Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2498

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
16-661062-14 en bijgeveogd 16-652206-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor diefstal, poging tot diefstal en belediging van ambtenaar in functie. Veroordeling tot gevangenisstraf van 23 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661062-14 en bijgevoegd 16/652206-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 juni 2014.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats],

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014 en op 5 juni 2014. De verdachte is beide keren niet verschenen. Ter zitting was aanwezig zijn raadsman

mr. A.W. Syriër, die door hem bepaaldelijk is gemachtigd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

2 Tenlasteleggingen

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(parketnummer 661062-14) feit 1:levensmiddelen heeft gestolen bij AH in Amsterdam op 14 januari 2014; feit 2: heeft geprobeerd te stelen uit een auto op 26 december 2013 te Utrecht, feit 3 primair en 4 primair: heeft geprobeerd in te breken bij winkels op 21 mei 2013 te Utrecht, en subsidiair daar vernielingen heeft aangericht; feit 5: 2 dozen parfum heeft gestolen bij V&D in Utrecht op 12 december 2013; feit 6: 4 flessen parfum heeft gestolen bij de Bijenkorf in Utrecht op 2 januari 2014; feit 7: een agent in functie heeft beledigd op 2 januari 2014;

en

(parketnummer 652206-14): een paar schoenen heeft gestolen bij V&D te Utrecht op 31 maart 2014;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte van het in parketnummer 16/661062-14 onder feit 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en dat de in dit parketnummer onder feit 1, 3 primair, 4 primair, 5, 6 en 7 en het in parketnummer 16/652206-14 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is op grond van de in de dossiers aanwezige bewijsmiddelen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van het in parketnummer 16/661062-14 onder feit 2 en feit 4 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken en dat voor de overige feiten voldoende bewijs aanwezig is.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende wettige bewijsmiddelen alle ten laste gelegde feiten zoals hierna vermeld bewezen kunnen worden verklaard.

Met betrekking tot het in parketnummer 16/661062-14 ten laste gelegde:

Feit 1:

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

De rechtbank heeft daarbij gelet op:

- de door [aangever 1] namens de benadeelde Albert Heijn gedane aangifte;2

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1];3

- de verklaring van verdachte in de raadkamer d.d. 27 januari 2014 dat hij is gaan stelen omdat het koud was.4

Feit 2:5

-verbalisant [verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven gerelateerd:

Op 26 december 2013 omstreeks 02.12 uur ontving ik de opdracht te gaan naar de Predikherenkerkhof in Utrecht. Aldaar zou een voertuig staan voorzien van het kenteken [kenteken]. Hier hadden de medewerkers van cameratoezicht gezien dat er een man in het voertuig aan het ‘rommelen’ was. Ik zag dat het voertuig geen sporen van braak of verbreking vertoonde. Ik zag dat het dashboardkastje geopend was. Ik zag dat de auto niet op slot stond: de slotpinnen in de deur stonden omhoog.6

-aangever [aangever 2] heeft – zakelijk weergegeven- verklaard:

Op 25 december 2013 heb ik mijn auto BMW met kenteken [kenteken] geparkeerd op het Predikherenkerkhof te Utrecht. Op 26 december 2013 werd ik door de politie in kennis gesteld dat mijn auto ‘s nachts was opengebroken. Ik heb geen schade geconstateerd. Ik had niets in mijn auto, er is niets weggenomen. Waarschijnlijk heb ik de auto open laten staan. Aan niemand is toestemming gegeven mijn auto te doorzoeken.7

-verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben – zakelijke weergegeven – gerelateerd:

Wij hoorden de verdachte uit zichzelf verklaren; ”de auto zat niet op slot. Ik heb de deur geopend en zocht in de auto naar sigaretten” of woorden van gelijke strekking.8

-verbalisant [verbalisant 5] heeft – zakelijk weergegeven gerelateerd:

Op de Predikherenkerkhof en directe omgeving in de binnenstad van Utrecht zijn bewakingscamera’s aanwezig van de politie Utrecht. Uit de beelden van deze camera’s bleek dat er opnamen waren gemaakt van de vermoedelijke verdachte en de vermoedelijke plaats van het misdrijf. Op de bewegende beelden is om 02.05 uur duidelijk te zien dat er een persoon in de donkerkleurige BMW zit. Het bijrijdersportier gaat open en uit de auto stapt een negroïde man met een capuchon over zijn hoofd, verdachte. Hij loopt enkele meters weg en draait zich weer om in de richting van de donkerkleurige BMW. De verdachte opent het bijrijdersportier en stapt weer in het voertuig. De verdachte gaat op zijn buik over beide stoelen heen liggen. De verdachte verlaat voor de tweede keer het voertuig en loopt in de richting van de Predikherenstraat, waar hij wordt aangehouden.9

Bewijsoverweging:

Zowel de officier van justitie als de raadsman zijn van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. De rechtbank is echter op grond van vorenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de auto doorzocht heeft met het oogmerk om weg te nemen wat van zijn gading was.

Feit 3 en 4:10

-aangever [aangever 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: ik ben eigenaar van [naam], [adres] te Utrecht. Ik doe aangifte van (poging) inbraak. Op 18 mei 2013 heb ik mijn winkel afgesloten. Op 21 mei om 8.30 uur kwam ik bij mijn winkel. Ik zag dat de rechter, glazen schuifdeur van mijn winkel helemaal gebarsten was. Ik zag dat in het midden van de schuifdeur een ronde plek zat, blijkbaar had iemand hier met een soort van hamer tegenaan geslagen. Mijn buurman van de kaaswinkel zei dat ze deze nacht hadden geprobeerd in te breken. Ik zag dat bij hem dezelfde schade was aan de deur als die van mij.11

-verbalisant [verbalisant 6] heeft – zakelijk weergegeven- gerelateerd:

Op 21 mei 2013 werd door mij een forensisch onderzoek verricht in een winkel aan de [adres] te Utrecht. Van de rechterschuifdeur werd het raam met onbekend werktuig ingeslagen. Via het ontstane gat werd gepoogd middels handreiking de deur te ontsluiten. Ik zag dat het raam versplinterd was. Ik zag in het raam een gat. Ik zag aan de buitenzijde een rode ingedroogde substantie. Aan de binnenzijde rond het gat zat ook een rode ingedroogde substantie. Ook zag ik dat deze substantie in de richting van de deurgreep zat. Van deze substantie werd door mij een DNA-bemonstering genomen door middel van een wattenstaafje. Tevens werd de substantie door mij positief getest met een TetraBase-test, een indicatieve test op de aanwezigheid van bloed. De DNA-bemonstering werd door mij voor onderzoek overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het spoor werd door mij gewaarmerkt en op de daartoe geëigende wijze veiliggesteld en voorzien van SIN nummer AAFU1838NL12;

- aangever [aangever 4] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:

Ik ben eigenaar van [naam], [adres] te Utrecht. Ik doe aangifte van (poging) inbraak. Op 18 mei 2013 heb ik mijn winkel afgesloten. Nadat ik de schuifdeuren aan de voorzijde van het pand had afgesloten, heb ik twee houten balken in de looprails aan de onderzijde van de schuifdeuren gelegd. Ik heb het pand aan de achterzijde verlaten en het alarm ingeschakeld. Op 21 mei 2013 omstreeks 05.30 uur werd ik door het beveiligingsbedrijf gebeld. Ik hoorde dat de alarmcode van het glas was afgegaan. Om 6.30 uur kwam ik bij mijn winkel. Ik zag dat de linker schuifdeur over de gehele oppervlakte was versplinterd. Ik zag ook dat in het midden van de linker schuifdeur bloedspetters zaten. Ik zag ook dat bij het bedrijfspand naast mij een ruit was gesplinterd en dat er bloedspetters op zaten.13

-verbalisant [verbalisant 6] heeft – zakelijk weergegeven- gerelateerd:

Op 21 mei 2013 werd door mij een forensisch onderzoek verricht in een winkel aan de [adres] te Utrecht. De winkel was ingericht als kaashandel. Van de linker schuifdeur werd het raam met een onbekend breekwerktuig ingeslagen. Ik zag dat het raam versplinterd was. Ik aan de buitenzijde een rode ingedroogde substantie. Ik zag de rode substantie bij de inslagplek. Van deze substantie werd door mij een DNA-bemonstering genomen door middel van een wattenstaafje. Tevens werd de substantie door mij positief getest met een TetraBase-test, een indicatieve test op de aanwezigheid van bloed. De DNA-bemonstering werd door mij voor onderzoek overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het spoor werd door mij gewaarmerkt en op de daartoe geëigende wijze veiliggesteld en voorzien van SIN nummer AAFU1839NL14;

-NFI-deskundige ing. V.G. Costa heeft –zakelijk weergegeven – verklaard:

Van het DNA in de bemonstering AAFU1839 is een DNA-profiel verkregen dat op 7 juni 2013 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en sindsdien wordt vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking zijn twee matches gevonden. Deze zijn bij het NFI geregistreerd onder DNA-profielcluster 927. Voor de gegevens van deze zaken wordt verwezen naar DNA-profielcluster 927 in de bijlage. Het DNA-sporenmateriaal met de identiteitszegel AAF1839/01 en AAF1838NL/01 uit DNA-profielcluster 927 kan afkomstig zijn van [verdachte].15 De berekende frequentie van het DNA-profiel wordt per spoor aangegeven in de bijlage.

-Het als bijlage gevoegde rapport vermeldt dat de berekende frequentie van het DNA-consensusprofiel 1 op 1 miljard is. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.16

Bewijsoverweging:

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 4 primair ten laste gelegde poging tot inbraak en aangevoerd dat slechts een vernieling bewezen kan worden verklaard, nu alleen aan de buitenkant van het pand een bloedspoor van verdachte is aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat, nu bij het naastgelegen winkelpand aan de binnenzijde in de richting van de deurklink een bloedspoor van verdachte is aangetroffen, waaruit opgemaakt kan worden dat verdachte kennelijk de bedoeling had om naar binnen te gaan, geconcludeerd kan worden dat deze bedoeling bij het naastgelegen pand niet anders zal zijn geweest. De rechtbank is dan ook op grond van de genoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat beide pogingen tot inbraak wettig en overtuigend bewezen zijn.

Feit 5: 17

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.18

De rechtbank heeft daarbij gelet op:

-de aangifte van [aangever 5] namens V&D, [adres] te Utrecht;19

- de verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven - : dat hij naar de winkel van V&D is gegaan omdat hij honger had en twee dozen heeft gepakt die hij wilde verkopen.20

Feit 6:21

-aangever[aangever 6] heeft – zakelijk weergegeven verklaard: Ik doe namens de benadeelde De Bijenkorf te Utrecht aangifte van winkeldiefstal. Op 2 januari 2014 zag ik dat verdachte vier flesjes Lady Million ter waarde van € 269,65 in zijn meegevoerde blauwe plastic AH tas stopte. De verdachte passeerde de kassa’s en begaf zich in de richting van de uitgang.22

-getuige [getuige] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:

Ik ben als stagiaire bedrijfsrechercheur op 2 januari 2014 te werk gesteld bij de Bijenkorf in Utrecht. Op die datum zag ik dat verdachte op de afdeling Cosmetica van de Bijenkorf tweemaal twee goudkleurige doosjes in zijn eigen meegevoerde blauwe plastic AH tas stopte. Ik zag dat verdachte diverse kassa’s passeerde zonder enig artikel ter betaling aan te bieden. Ik zag dat hij zich begaf in de richting van de hoofduitgang. Daar is verdachte aangehouden en vervolgens overgebracht naar de wachtruimtes waar hij desgevraagd en geheel vrijwillig de vier goudkleurige doosjes uit de plastic AH tas haalde en aan ons teruggaf.23

-de verdachte heeft – zakelijk weergegeven - verklaard:

Ik was op zoek naar mijn betaalpasjes en toen heb ik tussentijds de parfums in mijn tas gestopt. 24

Feit 7:

-Verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] hebben – zakelijk weergegeven- gerelateerd:

Wij, verbalisanten [verbalisant 7], hoofdagent van politie te Utrecht, en [verbalisant 8], agent van politie te Utrecht, waren op 2 januari 2014 in uniform gekleed en hadden de opdracht te gaan naar de Sint Jacobsstraat in Utrecht. Aldaar is de Bijenkorf gevestigd en had de beveiliging een verdachte aangehouden ter zake van winkeldiefstal.

Ik, [verbalisant 7], hoorde verdachte zeggen “hoerenkind, laat me naar de WC gaan”. Ik hoorde de verdachte luidkeels schreeuwen :”fuck you kanker. Hoer.” Ik zag dat meerdere medewerkers van de Bijenkorf langs liepen en in onze richting keken.

Terwijl wij, verbalisanten, met verdachte over straat liepen, schreeuwde hij aan een stuk door: ”hoerenkind, mongolen.” Wij zagen dat er diverse omstanders geschokt in onze richting keken. Wij hebben de verdachte ingesloten. Wij hoorden de verdachte meerdere malen luidkeels beledigende uitspraken in onze richting schreeuwen. Wij hoorden dat de verdachte luidkeels schreeuwde: “fuck you kanker.”25

-aangeefster [verbalisant 7] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:

Op 2 januari 2014 was ik in de daadwerkelijke uitvoering van mijn ambt aanwezig in het filiaal van de Bijenkorf in Utrecht. Daar werd door mij een verdachte overgenomen die kort daarvoor was aangehouden als verdachte van winkeldiefstal. Ik zag en hoorde ik dat [verdachte] in mijn richting keek en daarbij op niet mis te verstane wijze de woorden riep: ”hoerenkind en mongolen”. Bij aankomst in het bureau zag ik dat [verdachte] in mijn richting keek en hoorde ik dat hij zei: “fuck you kanker”. Ik voelde mij door zijn gedrag beledigd en in mijn goede naam en eer aangetast.26

-de verdachte heeft - zakelijk weergegeven- verklaard: “ik heb iets geroepen. Ik zei je bent een boer”.27

Met betrekking tot het in parketnummer 16/652206-14 ten laste gelegde: 28

- aangever [aangever 7] heeft namens de benadeelde V&D, [adres] te Utrecht – zakelijk weergegeven - verklaard:

Ik doe aangifte van diefstal van een paar schoenen ter waarde van € 139,95. Ik ben beveiliger bij V&D. Op 31 maart 2014 omstreeks 17.10 uur zag ik dat verdachte op de 1e etage bij de schoenenafdeling liep. Ik zag dat hij een plastic tas bij zich had. Ik zag dat hij schoenen pakte en die in zijn plastic tas deed. Ik liep de verdachte voorbij en ik zag dat hij met een sprint van de roltrap in de V&D rende. Ik ging achter verdachte aan. Ik zag dat hij de plastic tas met daarin de schoenen over de alarmpoort heen haalde. Ik heb de verdachte na bekendmaking van mijn functie aangehouden.29

-verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] hebben – zakelijk weergegeven – gerelateerd: Op 31 maart 2014 omstreeks 17.30 uur kregen wij de opdracht te gaan naar de[adres] te Utrecht alwaar een verdachte van winkeldiefstal zou zijn aangehouden door de beveiliging. Wij waren omstreeks 17.50 uur ter plaatse. Ik, verbalisant [verbalisant 10], zag dat er een paar damesschoenen nabij de verdachte stonden. Ik hoorde van de medewerkers van de beveiliging dat de verdachte had geprobeerd deze schoenen weg te nemen.30

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 ten laste gelegde:

feit 1:

hij op 14 januari 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen waaronder een saucijzenbroodje en twee repen chocolade en twee donuts, ter waarde van in totaal 10,80 euro, toebehorende aan Albert Heijn;

feit 2:

hij op 26 december 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto BMW [kenteken] weg te nemen goederen van zijn gading, toebehorende aan [aangever 2], is verdachte naar voornoemde auto gegaan en heeft zich toegang tot die auto verschaft en heeft voornoemde auto doorzocht, terwijl de uitvoering van voornoemd misdrijf niet is voltooid;

feit 3 primair:

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand (genaamd: [naam]) gelegen aan de [adres] weg te nemen

geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan het winkelbedrijf [naam] en/of[aangever 3], en zich daarbij de toegang tot voornoemd winkelpand te verschaffen door middel van braak, met een (breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, het raam van de (rechter) schuifdeur van voornoemd winkelpand heeft geforceerd en vervolgens heeft getracht richting de (binnenzijde van de) deurgreep te

grijpen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 4 primair:

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand (genaamd: [naam]) gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan winkelbedrijf

[naam] en/of [aangever 4], en zich daarbij de toegang tot voornoemd winkelpand te verschaffen door middel van braak met een

(breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, heeft

getracht het raam van de (linker) schuifdeur van voornoemd winkelpand te

forceren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 5:

hij op 12 december 2013 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkelpand, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen twee dozen parfum, toebehorende aan Vroom & Dreesman;

feit 6:

hij op 02 januari 2014 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen vier (4) flessen/flacons parfum (merk/type Lady Million),

ter waarde van in totaal 269,65 euro, toebehorende aan de Bijenkorf;

feit 7:

hij op 02 januari 2014 te Utrecht, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 7]

, hoofdagent van politie Utrecht, gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Hoer" en "fuck you kankerhoer" en "hoerenkind" en "mongolen"", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

ten aanzien van het in parketnummer 16/652206-14 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 31 maart 2014 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een paar schoenen, toebehorende aan winkelbedrijf V & D;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 1, 5, 6, en 7 en het in parketnummer 16/652206-14 ten laste gelegde:

telkens: diefstal;

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde:

telkens: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 2 ten laste gelegde:

Poging tot diefstal

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Bij de stukken in het dossier bevindt zich een pro justitia rapport betreffende verdachte d.d. 21 maart 2014 van D.C.W.H. Naus, psychiater, en een pro justitia rapport d.d. 24 maart 2014 van mw. drs. S.C. Beeckman, gz-psycholoog. Hierin komt, voor zover op deze plaats van belang, naar voren dat betrokkene lijdt – en ook tijdens het ten laste gelegde lijdende was – aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een afhankelijkheid van cocaïne en cannabis. De stoornis heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in enige mate beïnvloed: hij is minder dat de gemiddelde ander in staat zijn impulsen te beheersen, zich in te leven in de gevolgen van zijn daden voor de ander, zich te conformeren aan maatschappelijke normen, en te overzien wat de consequenties van zijn daden zijn. Dit beperkt hem in de keuzemogelijkheden ten aanzien van zijn gedrag. De ziekelijke stoornis draagt eveneens bij aan het creëren van een situatie waarin hij uiteindelijk, mits bewezen verklaard, komt tot het plegen van een delict. Geadviseerd wordt verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde als (enigszins) verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt dit advies over en maakt de conclusie tot de hare.

Voormelde rapportage is opgemaakt naar aanleiding van het onder 1. ten laste gelegde. Op grond van voorgaande beschrijving van de persoon van de verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat de persoonlijkheidsstoornis eveneens aanwezig was ten tijde van en van invloed was op de overige bewezen verklaarde feiten.

Gelet op het voorgaande kunnen de feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat hij, zij het in enigszins verminderde mate, strafbaar is voor zijn daden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar.

De verdediging heeft de conclusie niet weersproken.

De officier van justitie heeft de conclusie overgenomen.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in parketnummer 16/661062-14 onder 1, 3 primair, 4 primair, 5, 6, en 7 en het onder parketnummer 16/652206-14 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot

een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest - in zijn berekening 59 dagen - en oplegging van de ISD-maatregel, voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden van onder meer klinische opname en behandeling zoals door reclassering Victas is voorgesteld.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit geen voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, omdat het eerder is misgegaan en het een keurslijf is waarin nauwelijks maatwerk geleverd kan worden. Het is niet eerder geprobeerd om zijn cliënt te behandelen. Hij bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis en oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is voorgesteld.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte maakt zich zeer frequent en langdurig schuldig aan het plegen van strafbare feiten, met name vermogensdelicten. De last en schade voor de slachtoffers is aanzienlijk.

Het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 april 2014 telt inmiddels 44 pagina’s.

In het pro justitia rapport d.d. 24 maart 2014 van mw. drs. S.C. Beeckman, gz-psycholoog wordt geconcludeerd dat verdachte een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis heeft en lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van cocaïneafhankelijkheid en cannabisafhankelijkheid. Er zijn tevens aanwijzingen voor ADHD. Een eerder ISD traject heeft niet geleid tot daadwerkelijk veranderen van gedragspatronen. Gelet op de lange delict- en verslavingsgeschiedenis van verdachte is de risicoprognose ongunstig. Er is geen reden om aan te nemen dat bij ongewijzigde situatie hij in staat is zijn gedrag te veranderen en niet meer te recidiveren. De zorgprognose is eveneens ongunstig. Hij vertoont nauwelijks zelf- dan wel probleeminzicht en bagatelliseert zijn middelenproblematiek. Alleen na langdurige middelenabstinentie kan worden ingezet op het verkrijgen van enig inzicht in zijn problematiek en het aanleren van probleemoplossende vaardigheden. Ook dient er aandacht te zijn voor zijn maatschappelijke problemen. Er worden twee opties genoemd om nog enig beïnvloeding mogelijk te maken: een klinische opname, bij voorkeur in een FPA met kennis en ervaring op gebeid van verslavings-en persoonlijkheidsproblematiek, met oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht ofwel een hernieuwde ISD-maatregel waarbij tevens de route via FPA dient te lopen.

Het Pro justitia rapport d.d. 21 maart 2014 van D.C.W.H. Naus, psychiater is grotendeels in overeenstemming met het rapport van voornoemde psycholoog. Er wordt eveneens geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. Er is al vanaf jonge leeftijd sprake van delinquent gedrag, waarbij opvalt dat verdachte nooit enige verantwoordelijkheid heeft genomen om dit te veranderen, en in de loop van de tijd daardoor steeds verder gedemoraliseerd en gepsychopathiseerd is.

Omdat een klinische opname niet eerder is geprobeerd, wordt geadviseerd dit een kans te geven. Om de kans van slagen van deze optie te vergroten, zal idealiter een passende huisvesting al in een vroeg stadium van de behandeling in zicht moeten komen, omdat dit de behandelmotivatie van verdachte waarschijnlijk zal vergroten.

In het Reclasseringsadvies van Victas d.d. 26 maart 2014 opgesteld door mw. N. de Leeuw, reclasseringswerker, wordt verdachte omschreven als een veelpleger. Hij heeft in 2011 de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Er is een lopend reclasseringstoezicht maar vanwege zorgmijdend gedrag, recidive en diverse korte detenties is er van enig constructief gedrag met de reclassering nauwelijks sprake geweest. Verdachte heeft een uitgebreide woongeschiedenis achter de rug. Op 28 oktober 2013 is hem een woning aangeboden. Direct na bezichtiging daarvan heeft verdachte het contact met de casemanager verbroken, waardoor praktische zaken niet voltooid konden worden en het aanbod is geannuleerd. Hij heeft LTS gedaan maar geen diploma gehaald. Hij zou nu gemotiveerd zijn om te werken maar zijn geschiedenis en gebrek aan opleiding en werkervaring maken hem slecht bemiddelbaar. Hij heeft een daklozenuitkering van de gemeente Utrecht. Na de ISD was hij schuldenvrij maar nu zijn er weer openstaande boetes ad € 600,-. Verdachte gebruikt drugs, met name cocaïne. Verdachte is nooit klinisch in behandeling geweest omdat hij groepsongeschikt is en voorheen niet gemotiveerd was voor opname. Tijdens ISD-opname heeft hij een leefstijltraining over terugval in middelengebruik en delict gedrag gevolgd. Hij zegt een abstinent leven na te streven, maar acht passende woonruimte daarbij essentieel. Er is sprake van langdurige, forse delict gerelateerde harddrugsverslaving, hij heeft geen vaste woon- of verplaatsplaats, geen vorm van dagbesteding en het ontbreekt hem aan steunbronnen. Het recidiverisico is hoog evenals de kans op het zich onttrekken aan voorwaarden. Er is risico op letselschade voor willekeurige personen.

Geadviseerd wordt aan verdachte een meldplicht, opname in zorginstelling voor klinische behandeling en (daarna) opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang op te leggen.

Mevrouw De Leeuw heeft ter zitting mondeling aangegeven dat inmiddels een indicatiestelling van de afdeling IFZ van het NIFP is gekregen voor opname van verdachte voor de duur van maximaal 12 maanden in de Pieter Roordakliniek, welke kliniek gespecialiseerd is in de behandeling van mensen met verslaving, persoonlijkheidsproblemen en delict gedrag. Opname kan geschieden binnen 3 maanden, indien het als bijzondere voorwaarde in het vonnis wordt opgenomen. Aansluitend zou een kleinschalig begeleid-wonen project het beste zijn voor verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd op de wijze zoals hierna vermeld.

De rechtbank is het eens met de officier van justitie, daar waar het gaat om het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis en het opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is voorgesteld. De rechtbank komt na berekening op een aantal van 63 dagen (9 weken) voorlopige hechtenis. De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat aan de bijzondere voorwaarden geen voorwaardelijke ISD-maatregel moet worden gekoppeld. Gelet op het verloop van de vorige ISD-maatregel, is verdachte naar het oordeel van de rechtbank thans meer gebaat bij de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, welke variant ook de voorkeur heeft van de reclassering. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat een klinische opname niet eerder is geprobeerd en dat verdachte heeft gezegd daartoe gemotiveerd te zijn. De rechtbank zal als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 23 weken. Gelet op de omstandigheid dat een langdurig traject in het verschiet ligt, zal de rechtbank hieraan een proeftijd van 3 jaar koppelen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 266, 267, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 1, 5, 6, en 7 en het in parketnummer 16/652206-14 ten laste gelegde:

telkens: diefstal;

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde:

telkens: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 2 ten laste gelegde:

Poging tot diefstal

Ten aanzien van het in parketnummer 16/661062-14 onder 7 ten laste gelegde:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 23 weken, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Victas, Centrum voor verslavingszorg, op het adres A.B.C.-straat 5 te Utrecht (telefoonnummer 030-2340034). Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Victas blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt.

  2. zich gedurende de eerste 12 maanden van de proeftijd laat opnemen in de Pieter Roordakliniek, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

  3. Veroordeelde moet aansluitend daarop gedurende de proeftijd verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en moet zich houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Geeft opdracht aan Victas om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. de Stigter, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en S. Wijna, rechters,

in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2014.

BIJLAGE : De tenlasteleggingen

16/661062-14:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2014 te Amsterdam, althans in het arrondissement

Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een hoeveelheid levensmiddelen waaronder een saucijzenbroodje en/of twee repen

chocolade en/of twee donuts (ter waarde van in totaal 10,80 euro), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(661062-14)

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij

op of omstreeks 26 december 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (BMW [kenteken])

weg te nemen goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde auto te verschaffen

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel

van braak, verbreking en/of inklimming

is verdachte naar voornoemde auto gegaan en/of heeft zich toegang tot die auto

verschaft en/of heeft voornoemde auto doorzocht

terwijl de uitvoering van voornoemd misdrijf niet is voltooid;

(655153-13)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

Primair

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkelpand

(genaamd: [naam]) gelegen aan de [adres] weg te nemen

geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan

het winkelbedrijf [naam] en/of [aangever 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemd winkelpand

te verschaffen en / of die / dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn

bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met een

(breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, het raam van

de (rechter) schuifdeur van voornoemd winkelpand heeft geforceerd en/of

(vervolgens) heeft getracht richting de (binnenzijde van de) deurgreep te

grijpen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Artikel 311 lid 1 onder ahf 5 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk

het raam van een schuifdeur van een winkelpand (genaamd: [naam])

gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan het winkelbedrijf [naam] en/of [aangever 3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd

en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk

met een (breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, het

raam van de (rechter) schuifdeur van voornoemd winkelpand te forceren;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Primair

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een winkelpand

(genaamd: [naam]) gelegen aan de[adres] weg te nemen

goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf

[naam] en/of [aangever 4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemd winkelpand

te verschaffen en / of die / dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn

bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met een

(breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, heeft

getracht het raam van de (linker) schuifdeur van voornoemd winkelpand te

forceren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(Artikel 311 lid 1 onder ahf 5 jo. 45 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk het raam van een schuifdeur

van een winkelpand (genaamd: [naam]) gelegen aan de [adres]

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf

[naam] en/of [aangever 4], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of

onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een

onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een

(breek)werktuig, in elk geval met een dergelijk (hard) voorwerp, het raam van

de (linker) schuifdeur van voornoemd winkelpand te forceren;

(661875-13)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij

op of omstreeks 12 december 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

(winkel)pand, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen twee dozen parfum, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vroom & Dreesman, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(655130-13)

art 310 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 02 januari 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen vier (4) flessen/flacons parfum (merk/type Lady Million), althans

een (grote) hoeevelheid parfum (ter waarde van in totaal ongeveer 269,65

euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de

Bijenkorf, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 02 januari 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 7]

(hoofdagent van politie Utrecht), gedurende en / of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van haar bediening, voornoemd [verbalisant 7] in diens / dier

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Hoer" en/of "fuck you

kankerhoer" en/of "hoerenkind" en/of "mongolen"", althans woorden van gelijke

beledigende aard en / of strekking;

(652005-14)

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

16/652206-14:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 31 maart 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een paar schoenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan winkelbedrijf V & D, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer 2014011520 d.d. 14 januari 2014 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte, pagina 1-3;

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 4-5;

4 Proces-verbaal van onderzoek in raadkamer van rechtbank Midden-Nederland d.d. 27 februari 2014;

5 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer PL091A-2013290941 d.d. 26 december 2013 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 14;

7 Proces-verbaal van aangifte, achter pagina 23;

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 13;

9 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 18-21;

10 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer PL091A-2013165645 z met sluitingsdatum 15 augustus 2013 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

11 Proces-verbaal vaan aangifte, pagina 9;

12 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 11-12;

13 Proces-verbaal van aangifte, pagina 19;

14 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 22-23;

15 NFI-rapport, pagina 13-14;

16 Bijlage bij het NFI-rapport pagina 16-17;

17 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummerPL0910-2013280263 d.d. 12 dec 2013 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

18 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer 2014011520 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

19 Aangifteformulier pagina 4-8;

20 Proces-verbaal verhoor verdachte pagina 12;

21 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer PL091A-2014005511 z d.d. 7 januari 2014, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

22 Aangifteformulier pagina 6-13;

23 Getuigenverklaring pagina 16-17;

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte pagina 24;

25 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen in het onder noot 21 vermelde proces-verbaal, pagina 3-4;

26 Proces-verbaal van aangifte, opgenomen in het onder noot 21 vermelde proces-verbaal, pagina 18-19;

27 Proces-verbaal verhoor verdachte, opgenomen in het onder noot 21 vermelde proces-verbaal, pagina 25, 26;

28 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met proces-verbaalnummer PL0910-2014074742 d.d. 2 april 2014, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen

29 Aangifteformulier, opgenomen in het onder voetnoot 27 vermelde proces-verbaal, pagina 6-10;

30 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen in het onder voetnoot 27 vermelde proces-verbaal, pagina 17.