en verweerders toelichting ter zitting niet worden vastgesteld. Eerst ter zitting heeft verweerder dit standpunt ingenomen, stellende dat het bouwplan niet overeenkomt met de in de Structuurvisie Centrum Vinkeveen ingetekende bouwvlekken. Dit overtuigt, mede gelet op het schetsmatige karakter van de bedoelde tekening, niet. Daarbij komt dat verweerder ter zitting heeft erkend dat vanaf 2008 van de zijde van de gemeente op zowel ambtelijk niveau als door de portefeuillehoudende wethouder lange tijd is meegedacht met eiseres en dat de door haar voorgestane ontwikkelingen op basis van de Structuurvisie Centrum Vinkeveen van gemeentezijde zijn ondersteund. Daarbij is nooit, ook niet toen in 2010 het voornemen tot het verlenen van vrijstelling voor een nog intensiever bouwplan werd gepubliceerd, het standpunt ingenomen dat sprake was van strijd met de Structuurvisie Centrum Vinkeveen.

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het onderhavige bouwplan in beginsel past binnen de Structuurvisie Centrum Vinkeveen.

9.

Daarmee is echter, anders dan eiseres betoogt, niet gegeven dat het bouwplan dus niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Structuurvisie Centrum Vinkeveen is hiervoor wat betreft de mogelijke ontwikkelingen op het perceel onvoldoende concreet. Bovendien kunnen daarbij ook andere aspecten dan alleen de verenigbaarheid met de Structuurvisie Centrum Vinkeveen een rol spelen. Het komt dus aan op de vraag of in het besluit tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen het standpunt dat dit bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening van een deugdelijke motivering is voorzien.

10.

In het raadsvoorstel dat ten grondslag ligt aan, en dient ter motivering van, het besluit tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen zijn de volgende argumenten genoemd waarom het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening:

- Realisering van het bouwplan zou geweld doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de karakteristieke en historische lintbebouwing aan de [locatie]; ook na aanpassingen van het bouwplan ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp (minder woningen, iets grotere afstand tot woningen aan de [locatie]) is sprake van een zeer intensief programma.
De structuur in het bouwplan past niet in de structuur van het huidige bebouwingslint. Hierover kan worden opgemerkt, dat de kavelstructuur op zichzelf bezien inderdaad behouden blijft en dat de nieuwe woningen inderdaad op het water gericht zijn. Maar de structuur zoals in dit bouwplan aan de orde (nieuwe centrale ontsluitingsweg, haaks op de [locatie], met aan beide zijde forse woningen) past niet binnen de structuur van het huidige bebouwingslint.

- De ruimtelijke onderbouwing van OMB biedt onvoldoende aanknopingspunten om mee te werken aan het huidige plan; de gevraagde mogelijkheden betekenen, op de wijze waarop het is ontworpen, een belemmering/beperking voor de bestaande, naastgelegen woningen. Ook zou er een ongewenste precedentwerking van uitgaan. Aan de [locatie] is de beoogde bebouwing inderdaad het minst hoog, maar verder richting plas neemt de hoogte toe. De doorsneden van de beoogde woningen laten zien dat sprake is van forse afmetingen.

- Er worden grote, hoge woningen gebouwd op korte afstand van belendingen aan de [locatie], waardoor sprake is van belemmeringen in zicht, licht en privacy.

- Er is geen draagvlak voor dit plan bij omwonenden.

11.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het verlies aan uitzicht en privacy voor de naastgelegen woningen aan de [locatie] en de ten zuiden van het perceel aan de [locatie] gelegen woningen het zwaarst heeft gewogen. Bij het vaststellen van de Structuurvisie Centrum Vinkeveen is het belang van de omgeving, achteraf bezien, onvoldoende meegewogen. Daarom zijn de in deze structuurvisie voor dit perceel neergelegde ambities niet realistisch en zijn ontwikkelingen in gang gezet om te komen tot een herijking van de structuurvisie voor onder meer het onderhavige perceel, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder voorts gesteld dat er inmiddels sprake is van een nieuw (alternatief) bouwplan van eiseres, waarbij slechts aan één zijde (niet de zijde van de [locatie]) van de ontsluitingsweg woningen worden opgericht. Verweerder wil aan dit nieuwe plan, ondanks nog altijd bestaande bezwaren van omwonenden, wel medewerking verlenen en is voornemens om voor dit plan een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad te vragen.

12.

De rechtbank is van oordeel dat met de hierboven weergegeven argumenten, ook wanneer die in samenhang worden bezien, onvoldoende is gemotiveerd waarom dit bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Daartoe is de voorgeschiedenis van dit bouwplan en de positie die verweerder daarin lange tijd gekozen heeft van bepalend belang.

Immers, niet in geschil is dat op ambtelijk niveau en door opeenvolgende verantwoordelijke wethouders gedurende lange tijd is meegewerkt aan en meegedacht met de bouwplannen van eiseres en de aanpassingen daarvan. In december 2008 is aan verweerder een bouwplan voorgelegd waarbij slechts aan één zijde (niet de zijde van de [locatie]) van de aan te leggen ontsluitingsweg woningen zouden worden gerealiseerd. Dit plan heeft verweerder destijds niet passend geacht. Een aangepast, intensiever bouwplan – ook ten opzichte van het huidige bouwplan – met bebouwing aan weerszijden van een toegangsweg, heeft verweerder vervolgens wel acceptabel geacht en een voornemen tot het verlenen van medewerking op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO ter inzage gelegd. Naar aanleiding van toen ingediende zienswijzen zijn gesprekken gevoerd tussen eiseres en omwonenden om tot aanpassingen in het bouwplan te komen. Verweerder heeft daarbij onbetwist telkens uitgedragen dat de Structuurvisie Centrum Vinkeveen de randvoorwaarden bepaalde, daarbij bebouwing aan weerszijden van een toegangsweg nimmer uitsluitend. De aanpassingen hebben geleid tot minder woningen en meer afstand ten opzichte van de erfgrens van zuidelijk gelegen percelen. Vervolgens heeft verdere besluitvorming lange tijd stil gelegen vanwege de gemeentelijke herindeling. Nu stelt verweerder zich op het standpunt dat alleen een bouwplan met bebouwing aan één zijde aanvaardbaar is, terwijl dit in 2008 kennelijk juist niet aanvaardbaar was.

13.

Een overtuigende motivering voor deze koerswijziging jegens het bouwplan van eiseres heeft de rechtbank niet aangetroffen. Wel is duidelijk geworden dat de raad en verweerder veel gewicht toekennen aan het draagvlak onder omwonenden en dat de impact van het plan op omwonenden inmiddels te groot wordt geacht. Daaraan heeft onmiskenbaar bijgedragen dat de eerdere ontwikkeling van woningbouw aan de [locatie], overeenkomstig de Structuurvisie Centrum Vinkeveen, voor iedereen zichtbaar heeft gemaakt wat binnen de Structuurvisie aan ontwikkelingen mogelijk wordt geacht. Een inzichtelijke motivering waarom het onderhavige bouwplan tot onaanvaardbare gevolgen leidt voor belendende percelen ontbreekt. Er wordt volstaan met de in algemene termen gestelde opmerking dat sprake is van belemmeringen in vooral zicht en privacy. Dat van dergelijke belemmeringen sprake is, is niet ondenkbaar. Maar gegeven het uitgangspunt dat ook de raad en verweerder herontwikkeling en woningbouw op het perceel voorstaan, zodat met dergelijke belemmeringen hoe dan ook rekening moet worden gehouden, is niet duidelijk dat die belemmeringen als gevolg van het onderhavige bouwplan in dit opzicht onaanvaardbaar zijn en waarom.

14.

Voorts is de rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk waarom het voorliggende bouwplan niet past binnen de structuur van het huidige bebouwingslint, zoals in het raadsvoorstel genoemd, terwijl een bouwplan dat voorziet in bebouwing aan één zijde van de aan te leggen weg daar naar het oordeel van verweerder kennelijk wel in past. De motivering schiet ook op dit punt te kort. Dat voor precedentwerking moet worden gevreesd, gegeven de op perceelsniveau uitgewerkte Structuurvisie, valt niet zonder meer in te zien en heeft verweerder ter zitting ook niet nader kunnen onderbouwen. Dat, tot slot, sprake is van een intensief programma is, ook volgens verweerders toelichting ter zitting, niet per definitie bezwaarlijk. Het uitgangspunt dat de herontwikkeling op het perceel intensiever mag zijn dan gebruikelijk in het lint vanwege de versterking van de centrale spil is nog altijd niet losgelaten en is ook voor de herijking van de Structuurvisie in de, de door de gemeenteraad nog niet vastgestelde, Dorpsvisie Centrum Vinkeveen 2013, uitgangspunt, met oplopende bebouwingshoogte richting plaskant. Doorslaggevend is inmiddels kennelijk dat op basis van voortschrijdende inzichten nog slechts bebouwing aan een zijde van de ontsluitingsweg zal worden toegestaan. Dat de gemeenteraad bezig is vorm te geven aan een heroriëntering op de wenselijke ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente, waaronder het perceel, is op zich zelf genomen uiteraard een bevoegdheid die hem toekomt. Dat kennelijk sprake is van voortschrijdende inzichten daarover is een gegeven, waaraan bij besluitvorming als de onderhavige betekenis kán toekomen. Het bouwplan is echter in overeenstemming met de ten tijde van de besluitvorming geldende Structuurvisie en heeft lange tijd de instemming van gemeentezijde gehad. Gelet daarop moeten aan de motivering van het besluit, waarin op basis van nog niet uitgekristalliseerde en nog niet vastgestelde nieuwe inzichten over de gewenste ruimtelijke invulling van het perceel aan het bouwplan medewerking wordt onthouden vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening, hoge eisen worden gesteld. Het besluit van de raad om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren, ontbeert een dergelijke draagkrachtige motivering en is daarmee onrechtmatig.

15.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren niet heeft mogen baseren op het besluit van de raad.

Om deze reden moet het bestreden besluit worden vernietigd.

16.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, in samenhang met artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder deze gelegenheid te bieden. Daartoe is doorslaggevend dat het hiervoor geconstateerde gebrek in het bestreden besluit in beginsel herstelbaar is, nu het een motiveringsgebrek betreft. Een zo snel en finaal mogelijke beslechting van het voorliggende geschil is daarom gebaat bij toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus. Verweerder zal daartoe een nieuw besluit dienen te nemen op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zoals dat artikellid per 1 januari 2013 luidt. Daartoe zal verweerder zich opnieuw tot de gemeenteraad dienen te wenden, teneinde zich te voorzien van een deugdelijk gemotiveerd besluit aangaande de vereiste verklaring van geen bedenkingen. Dit besluit zal moeten worden genomen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De termijn waarbinnen verweerder het genoemde gebrek kan herstellen, bepaalt de rechtbank in beginsel op drie maanden na verzending van deze uitspraak. Indien de raad alsnog zou besluiten tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen en verweerder vervolgens alsnog tot medewerking zou besluiten, waardoor voor het doorlopen van de voorgeschreven procedure meer tijd nodig zal zijn, dient hij daartoe binnen de hier gestelde termijn van drie maanden een gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn tot de rechtbank te richten.

17.

Met het oog op een zo efficiënt mogelijke voortzetting van deze procedure overweegt de rechtbank ten aanzien van de overige beroepsgronden nog als volgt.

18.

Eiseres betoogt dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat verweerder niet handelt conform de Structuurvisie. Zij stelt dat verweerder op aanliggende locaties, zoals de [locatie], wel medewerking heeft verleend aan plannen die passen binnen de Structuurvisie.

19.

Dit betoog slaagt niet. Dat verweerder op andere locaties wel zijn medewerking heeft verleend aan plannen die passen binnen de Structuurvisie, betekent niet dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van vergelijkbare situaties. Bovendien is hiervoor al overwogen dat het feit dat het bouwplan past in de Structuurvisie nog niet betekent dat verweerder de vergunning reeds om die reden had moeten verlenen.

20.

Eiseres betoogt verder dat het in strijd is met het vertrouwensbeginsel dat verweerder de vergunning heeft geweigerd. Zij stelt dat de gemeente in het begin expliciet heeft ingestemd met het bouwplan voor tien woningen en zes appartementen. Eiseres stelt dat zij er, gelet daarop, op mocht vertrouwen dat ook zou worden ingestemd met het voorliggende bouwplan, dat betrekking heeft op minder woningen. Dit vertrouwen is, aldus eiseres, ook door de wethouder gewekt.

21.

Ook dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals verwoord in de uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:775), is van strijd met het vertrouwensbeginsel slechts sprake indien het gaat om de situatie dat verweerder bij de aanvrager het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de omgevingsvergunning zonder meer zal worden verleend. Niet voldoende is dat uit uitlatingen van het bevoegd gezag een in beginsel positieve houding over het voorgenomen project blijkt. De definitieve beslissing over de verlening van de omgevingsvergunning vindt pas plaats bij het besluit op de aanvraag, en die beslissing kan mede, afhankelijk van alle in de verdere loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen - ook de mogelijke belangen van derden - anders uitvallen dan het bevoegd gezag in eerste instantie heeft ingeschat. De rechtbank stelt verder vast dat in het onderhavige geval geen sprake is van toezeggingen die door of namens het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders dan wel de gemeenteraad, aan eiseres zijn gedaan. Bovendien zal een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel – juist vanwege de belangen van derden – niet zonder meer (moeten) leiden tot het verlenen van de gevraagde vergunning.

Het voorgaande neemt niet weg dat aan verweerders houding en standpunt in het verleden betekenis toekomt, zoals hierboven in de rechtsoverwegingen 12 tot en met 14 is overwogen. Die betekenis strekt echter niet zover dat een beroep op het vertrouwensbeginsel om die reden moet worden gehonoreerd.

22.

Het betoog van eiseres dat verweerder heeft verzuimd om een belangenafweging te maken slaagt evenmin. Het bestreden besluit is immers gebaseerd op het standpunt van verweerder dat hij niet bevoegd was om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen vanwege het ontbreken van de verklaring van geen bedenkingen van de raad (omdat de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening). Gelet daarop kon in het bestreden besluit, zoals het nu aan de rechtbank voorligt, niet worden toegekomen aan een belangenafweging.

23.

Het verzoek om schadeloosstelling heeft eiseres ter zitting ingetrokken. De reden daarvan is dat het bestreden besluit, dat de beweerde schade heeft veroorzaakt, dateert van na 1 juli 2013. Op deze datum is artikel 8:73 van de Awb vervallen en op grond van het toepasselijke overgangsrecht moet het verzoek van eiseres worden beoordeeld op de voet van artikel 8:88 en verder van de Awb. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb slechts bevoegd om op het onderhavige verzoek te beslissen voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,- bedraagt. Het verzoek gaat dit bedrag ruimschoots te boven.

24.

Tot slot wordt in het kader van de bestuurlijke lus nog het volgende opgemerkt. Indien verweerder binnen twee weken verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die voor het herstel is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep, voortbouwend op hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen en beslist. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat bij het doen van einduitspraak de rechtbank, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet mag terugkomen op in deze tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven eindbeslissingen. Het heeft voor partijen dus doorgaans geen zin om in het vervolg van de procedure hun pijlen op die eindbeslissingen te richten.

25.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak op het beroep. De rechtbank neemt dus ook nog geen besluit over de vergoeding van de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid:

- om binnen drie maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, of

- om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mede te delen dat van deze geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. drs. R. in ’t Veld en mr. drs. S. Lanshage, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open.