Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2570

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
16/703332-13 en 16/014121-12 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een periode ruim 10 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 79 dagen en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/703332-13 en 16/014121-12 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1982],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op . De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 december 2013 samen met (een) ander(en) in cocaïne heeft gehandeld, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2: in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 december 2013 samen met (een) ander(en) heeft gehandeld in hasjiesj, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.

4 Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

5 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

5.1

Gang van zaken in APU

Uit het dossier is gebleken dat op 9 januari 2014 in het arrestantencomplex Utrecht te Houten (hierna: APU), met machtiging van de rechter-commissaris, vertrouwelijke communicatie werd opgenomen van gesprekken gevoerd tussen [medeverdachte] en [verdachte]. Om deze verdachten met elkaar in contact te brengen werd een brandoefening in scene gezet en werden beide verdachten in dezelfde ruimte geplaatst. Eerst ter zitting van 10 juni 2014 heeft de officier van justitie aangegeven dat hierbij ook agenten zijn ingezet. Deze agenten hebben zich voorgedaan als gedetineerden en zich hebben opgehouden in dezelfde ruimte als de verdachten. De agenten werden als zodanig ingezet om het voor de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] als reëel te doen overkomen. De agenten hebben zich volgens de officier van justitie niet bemoeid met het toen tussen de verdachten gevoerde gesprek. De inzet van de agenten werd door de officier van justitie ter terechtzitting aangeduid als nepagenten dan wel nepgedetineerden.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er van de zijde van het openbaar ministerie sprake is van bewuste schending dan wel grove veronachtzaming van de beginselen van een goede procesorde. Als gevolg hiervan dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Hierbij heeft de raadsman erop gewezen dat de agenten als infiltranten zijn ingezet en hiervoor geen machtigingen zijn afgegeven. Het Wetboek van Strafvordering kent bovendien de term nepagenten en nepgedetineerden niet. Voorts is het tijdstip waarop de officier van justitie kenbaar maakt hoe een en ander in de APU is verlopen, zodanig laat in de procedure dat dit als nalatig moet worden bestempeld. Dit duidt op opzettelijke misleiding van de verdediging en is ook daardoor een grove veronachtzaming van de beginselen van een goede procesorde, aldus de raadsman.

5.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het een slordigheid van zijn kant is dat hij op zo’n laat tijdstip over de gang van zaken in het APU is begonnen, maar dat zijn handelwijze geenszins tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden. De bedoelde actie heeft bovendien geheel onder zijn leiding en in overleg met de politie plaatsgevonden. Bovendien is deze actie controleerbaar aan de hand van gemaakte camerabeelden.

5.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de agenten uitsluitend in dezelfde ruimte hebben gestaan als verdachten, zij verdachten niet hebben afgeluisterd en derhalve alleen een omstandigheid hebben gecreëerd die bestond uit het nabootsen van een reële brandoefening. Geenszins is gebleken dat zij sturend hebben opgetreden.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat wat er ook zij van de vraag of in dit geval voor de inzet van de politie een machtiging zou moeten zijn verleend, het niet vragen van een machtiging niet leidt tot een groeve veronachtzaming van de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank verklaart de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

6 Redenen voor schorsing

De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

7. Waardering van het bewijs

7.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en derhalve gevorderd verdachte van dit feit vrij te spreken. Het onder 1 ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie daarentegen wettig en overtuigend bewezen worden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet gesteld kan worden dat het verdachte is geweest die de bewuste telefoongesprekken met de vermeende afnemers van drugs heeft gevoerd. Daarnaast is niet vast te stellen welke foto’s aan de getuigen zijn getoond.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte van dit feit dan ook vrijspreken.

7.3.2.

Feiten blijkend uit de bewijsmiddelen1

7.3.2.1 Inleiding

[medeverdachte] werd verdacht van mogelijke betrokkenheid bij een plofkraak. Deze plofkraak zou zijn gepleegd op 3 mei 2013 op een geldautomaat van de ABN AMRO te Veenendaal. In de periode vanaf 9 september 2013 werden gesprekken gevoerd via telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte] opgenomen en afgeluisterd. Uit afgeluisterde gesprekken bleek dat er mogelijk sprake was van verdovende middelen. [medeverdachte] had hierover veelvuldig contact met een persoon die gebruik maakte van telefoonnummer

*[telefoonnummer]. Na daartoe te zijn gemachtigd door de rechter-commissaris werd het telefoonnummer *[telefoonnummer] ook afgeluisterd.

7.3.2.1 Gebruiker *[telefoonnummer]

Op 7 november 2013 heeft de gebruiker van telefoonnummer *[telefoonnummer] contact met een medewerkster van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Amersfoort. In dit gesprek wordt door de medewerkster gevraagd naar de gegevens van de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer]. De gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] geeft op te zijn genaamd [verdachte], geboren op [1982]. Hij zegt woonachtig te zijn op de [adres]. Een dag later, 8 november 2013, heeft de gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] wederom contact met een medewerker van de afdeling burgerzaken van de gemeente Amersfoort. De gebruiker van het telefoonnummer *[telefoonnummer] geeft wederom als gegevens op:[verdachte], geboren op [1982].2

7.3.2.2 Telefoongesprekken met en verhoor van [A]3

Op 19 oktober 2013 zijn de volgende gesprekken afgeluisterd:

16:55:03 uur

NNMan [telefoonnummer]: Is je been nog steeds gebroken?

NNman [telefoonnummer]: Ja.

NNman [telefoonnummer]: Dus die kleine moet naar jouw toe komen.

NNman [telefoonnummer]: J, op de boerderij ben ik. Er is verder niemand.

NNman [telefoonnummer]: Waar ben je? Bij [B]?

NNman [telefoonnummer]: Ja, ja.

NNman [telefoonnummer]: Ik ga hen nu even bellen. Ik bel je zo terug. Kijken of die in de buurt is.

NNman [telefoonnummer]: Wat kleine biertjes, [A]?

NNman [telefoonnummer]: Ja, ja.

NNman [telefoonnummer]: Oke.4

Hierna belt om 16:56:01 NNman [telefoonnummer] naar [medeverdachte]. In dit gesprek wordt onder meer het volgende besproken:

NNman [telefoonnummer]: Kan je naar buiten?

[medeverdachte]: Naar wie?

NNman [telefoonnummer]: Naar [A], hij is bij boer.

[medeverdachte]: Boerderij.

NNman [telefoonnummer]: Ja, bij de boerderij. Daar gewoon oprijden. Daar is die.

Vervolgens deelt [medeverdachte] mee dat hij over een kwartiertje bij hem is.5

Om 17:04:49 belt NNman [telefoonnummer] naar NNman [telefoonnummer] en deelt dan het volgende mede:

NNman [telefoonnummer]: over een klein kwartiertje, tien minuten is hij bij je.6

Een dag later heeft NNman [telefoonnummer] om 19:45:40 uur weer telefonisch contact met NNman [telefoonnummer]. NNman [telefoonnummer] vraagt dan of die kleine weer even op de boerderij kan langskomen. Nnman [telefoonnummer] zegt dan dat hij met een klein 20 minuten bij hem is.7 Om 19:56:31 belt NNman [telefoonnummer] naar [medeverdachte] en zegt: [A] belde. Hij is bij boer. Kleine 20 minuten. [medeverdachte] antwoord: Ja.8

Tussen 21 oktober en 9 november 2013 vinden er nog meerdere gesprekken plaats tussen Nnman [telefoonnummer] en NNman [telefoonnummer] en NNman [telefoonnummer] en [medeverdachte]. In deze gesprekken wordt onder meer afspraken gemaakt om NNman [telefoonnummer] te ontmoeten en wordt er gesproken over “grote en kleine biertjes”.9

Middels een aanvraag 126na Wetboek van Strafvordering bleek dat het telefoonnummer *[telefoonnummer] op naam te staan van [A].10

Deze [A] is door de politie op 18 november 2013 gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij van beroep agrarisch medewerker is, dat hij cocaïne gebruikt en dat hij al 2 jaar bij dezelfde mensen koopt.11

7.3.2.3 Telefoongesprekken met [F]12

Op 19 oktober 2013 vinden de volgende gesprekken plaats en wordt onder meer het volgende gezegd:

15:12:25 uur

NNman [telefoonnummer]: Kunnen wij over een kwartiertje afspreken of zo.

NNman [telefoonnummer]: Ik ben niet in de buurt. Ik geef mijn kleine broertje van mij. Ik bel je zo terug.13

Een kleine minuut later belt NN [telefoonnummer] naar [medeverdachte] en vraagt of [medeverdachte] naar buiten kan gaan voor [F]. Over 20 minuten op dezelfde plaats.14 Hierna belt NN [telefoonnummer] weer naar NN [telefoonnummer] en zegt dat hij er met een kleine 20 minuten is.15

Op 9 november 2013 heeft NNman [telefoonnummer] weer contact met de gebruiker van *[telefoonnummer] en vraagt dan of hij [verdachte] zo kan zien op de vaste plek bij de c1000. NNman [telefoonnummer] wil drie kleintjes.16

Middels een aanvraag 126na Wetboek van Strafvordering bleek dat het telefoonnummer *[telefoonnummer] op naam te staan van [F]. Uit de politiesystemen bleek dat [F] de gevarencassificatie “harddrugsgebruiker” heeft.17

7.3.2.3 Telefoongesprekken met en verhoor van [C]18

Op 27 oktober 2013 vinden de volgende gesprekken plaats en wordt onder meer het volgende gezegd:

NNman [telefoonnummer] vraagt of NNman [telefoonnummer] wat wil komen drinken bij wit klavertje.

NNman [telefoonnummer] zegt een klein biertje.19

Middels een aanvraag 126na Wetboek van Strafvordering bleek dat het telefoonnummer *[telefoonnummer] op naam te staan van [C].20

Deze [C] is door de politie op 20 november 2013 gehoord. In het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot dit verhoor heeft verbalisant [verbalisant 1] gerelateerd dat aan [C] een tweetal foto’s zijn getoond. Op foto 1 was een afbeelding te zien van [verdachte] en op foto 2 was een afbeelding te zien van [medeverdachte]. [C] heeft toen verklaard dat hij heel af en toe wel eens een pakje cocaïne gebruikt. Van de man op foto 1 heeft hij ooit eens een telefoonnummer gekregen en zodoende kocht hij daar het afgelopen jaar wel eens een pakje. Hij belde dan het telefoonnummer *[telefoonnummer]. Bij deze man bestelde hij dan een pakje en meestal kwam de man van foto 2, die met het bollere gezicht, het pakje brengen. Maar de man kwam ook weleens zelf. Hij bestelde dan een klein biertje en daarmee bedoelde hij dan een sealpakje cocaïne van € 50,-. De bolle jongen van foto 2 kwam dan naar een vaste plek waar wij elkaar altijd ontmoette. Het afgelopen jaar had hij ongeveer 7 á 8 keer een pakje bij deze mannen gekocht.21

7.3.2.4 Telefoongesprekken met en verhoor van [D]22

Op 19 oktober 2013 om 00:18:06 uur ontvangt *[telefoonnummer] een sms bericht van nummer *[telefoonnummer] ([C]) met de tekst: “een vriend van mijn belt je zo”.23 Hierna heeft NNman [telefoonnummer] meerdere telefonische gesprekken met NNman [telefoonnummer]. Onder meer wordt besproken naar het Laakje te komen.24 Vervolgens heeft NNman [telefoonnummer] contact met [medeverdachte] en vraagt hem te gaan naar het Laakje en geeft hem ook het nummer van NNman [telefoonnummer].25 Om 00:45:14 uur heeft [medeverdachte] contact met de gebruiker van *[telefoonnummer]. De gebruiker van *[telefoonnummer] noemt zich dan [D] en zegt dat hij aan de voorzijde van het Laakje staat. Ze spreken vervolgens aan de achterzijde van Starlight af.26 [medeverdachte] heeft om 00:56:00 uur contact met NNman [telefoonnummer] en zegt dan dat hij er 3 wilde hebben.27

Middels een aanvraag 126na Wetboek van Strafvordering bleek dat het telefoonnummer *[telefoonnummer] op naam te staan van [E], geboren op [1958]. Gezien het feit dat de gebruiker zich [D] noemde en een jonge stem had ontstond bij de politie het vermoeden dat de gebruiker van *[telefoonnummer] [D], geboren op [1984], is.28

Deze [D] is door de politie op 2 december 2013 door de politie gehoord. Hij heeft toen verklaard dat het telefoonnummer *[telefoonnummer] zijn nummer is en dat hij dit nummer al jaren in gebruik heeft. Hij gebruikt recreatief cocaïne. Via [C] heeft hij het telefoonnummer van een drugsdealer gekregen. Het nummer was *[telefoonnummer]. Op 19 oktober 2013 omstreeks 00:20 uur had hij dit nummer gebeld en met de man afgesproken bij De Laak te Nijkerk. De man was met een auto gekomen en [D] was bij hem ingestapt. [D] had de man gezegd dat hij twee gram cocaïne wilde hebben. Hierop zei de man dat hij maar één bij zich had. Hierna is hij met de man naar Amersfoort gereden en is de man op de Operaweg gestopt en even uit de auto gestapt. Kort daarna kwam de man terug en gaf hij [D] nog een gram cocaïne. Voor de twee gram cocaïne heeft [D] € 100,- betaald. De cocaïne was verpakt in twee gevouwen witte papiertjes.29

Aan [D] is een foto getoond met een afbeelding van [medeverdachte].30 [D] verklaart dat dit de man is waarvan hij de cocaïne heeft gekocht.31

7.3.2.5 Aantreffen jas en geld

Op 4 november 2013 vond in zowel de woning aan de [adres], zijnde het GBA-adres van [medeverdachte], als de woning aan de [adres], zijnde de woning van diverse familieleden van [medeverdachte] en hoogst waarschijnlijk ook zijn verblijfplaats, onder leiding van de rechter-commissaris doorzoekingen plaats. In laatstgenoemde woning werd [medeverdachte] die dag aangetroffen. Gezien werd dat hij een links in de woning gelegen slaapkamer in ging en onder meer aldaar onder het kussen dat op het onderste bed van het stapelbed lag een telefoon pakte. [medeverdachte] ging even later op het onderste bed van het sapelbed zitten en reikte met zijn hand naar een jas welke aan het hoofdeinde van het bovenste bed hing. Verbalisant [verbalisant 2] deelde [medeverdachte] vervolgens mede dat hij niet in zijn jas mocht gaan zoeken en verder niets meer mee mocht nemen.32 Op deze kamer werd korte tijd later onderzoek verricht en in een daar aan het stapelbed hangende jas werd in een jaszak een plastic zakje met daarin wit poeder, vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. In dezelfde jaszak werden tevens meerdere pakketjes met verpakkingsmateriaal voor vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. Enkele van deze pakketjes waren gevouwen als een enveloppe.33 [medeverdachte] werd onderworpen aan een fouillering en bij hem werd een bedrag van € 545,- aangetroffen en inslaggenomen (10 biljetten van € 50,-, 1 biljet van € 20,-, 2 biljetten van € 10,- en 1 biljet van € 5,-).34 Uit voornoemd wit poeder werd een representatief monster genomen en indicatief getest. De test gaf een positieve reactie op cocaïne.35

7.3.2.6 Verklaring van verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij degene was die het hiervoor weergegeven telefoongesprek voerde met [A].

7.3.3

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde. Op grond van de hiervoor aangehaalde tapgesprekken blijkt dat de afnemers contact legden met het telefoonnummer *[telefoonnummer]. Dat de gebruiker van dit telefoonnummer [verdachte] betreft leidt de rechtbank af uit de door de gebruiker van dit nummer gevoerde gesprekken met de afdeling burgerzaken van de gemeente Amersfoort. In twee op afzonderlijke dagen gevoerde gesprekken stelt de gebruiker van *[telefoonnummer] zich immers voor als [verdachte], met de daarbij behorende gegevens omtrent geboortedatum en adres. Daarnaast zijn zowel [verdachte] als [medeverdachte] door afnemer [C] herkend als de dealers van cocaïne. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het verhoor van [C] is gerelateerd dat foto 1 verdachte betreft en foto 2 zijn medeverdachte [medeverdachte]. Anders dan door de raadsman is betoogd, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van deze op ambtseed opgemaakte bevindingen te twijfelen. Verder heeft [verdachte] ten aanzien van de weergegeven gesprekken met [A] zelf verklaard dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer *[telefoonnummer]. Gelet op dit alles is het aannemelijk dat verdachte ook de andere opgenomen gesprekken met nummer *[telefoonnummer] heeft gevoerd. In meerdere van deze gesprekken wordt gesproken over grote en kleine biertjes. [C] heeft hierover verklaard dat een klein biertje een sealpakje van 1 gram cocaïne betreft van ter waarde van € 50,-. Ten slotte wordt in overweging genomen dat [C] op 20 november 2013 heeft verklaard dat hij het afgelopen jaar ongeveer 7 á 8 keer een pakje bij verdachte en zijn medeverdachte heeft gekocht en dat [A] heeft verklaard dat hij cocaïne gebruikt en dat hij al 2 jaar bij dezelfde mensen koopt.

8 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 16 december 2013 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

9 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

10 Motivering van de straffen en maatregelen

10.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een

- gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank niet tot een integrale vrijspraak komt, verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het reeds ondergane voorarrest. De raadsman heeft er op gewezen dat verdachte zelfstandig op zoek is gegaan naar werk, hij zich heeft ingeschreven voor een woning en hij bij de gemeente schuldsanering heeft geregeld. Het opleggen van zogenaamd reclasseringstoezicht is dan ook niet nodig. Een eventuele nieuwe vrijheidsbeneming zal de positieve resultaten, die inmiddels geboekt zijn, doorkruisen, aldus de raadsman.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander gedurende een periode ruim 10 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne. Cocaïne is een harddrug die schadelijk is voor de gezondheid en bovendien sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Uit de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 2 mei 2014 blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen.

Namens Reclassering Nederland heeft mw. F. Mamedova, reclasseringswerker, over verdachte een rapport d.d. 18 februari 2014 opgesteld. In dit rapport wordt beschreven dat het verdachte op vrijwel alle leefgebieden ontbreekt aan structuur. Zo heeft verdachte geen afgeronde opleiding, heeft hij geen werk en daarnaast is er sprake van schulden. Het probleemoplossende vermogen is bij verdachte nog onvoldoende. Tijdens de totstandkoming van het rapport geeft verdachte aan dat hij hulp van buitenaf nodig heeft voor het realiseren van zijn plannen en dat hij zal meewerken aan toezicht van de reclassering. De reclassering adviseert op dat moment als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ArbeidsVaardigheidstraining (ArVa) op te leggen. Ter terechtzitting van 10 juni 2014 heeft de reclassering aangegeven dat verdachte op dit moment geen hulpvraag heeft en hij inmiddels zelfstandig een uitkering, schuldhulpverlening en een woning heeft aangevraagd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de reclassering thans niet veel meer voor hem kan betekenen en dat hij liever niet meer verplicht contact met de reclassering zou hebben en hij zeker niet zitten te wachten op een twee jaar durend toezicht.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 79 dagen met aftrek, alsmede een werkstraf van 240 uren passend en geboden. De rechtbank heeft bij het bepalen van haar straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Als oriëntatiepunt bij het dealen van harddrugs gedurende een periode van 6 tot 12 maanden wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden genoemd. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte 79 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en hij na zijn schorsing een positieve ontwikkeling lijkt te hebben doorgemaakt. Ook heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte op het gebied van de Opiumwet en met het feit dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat er sprake was van grootschalige handel in harddrugs, maar dat dit dealen, blijkens de bewijsmiddelen, ten aanzien van een beperkte kring van afnemers plaatsvond. De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte meegewogen dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen.

11 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

11.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen, daar het thans een volstrekt ander feit betreft.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

De thans bewezenverklaarde feiten zijn dermate andere feiten dan de aan de vordering tot tenuitvoerlegging ten grondslag liggende feiten dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging in dit geval zal afwijzen.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10 van de Opiumwet.

13 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 79 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 16/014121-12.

Voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mrs. S. Wijna en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2014.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

2013 tot en met 16 december 2013 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013

tot en met 16 december 2013 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet

en/of

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, met proces-verbaalnr.: 2013097793 (onderzoek 094KRAT) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 597 en tapgesprekken 599 en 601.

3 Proces-verbaal bevindingen tapgesprekken [A], pag. 810 t/m 813.

4 Tapgespreksnummer: 288710642, pag. 815.

5 Tapgespreksnummer: 288710644, pag. 816.

6 Tapgespreksnummer: 288710645, pag. 817.

7 Tapgespreksnummer: 288710674, pag. 818.

8 Tapgespreksnummer: 288710676, pag. 819.

9 Tapgesprekken pag. 822 t/m 837.

10 Proces-verbaal van bevindingen pag. 813.

11 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. verhoor [A], pag. 838.

12 Proces-verbaal van bevindingen pag. 879 en 880.

13 Tapgespreksnummer:288710635, pag. 882.

14 Tapgespreksnummer 288710637, pag. 883.

15 Tapgespreksnummer 288710639, pag. 884.

16 Tapgespreksnummer 288795402, pag. 887.

17 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 880.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 893 en 894.

19 Tapgespreksnummer: 288737275, pag. 895.

20 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 894

21 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. verhoor [C], pag. 897 en 898.

22 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 900 t/m 902.

23 Tapgespreksnummer: 288710604, pag. 903.

24 Tapgespreksnummer: 288710615, pag. 905.

25 Tapgespeksnummers 288710616 en 288710619, pag. 907 en 908.

26 Tapgspreksnummer: 288710483, pag. 909.

27 Tapgespreknummer: 288710484, pag. 910.

28 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 901 en 902.

29 Proces-verbaal van verhoor [D], pag. 911 t/m 913.

30 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 914.

31 Proces-verbaal van verhoor [D], pag. 913.

32 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pag. 544 en 545.

33 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen verdovende middelen, pag. 563 en 565.

34 Lijst van inbeslaggenomen goederen, pag. 549 (fouillering [medeverdachte])

35 Proces-verbaal Opiumwet, pag. 808.