Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2462

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
C-16-370096 - FA RK 14-3564
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om verlening voorlopige machtiging. De Rechtbank verleent voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in GGZ Centraal of in een ander psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/370096 / FA RK 14-3564

Voorlopige machtiging

Beschikking van 16 juni 2014

op het verzoek van de officier van justitie van 28 mei 2014 tot het verlenen van een voorlopige machtiging om het verblijf van:

[betrokkene],

geboren op [1999],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in GGZ Centraal, [locatie], te [plaats],

in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

De rechtbank heeft kennis genomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 26 mei 2014 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ), alsmede de in artikel 37a van de Wet BOPZ bedoelde aantekeningen en het behandelingsplan en een verslag van de stand van uitvoering daarvan.

De rechtbank heeft gehoord:

- de betrokkene,

- mr. J.W. Verhoef, raadsvrouw van betrokkene,

- de heer H.D. van Leeuwen, kinder- en jeugdpsychiater,

- de heer [vader], vader van betrokkene,

- mevrouw [moeder], moeder van betrokkene.

Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.

De raadsvrouw van betrokkene heeft ter zitting verklaard dat er voldaan is aan de formele vereisten die de Wet BOPZ stelt teneinde een voorlopige machtiging te kunnen verlenen. Zij heeft echter bepleit dat het verzoek dient te worden afgewezen daar het verzoek van de officier van justitie betrekking heeft op het voortduren van het verblijf in de instelling. Daartoe heeft zij aangevoerd dat van ‘doen voortduren’ van het verblijf geen sprake kan zijn nu betrokkene momenteel vrijwillig in de instelling verblijft. De bij beschikking van 7 mei 2014 verleende voortzetting van de inbewaringstelling expireerde op 28 mei 2014. Het verzoek van de officier van justitie is zodoende te laat ingediend om te kunnen spreken van voortduren van het verblijf. De raadsvrouw verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 2007 (BA3036) en stelt dat het op basis van deze uitspraak niet mogelijk het verblijf te doen voortduren wanneer er sprake is van een vrijwillig verblijf.

De psychiater heeft ter zitting verklaard dat betrokkene al langere tijd lijdt aan persoonlijkheidsproblematiek en dat het gevaar dat hier thans uit voortvloeit gelegen is in het risico dat betrokkene zichzelf iets aan zal doen. Er is sprake van een negatief zelfbeeld en negatieve interpretatie van signalen. Thans is bij betrokkene sprake van verzet tegen het opbouwen van een behandelrelatie waardoor zij moeilijk te behandelen is. Het is zodoende lastig in te schatten of volstaan kan worden met een machtiging voor een kortere periode dan zes maanden.

De ouders van betrokkene hebben ter zitting verklaard in te zien dat betrokkene behandeling behoeft.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens en dat de stoornis van de geestvermogens, te weten stemmingsstoornissen, depressieve periode in engere zin, de betrokkene gevaar doet veroorzaken. De rechtbank is van oordeel dat het gevaar, namelijk het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

In zijn arrest van 1 juni 2007 heeft de Hoge Raad bepaald dat het niet mogelijk is om een voorlopige machtiging te verlenen wanneer deze strekt tot het voortduren van het verblijf in een instelling die niet is aan te merken als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet BOPZ. Van deze situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

De rechtbank overweegt dat de termijnen zoals genoemd in artikel 31 van de Wet BOPZ in acht zijn genomen nu er tijdig, te weten voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, een verzoek is ingediend (artikel 31 lid 2) en de rechter binnen drie weken na het indienen van het verzoekschrift een beslissing heeft genomen op het verzoek (artikel 9 lid 1). Zodoende is er nimmer sprake geweest van een vrijwillige opname doordat de machtiging tot opname door het indienen van het verzoek om een voorlopige machtiging door is blijven lopen.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat, zelfs wanneer er sprake zou zijn van een vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, de wet spreekt van het voortduren van dit verblijf wanneer er een voorlopige machtiging wordt verzocht, zie artikel 2, eerste lid, tweede volzin van de Wet BOPZ.

Nu de verwijzing door de raadsvrouw naar het arrest van de Hoge Raad ter onderbouwing van haar standpunt geen doel treft, de juiste termijnen in acht zijn genomen en de in het verzoekschrift gebezigde terminologie in lijn is met de wettelijke bepalingen, passeert de rechtbank het verweer van de raadsvrouw en zal de rechtbank een voorlopige machtiging verlenen om het verblijf van betrokkene in de instelling te doen voortduren voor de duur van zes maanden.

De rechtbank:

verleent voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in GGZ Centraal, [locatie], te [plaats], of in een ander psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren, ingaand heden tot en met 16 december 2014;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C.J. van Beers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2014.