Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:255

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
C-16-306950 - HA ZA 11-1037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenoverdracht ter benutting van herinvesteringsreserve (HIR). Geen garantie geschonden door verkoper van de aandelen in dochtervennootschap. Het door de koper overgenomen standpunt van de belastinginspecteur, ingenomen voordat de koper met de belastingdienst een schikking heeft getroffen, dat de HIR al ten behoeve van de winst van de dochtervennootschap van de verkoper was vrijgevallen vóór de aandelenoverdracht, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/306950 / HA ZA 11-1037

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat dr.mr. R.M.P.G. Niessen-Cobben te Eindhoven,

tegen

de vereniging

PAARDENSPORT VERENIGING "HILVERSUM" (P.S.H.),

gevestigd te Almere,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. van Opstal te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en PSH genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 november 2012

  • -

    de akte van uitlatingen van [eiseres] van 12 december 2012

  • -

    de akte van uitlatingen van PSH van 23 januari 2013

  • -

    de akte van uitlatingen van [eiseres] van 20 februari 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst voor de vaststaande feiten naar het tussenvonnis van

14 november 2012. Samengevat komen die feiten op het volgende neer. Door middel van haar dochtervennootschap Drafcentrum Hilversum BV (hierna: het Drafcentrum) exploiteerde PSH een draf- en renbaan in Hilversum. In 1997 heeft de gemeente Hilversum de percelen van deze draf- en renbaan onteigend. Op de in verband met deze onteigening van de gemeente Hilversum ontvangen schadeloosstelling heeft het Drafcentrum een fiscale boekwinst gerealiseerd. In mei 1997 heeft de belastinginspecteur ingestemd met het verzoek van het Drafcentrum om ter zake van deze boekwinst een herinvesteringsreserve (toen nog vervangingsreserve genoemd) te vormen. De herinvesteringsreserve bedroeg € 6.788.469,-. De herinvestering diende in beginsel uiterlijk in 2001 plaats te vinden. In oktober 1997 sloot PSH met de gemeente Almere een intentieovereenkomst tot het realiseren van een draf- en renbaan in Almere. Het was de bedoeling dat de herinvesteringsreserve uiteindelijk zou worden afgeboekt op de investering van het Drafcentrum in die draf- en renbaan. Omdat de onderhandelingen met de gemeente Almere nog liepen heeft de belastinginspecteur in oktober 2001 toestemming verleend voor verlenging van de termijn voor de herinvestering met twee jaar, dus tot en met 31 december 2003. De onderhandelingen tussen PSH en de gemeente Almere verliepen traag. In oktober 2002 heeft PSH haar businessplan bij de gemeente Almere ingediend. Aanvankelijk ging de gemeente Almere ervan uit dat de besluitvorming over de nieuwe renbaan in december 2002 kon worden afgerond. Die termijn is niet gehaald. In juni 2003 deelde de gemeente Almere aan PSH mee dat de gemeenteraad waarschijnlijk pas in oktober 2003 tot besluitvorming zou overgaan. Ook die termijn is niet gehaald.

2.2.

Tijdens de algemene ledenvergadering van PSH van 15 december 2003 is in verband met het verloop van de onderhandelingen met de gemeente Almere gesproken over een aantal mogelijkheden, waaronder het opnieuw vragen van uitstel aan de belastinginspecteur. Een andere optie was dat het Drafcentrum vastgoedparticipaties zou kopen van de Nawongroep, met afboeking van de herinvesteringsreserve op de koopsom en met aansluitend de verkoop en levering van de aandelen in het Drafcentrum door PSH aan[eiseres] (die onderdeel uitmaakt van de Nawongroep). Voor deze laatste optie is tijdens voornoemde vergadering uiteindelijk gekozen. Op 31 december 2003 zijn deze transacties uitgevoerd en is op de fiscale balans van het Drafcentrum de herinvesteringsreserve ter waarde van € 6.788.469,- afgeboekt op de investering in de vastgoedparticipaties. In februari 2007 heeft de belastingdienst aan het Drafcentrum een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003 opgelegd (hierna: de Vpb-aanslag 2003). Daarbij is de belastinginspecteur ervan uitgegaan dat de afboeking van de herinvesteringsreserve op de investering in de vastgoedparticipaties ten onrechte had plaatsgevonden en dat die herinvesteringsreserve in plaats daarvan was vrijgevallen ten behoeve van de fiscale winst, met een aanzienlijke hogere heffing van vennootschapsbelasting tot gevolg. De Nawongroep heeft vervolgens bezwaar aangetekend tegen die aanslag en tegen aanslagen die waren opgelegd aan andere groepsvennootschappen.

2.3.

Bij conclusie van dupliek heeft PSH aangevoerd dat, anders dan aanvankelijk werd aangenomen, de bezwaarprocedure tegen de Vpb-aanslag 2003 was voortgezet en dat[eiseres] nog in afwachting was van een beslissing op dat bezwaar. In het tussenvonnis van 14 november 2012 heeft de rechtbank overwogen dat zij het voornemen had om de procedure op te schorten in afwachting van een onherroepelijke beslissing op bezwaar of van de fiscale rechter en heeft zij beslist dat [eiseres] in de gelegenheid zou worden gesteld zich daarover uit te laten.

2.4.

Uit de akte van [eiseres] van 12 december 2012 blijkt dat de Nawongroep een schikking heeft getroffen met de belastingdienst, die is bevestigd in een vaststellingsovereenkomst van 9 augustus 2012. Van die schikking maakt deel uit de Vpb-aanslag 2003. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst heeft de belastinginspecteur bij beschikking van 12 oktober 2012 het bezwaar tegen de Vpb-aanslag 2003 afgewezen. In verband met de getroffen schikking is tegen die beslissing geen beroep ingesteld bij de belastingrechter. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de vorderingen van [eiseres] thans inhoudelijk moet beoordelen.

2.5.

[eiseres] neemt het standpunt in dat PSH de garanties die in de koopovereenkomst zijn opgenomen in de premisses 8, 9, 10 sub e en f en in de artikelen 2 sub B2, sub C8 en 5 lid 3 heeft geschonden. Voor de tekst van deze bepalingen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 14 november 2012 (zie 2.17). In verband hiermee betoogt [eiseres] dat op het moment van levering van de aandelen in het Drafcentrum (op 31 december 2003) geen herinvesteringsreserve meer in het Drafcentrum aanwezig was omdat het stellige voornemen tot herinvesteren al eind 2002, althans voor 31 december 2003, was vervallen. Ter onderbouwing hiervan beroept [eiseres] zich op het primaire standpunt dat de belastingdienst heeft ingenomen (zie hierna).

2.6.

PSH voert hiertegen aan dat de herinvesteringsreserve in het Drafcentrum aanwezig is geweest tot aan het moment van de koop van de vastgoedparticipaties omdat zij tot dat moment een voornemen tot herinvesteren heeft gehad. Het door de belastinginspecteur ingenomen standpunt is volgens PSH onjuist en de Nawongroep had de Vpb-aanslag 2003 buiten de schikking met de belastinginspecteur moeten houden en het standpunt van de belastingdienst moeten (blijven) bestrijden, in welk geval die aanslag zou zijn vernietigd. Door dit niet te doen heeft [eiseres] een op haar rustende schadebeperkingsplicht geschonden. Hoewel [eiseres] niet duidelijk heeft gemaakt welk deel van de door de Nawongroep met de belastingdienst getroffen schikking betrekking heeft op de Vpb- aanslag 2003, moet dat bedrag voor rekening blijven van [eiseres], aldus PSH.

2.7.

PSH betoogt voorts dat de belastinginspecteur in de brief van 22 november 2010 zijn pijlen (meer subsidiair) ook heeft gericht op artikel 15e Vpb (thans artikel 12a Vpb). Als het beroep op die bepaling in een eventuele procedure bij de belastingrechter was gehonoreerd, zou de daaruit voortvloeiende belastingheffing contractueel in ieder geval voor rekening van [eiseres] zijn gekomen. De rechtbank gaat er van uit dat PSH hierbij doelt op de derde zin van artikel 5 lid 3 van de koopovereenkomst, inhoudende dat door PSH geen garantie wordt gegeven met betrekking tot het adequaat benutten van de herinvesteringsreserve en/of op artikel 1 lid 3,c, waarin is bepaald dat ter vaststelling van het zichtbaar eigen vermogen van het Drafcentrum geen rekening wordt gehouden met de vennootschapsbelasting die verschuldigd zou kunnen worden op grond van artikel 15e Vpb. In ieder geval heeft [eiseres] het verweer dat de te heffen belasting bij toepassing van artikel 15e Vpb contractueel voor rekening van [eiseres] zou zijn gekomen, niet weersproken. Wel voert zij aan dat de wijze waarop in dit geval vorm is gegeven aan de verschillende rechtshandelingen, en met name de volgorde van de transacties die op

31 december 2003 hebben plaatsgevonden, toepassing van artikel 15e Vpb (een anti-misbruikbepaling) voorkomt. Voorts betoogt zij dat artikel 15e Vpb niet had kunnen worden toegepast omdat de herinvesteringsreserve eind 2002 al niet meer aanwezig was. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank (de mogelijke gevolgen van toepassing van) artikel 15e Vpb bij de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] buiten beschouwing laten.

2.8.

Met betrekking tot de vraag of het voornemen tot herinvestering al was vervallen voordat het Drafcentrum overging tot de koop van de vastgoedparticipaties, overweegt de rechtbank als volgt.

2.9.

Het primaire standpunt van de belastinginspecteur over het voornemen tot herinvestering is in de brief van 22 november 2010 als volgt verwoord (zie ook 2.24 van het tussenvonnis van 14 november 2012):

“Ik heb mij op het standpunt gesteld dat er ultimo 2002 geen vervangingsvoornemen meer bestond. Dat standpunt huldig ik nog steeds en wel om de volgende redenen.

1. Een vervangingsvoornemen in de zin van de fiscale vervangingsreserve dient niet alleen in algemene zin te bestaan, maar dient ook realiseerbaar te zijn binnen de kaders van deze fiscale faciliteit. Al vanaf 1997 was de belastingplichtige in gesprek met de gemeente Almere over een binnen die gemeente te realiseren renbaan. De besluitvorming door de gemeente verliep uitermate traag en moeizaam. Uit de door u overgelegde correspondentie tussen de Paardensportvereniging Hilversum Alkmaar (“PSHA”) en de gemeente Almere blijkt het volgende.” (…) De gemeente zou daar voor het einde van het jaar 2002 een beslissing op nemen. Men was toen al meer dan zes jaar met elkaar “in gesprek”. Uit het feit dat de gemeente ook toen weer geen gevolg gaf aan haar toezeggingen en er ultimo 2002 geen enkel besluit was genomen had de PSHA, als bestuurder van de belastingplichtige, de conclusie kunnen (en moeten) trekken dat het redelijkerwijs van een vervanging voor eind 2003 niet meer zou komen. Daarvoor was immers niet alleen noodzakelijk dat de gemeente Almere een goedkeurend besluit zou nemen (een besluit dat al meer dan zes jaar op zich liet wachten) maar ook dat tot een effectieve vervangingsinvestering zou worden overgegaan. Kortom, voor zover er al een vervangingsvoornemen was dan kwalificeerde dat niet (meer) als een voornemen in de zin van de fiscale vervangingsreserve, een voornemen dat immers ultimo 2003 zou moeten zijn gerealiseerd. (…)”

2.10.

Dit standpunt van de belastinginspecteur, dat door [eiseres] is overgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Dit wordt hierna toegelicht.

2.11.

De in 1997 gesloten intentieovereenkomst was gericht op de realisatie van een draf- en renbaan en eind 2002 waren onderhandelingen daarover nog steeds gaande. De gemeente Almere was er aanvankelijk van uitgegaan dat de besluitvorming over de nieuwe renbaan in december 2002 kon worden afgerond, maar die termijn werd niet gehaald. Het Drafcentrum kon er daarom eind 2002 nog vanuit gaan dat de gemeente Almere in de loop van 2003 het groene licht zou geven voor de realisatie van de draf- en renbaan. Gelet op deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat het voornemen om te investeren in de draf- en renbaan in Almere eind 2002 nog steeds bestond.

2.12.

Ook de omstandigheid dat de gemeente Almere, in afwijking van wat zij had meegedeeld, in oktober 2003 nog geen besluit had genomen over de draf- en renbaan leidt niet tot de conclusie dat het voornemen tot herinvestering in een nieuwe draf- en renbaan toen is vervallen. In de brief van 5 oktober 2001 van de belastinginspecteur, waarin hij zich akkoord heeft verklaard met een verlenging van de lopende herinvesteringstermijn, staat het volgende:

“(…) Ik ga ervan uit dat een verlenging van de termijn met twee jaar voldoende moet zijn. Na afloop van deze twee jaar dient dan opnieuw beoordeeld te worden of het voornemen tot vervanging nog altijd aanwezig is. (...)”

2.13.

Uit deze brief blijkt dat de belastinginspecteur niet als voorwaarde heeft gesteld dat de herinvestering in de draf- en renbaan eind 2003 (volledig) had moeten zijn gerealiseerd. Uit de omstandigheid dat de belastinginspecteur in oktober 2001 heeft meegedeeld dat na afloop van de verlenging opnieuw beoordeeld moest worden of het voornemen tot vervanging nog aanwezig was blijkt bovendien dat de belastinginspecteur de mogelijkheid van een tweede verlenging niet heeft uitgesloten. Eén van de opties die op de ledenvergadering van 15 december 2003 aan de orde is gekomen was het opnieuw uitstel vragen aan de belastinginspecteur en dat was, gelet op de hiervoor geciteerde brief van de belastinginspecteur van 5 oktober 2001, een reële mogelijkheid.

2.14.

Aangezien tijdens de vergadering van 15 december 2003 uiteindelijk is gekozen voor een andere optie (zie 2.2) is het investeringsvoornemen in de draf- en renbaan in Almere op dat moment weliswaar vervallen, maar daarvoor is direct aansluitend een nieuw vervangingsvoornemen in de plaats gekomen. Toen is immers besloten tot de koop van de vastgoedparticipaties. Deze wijziging van het vervangingsvoornemen was toelaatbaar. In beginsel geldt ter zake van vastgoed op grond van artikel 3.54 lid 4 Wet IB 2001 dat het vervangende bedrijfsmiddel dezelfde economische functie in de onderneming van de belastingplichtige (het Drafcentrum) moet hebben als het vervreemde bedrijfsmiddel (de renbaan in Hilversum). Deze eis is echter versoepeld in het destijds geldende negende lid van die bepaling, ingeval de herinvesteringsreserve voortkomt uit de vervreemding van een bedrijfsmiddel door overheidsingrijpen. Overheidsingrijpen omvat onteigening, waarvan in dit geval sprake is. Het Drafcentrum mocht daarom op grond van deze uitzonderingsbepaling voor de toepassing van de herinvesteringsreserve herinvesteren in de vastgoedparticipaties. De conclusie luidt dan ook dat het Drafcentrum tot het moment van de koop van de vastgoedparticipaties het vervangingsvoornemen met betrekking tot de herinvesteringsreserve heeft gehandhaafd.

2.15.

Anders dan [eiseres] betoogt had de herinvesteringsreserve dus niet (in elk geval) in 2003 ten gunste van de belastbare winst moeten vrijvallen, op de grondslag dat het vervangingsvoornemen niet meer bestond. Onjuist is dan ook de stelling van [eiseres] dat de overdrachtbalans van 15 december 2003 geen getrouw beeld geeft van de grootte en samenstelling van het zichtbaar eigen vermogen van het Drafcentrum per die datum en dat de daarop vermelde latente belastingverplichtingen onjuist zijn. Evenmin heeft te gelden dat per 31 december 2003 op het Drafcentrum andere verplichtingen rustten dan die welke op de overdrachtsbalans zijn vermeld, dan wel welke zijn omschreven in premisse 10. Het voorgaande brengt mee dat PSH geen van de door haar gegeven garanties heeft geschonden, zodat het standpunt van [eiseres], dat PSH tekort is geschoten in de nakoming van op haar uit hoofde van de koopovereenkomst rustende verplichtingen, wordt verworpen. [eiseres] heeft dus geen recht op schadevergoeding en haar vorderingen zullen worden afgewezen.

2.16.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PSH worden begroot op:

- griffierecht 3.537,00

- salaris advocaat 11.238,50 (3,5 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal €  14.775,50

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van PSH tot op heden begroot op € 14.775,50,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan, mr. R.A. Steenbergen en mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.1

1 type: JvdB4223