Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2460

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
16.659915-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van zware mishandeling nu zwaar gekneusde ribben niet zijn aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Het meermalen schoppen in de zij van het slachtoffer dient gekwalificeerd te worden als een poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie [woonplaats]

Parketnummer: 16.659915-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 mei 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats],

uit anderen hoofde verblijvende in PI Overijssel, Huis van Bewaring Karelskamp in Almelo.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft laatstelijk plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 16 mei 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie

mr. A. Kwaspen en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging ter terechtzitting van 13 januari 2014, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) zwaar gekneusde rib(ben), heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] opzettelijk

- meermalen, althans eenmaal, met kracht, tegen de (linker)zijde van het lichaam, althans tegen het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met kracht meermalen heeft geschopt tegen de linkerzijde van haar lichaam en/of die [slachtoffer 1] met kracht heeft geduwd, waardoor zij met haar hoofd tegen de bank en/of met haar rug op de grond viel, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met kracht meermalen heeft geschopt tegen de linkerzijde van haar lichaam en/of die [slachtoffer 1] met kracht heeft geduwd, waardoor zij met haar hoofd tegen de bank en/of met haar rug op de grond viel, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een (slaapkamer)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Centrada Woningbouwvereniging, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk het raam van het huis in te slaan, althans open te breken en/of door de deur in te trappen;

en/of

hij op of omstreeks 16 oktober 2013 te [woonplaats], althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met verkrachting immers heeft/is verdachte:

- een raam (naast de deur) van de woning aan [adres 2] (zijnde het huis waar die [slachtoffer 2] woont) ingegooid, althans open gebroken en/of

- ( vervolgens) zonder toestemming opzettelijk dreigend voornoemde woning binnen gegaan en/of

- ( vervolgens) de deur van de slaapkamer van die woning ingetrapt en/of

- ( vervolgens) zich opzettelijk dreigend in voornoemde woning opgehouden en/of

- ( terwijl) die [slachtoffer 2] eerder door verdachte (meermalen) is verkracht, nadat verdachte zonder toestemming het huis van die [slachtoffer 2] met geweld was binnen gegaan (en aldus bij [slachtoffer 2] de vrees ontstond, dat verdachte haar wederom zou verkrachten).

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten.

De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer 1] op de bevindingen van de politie en op de verklaring van[A], alsmede op het feit dat naar de mening van de officier van justitie het in de geneeskundige verklaring omschreven letsel past bij de verklaring, zoals door aangeefster afgelegd. Het bij aangeefster geconstateerde letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, aldus de officier van justitie.

Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat het door aangeefster opgelopen letsel niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel is in ieder geval de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend te bewijzen, nu verdachte heeft getrapt op plekken waar vitale delen van het lichaam zitten, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen in die zin dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een vernieling en een bedreiging. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat de aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen en haar verklaring daarom betrouwbaar moet worden geacht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe naar voren gebracht dat de zoon van aangeefster[slachtoffer 1] niet als een onafhankelijke getuige kan worden gezien en er als gevolg daarvan geen steunbewijs in het dossier voorhanden is. Verdachte dient dan ook wegens gebrek aan wettig bewijs te worden vrijgesproken van feit 1. Indien de rechtbank voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig acht is dat wettige bewijs dermate mager dat verdachte het voordeel van de twijfel verdient en hij wegens gebrek aan overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van feit 1, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts ten aanzien van feit 1 opgemerkt dat indien de rechtbank verdachte schuldig acht, het bij aangeefster geconstateerde letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en dat ook niet te snel het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel moet worden aangenomen. Er kan op basis van de inhoud van het dossier en de handelingen die mogelijk door verdachte zijn verricht hoogstens tot een bewezenverklaring worden gekomen van de onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling, aldus de raadsman.

De raadsman is van mening dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die de dader blijkens hun verklaringen goed in zijn gezicht gekeken hebben, verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie niet hebben herkend. Nu alleen de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] daardoor als belastend bewijs overblijft dient verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken van dit feit, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank overweegt omtrent een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat zij op 16 oktober 2013 met haar zoon [A] in haar woning aan het [adres 1] in [woonplaats] was. Zij hoorde bonzen op het raam van de achterdeur. Ze hoorde een man zeggen “[slachtoffer 1]doe open, want ik kom er toch wel in” en ze wist meteen dat het [verdachte]was. Aangeefster verklaarde [verdachte]te kennen van vroeger. Ze was hem in juni 2013 tegen gekomen bij de McDonalds.2 Ze deed de luxaflex open en zag dat [verdachte] dronken was en hoorde dat hij aan het schreeuwen was. Aangeefster had de achterdeur opengedraaid en verdachte verteld dat hij weg moest gaan. [verdachte] duwde haar toen met veel kracht tegen haar schouders naar achteren. Ze klapte met haar hoofd tegen de bank en ze viel met haar rug op de grond. [verdachte] had haar diverse keren geschopt tegen haar linkerzijde. Aangeefster voelde een heftige stekende pijn bij haar ribben aan haar linkerzijde.3 Haar zoontje was ten tijde van het incident op de trap.4

De rechtbank maakt uit de geneeskundige verklaring d.d. 22 oktober 2013 op dat bij aangeefster als gevolg van het gebeuren op 16 oktober 2013 een blauwe plek op haar rug, een schaafwond op haar linkerzij (werd later een schoenafdruk) en vier zwaar gekneusde ribben werden geconstateerd.5 Dit letsel past naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring door aangeefster over de handelingen van verdachte afgelegd.

De zoon van aangeefster,[A], heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn moeder op de bank zat en dat hij opeens gebons op de deur hoorde. Zijn moeder deed de luxaflex open en hij zag twee hele grote ogen die hij herkende van de McDonalds.6 Hij zag dat de man zijn moeder keihard op de grond duwde. Ze viel tegen de bank aan op de grond.7 Hij zag ook dat de man zijn moeder keihard in haar heup trapte.8 De zoon verklaarde alles vanaf de trap te hebben gezien.9 Op het moment dat zijn moeder hard in haar zij werd geschopt hoorde hij zijn moeder zeggen “niet doen [verdachte]”.10

Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 oktober 2013 bij de woning van aangeefster [slachtoffer 1] is geweest.11

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster op belangrijke punten wordt ondersteund door de verklaring van[A], die op het tijdstip van de mishandeling in de woning aanwezig was en het incident heeft zien gebeuren. [A] geeft aan dat hij de man herkende van de McDonalds en dat hij zijn moeder de naam [verdachte] hoorde roepen. Naast aangeefster wijst ook de zoon verdachte [verdachte]hiermee in voldoende mate als de dader aan. Nu[A] specifiek verklaart over het duwen, over het vallen van aangeefster tegen de bank en op de grond en over het schoppen in de zij van aangeefster, heeft de rechtbank geen reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande bewezen dat verdachte op 16 oktober 2013 in Almere [slachtoffer 1] met kracht heeft geschopt tegen de linkerzijde van haar lichaam en met kracht die [slachtoffer 1] heeft geduwd waardoor zij met haar hoofd tegen de bank en met haar rug op de grond viel en dat aangeefster hierdoor letsel heeft opgelopen en pijn heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat de door aangeefster opgelopen zwaar gekneusde ribben niet gekwalificeerd kunnen worden als zwaar lichamelijk letsel nu hiermee geen sprake is van ziekte zonder uitzicht op volkomen genezing, alsmede niet van voortdurende ongeschiktheid tot de uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding dit letsel als zwaar lichamelijk letsel aan te merken. De rechtbank zal verdachte daarom van de onder feit 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling vrijspreken.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster [slachtoffer 1] en overweegt daartoe als volgt.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is volgens vaste jurisprudentie aanwezig indien een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte meerdere malen hard in de zij van aangeefster heeft geschopt. Dat verdachte met kracht heeft geschopt blijkt wel uit het feit dat aangeefster als gevolg van dat schoppen vier zwaar gekneusde ribben heeft opgelopen. Door op deze wijze te schoppen in de zij van aangeefster, zijnde een plek van het lichaam waar zich vitale delen bevinden, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangeefster hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Verdachte heeft, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank acht aldus de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt omtrent een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde als volgt.

[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 16 oktober 2013 in haar van Centrada Woningbouwvereniging gehuurde woning aan [adres 2] in [woonplaats] was. Om 21.15 uur hoorde zij dat het kleine raam rechts naast de deur werd ingegooid.12 Aangeefster was uit haar slaapkamerraam geklommen en via de zonwering naar de buren toegeschoven. Toen ze omkeek zag ze dat [verdachte] uit haar slaapkamerraam naar beneden keek. Ze wist zeker dat het [verdachte] was.

Het raam aan de voorzijde lag er in zijn geheel uit. Ook de schoot van het slot van haar slaapkamerdeur was kapot. Er stonden twee voetafdrukken op de deur.13

[getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij een harde bonk gevolgd door glasgerinkel hoorde. Hij zag een man uit de woning aan [adres 2] komen. De man stapte uit het kapotte raam naar buiten. [getuige 1] zag een kale man met een Afrikaans uiterlijk, een grote neus, diepliggende ogen en een brede kaak.14 Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat de man die uit het raam klom een kale, donkere man was met een groot postuur.15

[getuige 2], de buurman van aangeefster, heeft bij de politie verklaard dat hij een bonk hoorde. Hij hoorde om hulp roepen en zag dat zijn buurvrouw op een richeltje van haar zonwering stond. Op een gegeven moment keek [getuige 2] naar boven naar het kamerraam van de buurvrouw en hij zag dat een man zijn hoofd uit het raam stak. Hij omschreef de man als donker getint, kaal hoofd en glad geschoren.16 Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat de man die zijn hoofd door het raam stak een donkere huidskleur had en dat de man kaal was.17

Verdachte heeft verklaard dat hij op 16 oktober 2013 niet bij de woning van [slachtoffer 2] is geweest, maar dat hij die dag bij kennissen in [plaats] was, onder wie mevrouw [B].18 In het dossier is een door de raadsman overgelegd bericht van mevrouw [B] aanwezig, waarin mevrouw [B] aangeeft dat verdachte[verdachte] op 16 oktober 2013 tussen 20.00 uur en

22.15

uur bij haar thuis was.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] dat er een man in haar woning was wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Aangeefster heeft die persoon herkend als zijnde verdachte[verdachte] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geven een signalement van de man die zij bij het raam van aangeefster zien dat past bij verdachte. Het door mevrouw [B] verschafte alibi voor verdachte kan gelet op het tijdstip van het plegen van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet juist zijn. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in die zaak meteen na de mishandeling de politie gebeld en de politie krijgt deze melding om 20.00 uur binnen. Verdachte kan aldus niet vanaf 20.00 uur bij mevrouw [B] zijn geweest, hetgeen het door haar verschafte alibi ook voor het overige ongeloofwaardig maakt.

De rechtbank acht op basis van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bewezen dat verdachte zich op 16 oktober 2013 schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van een raam van de woning van [slachtoffer 2] en van een slaapkamerdeur in de woning van [slachtoffer 2]. Dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] vier maanden respectievelijk vijf maanden na het gebeuren op 16 oktober 2013 verdachte bij een meervoudige fotoconfrontatie niet herkennen doet gelet op dat tijdsverloop aan de betrouwbaarheid van hun bij de politie afgelegde verklaringen niet af.

De rechtbank acht aldus de onder feit 2 ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder feit 2 eveneens ten laste gelegde bedreiging dat er gelet op de uit de verklaring van aangeefster gebleken context wel een bedreigende situatie voor haar heeft kunnen ontstaan, maar dat uit het feitelijk handelen van verdachte geen strafbare intentie in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht gehaald kan worden. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte de woning van aangeefster binnen is gegaan zonder dat hij daarbij iets heeft geroepen of iets heeft gedaan tegen aangeefster, voordat aangeefster de woning uit vluchtte. De daadwerkelijke reden voor verdachte om de woning van aangeefster binnen te gaan is onduidelijk gebleven. Het enkele feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkrachting van aangeefster maakt niet, althans niet zonder nadere aanwijzingen daarvoor in het dossier, dat daarmee in voldoende mate vaststaat dat een dergelijk misdrijf (ook) deze keer de intentie van verdachte was. Uit het handelen van verdachte kan daardoor geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling of met verkrachting in de zin van artikel 285 worden afgeleid. De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van het onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Subsidiair

op 16 oktober 2013 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met kracht meermalen heeft geschopt tegen de linkerzijde van haar lichaam en die [slachtoffer 1] met kracht heeft geduwd, waardoor zij met haar hoofd tegen de bank en met haar rug op de grond viel, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

op 16 oktober 2013 te [woonplaats], opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een slaapkamerdeur, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Centrada Woningbouwvereniging, heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk het raam van het huis in te slaan en de deur in te trappen.

Van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft gevorderd om een contactverbod met de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een gebiedsverbod voor wat betreft de straten waarin zij wonen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel te koppelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van mishandeling en vernieling komt een straf welke de duur van het voorarrest overschrijdt, gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS voor dit soort feiten, niet passend is.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door slachtoffer [slachtoffer 1] meermalen hard te schoppen en door haar met kracht te duwen, waardoor zij ten val kwam. Verdachte heeft hiermee fors geweld tegen het slachtoffer gebruikt. Verdachte was een bekende van het slachtoffer. Daar komt bij dat het minderjarige zoontje van het slachtoffer thuis was en hij het geweld dat tegen zijn moeder werd gebruikt heeft gezien.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een vernieling van een raam van, en een slaapkamerdeur in, de woning van slachtoffer [slachtoffer 2]. Ook dit slachtoffer was een bekende van verdachte. Door het verleden tussen verdachte en het slachtoffer hebben de vernieling van het raam en het als gevolg daarvan binnenkomen in de woning van het slachtoffer een bijzonder intimiderende situatie voor haar opgeleverd.

Beide feiten hebben zich afgespeeld bij de slachtoffers thuis, terwijl mensen zich juist in hun eigen huis veilig moeten kunnen voelen. Dat het handelen van verdachte een enorme impact op de slachtoffers heeft gehad blijkt wel uit de door hen opgetekende verklaringen over de gevolgen.

De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 1 april 2014 op dat verdachte eerder veelvuldig voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, de context waarin verdachte deze feiten heeft gepleegd en het forse strafblad van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd is. De rechtbank acht de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten een passende straf. De rechtbank zal daarnaast een gevangenisstraf in voorwaardelijke zin opleggen nu de rechtbank het van belang acht dat verdachte, gelet op het verleden tussen verdachte en beide slachtoffers en hetgeen zich thans tussen hen heeft voorgedaan, in het vervolg voorlopig geen contact met de slachtoffers heeft. De rechtbank zal dan ook een contactverbod en een gebiedsverbod als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel koppelen. Met het opleggen van een voorwaardelijke straf beoogt de rechtbank eveneens verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of[A]([A]) en/of [slachtoffer 2], alsmede dat verdachte zich niet zal begeven in de straten [adres 1] te [woonplaats] en/of [adres 2] te [woonplaats].

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Hoewel voor wat betreft de ten aanzien van de onder feit 2 opgelegde bijzondere voorwaarden geen sprake is van een delict gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon geldt de dadelijke uitvoerbaarheid gelet op het feitencomplex waar in de onderhavige zaak sprake van is ook ten aanzien van deze voorwaarden.

9a DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 864,40, waarvan € 114,40 ter zake van materiële schade en € 750,00 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de door de benadeelde partij ingediende vordering af te wijzen gelet op de door de raadsman bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft de inhoud van de vordering daarbij niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 864,40, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. De rechtbank zal de vordering daarom voor dit bedrag toewijzen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.070,93, waarvan € 720,93 ter zake van materiële schade en € 350,00 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de door de benadeelde partij ingediende vordering af te wijzen in verband met de door de raadsman bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 395,93 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. De rechtbank zal de vordering daarom voor dit bedrag toewijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade en de gevorderde kosten voor wat betreft het eigen risico van de ziektekostenverzekering in verband met consulten bij de psycholoog zien op de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde bedreiging. Nu verdachte van dit deel van het onder feit 2 tenlastelegde zal worden vrijgesproken zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 27, 36f, 45, 57, 63, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 subsidiair en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze feiten op de wijze zoals onder 6 omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of[A] ([A]) en/of [slachtoffer 2];

* zich niet zal begeven in de volgende straten: [adres 1] te [woonplaats] en/of [adres 2] te [woonplaats];

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 864,40 (zegge: achthonderdvierenzestig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 16 oktober 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 864,40 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 395,93 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro en drieënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 16 oktober 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 395,93 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en

mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2014.

Mr. Ruinaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013077634 en 2013077635, doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 65

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 37

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 38

4 Verklaring [slachtoffer 1] bij de RC d.d. 6 januari 2014, blz. 2

5 Geneeskundige verklaring d.d. 22 oktober 2013

6 Uitwerking van het studioverhoor van [A], los opgenomen in het dossier, blz. 2

7 Uitwerking van het studioverhoor van [A], los opgenomen in het dossier, blz. 8

8 Uitwerking van het studioverhoor van [A], los opgenomen in het dossier, blz. 3

9 Uitwerking van het studioverhoor van [A], los opgenomen in het dossier, blz. 4

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 40

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2014

12 Proces-verbaal van aangifte, blz. 43 + blz. 44 bovenaan

13 Proces-verbaal van aangifte, blz. 44

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 54

15 Verklaring [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 30 december 2013, blz. 1

16 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 56

17 Verklaring [getuige 2], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 30 december 2013, blz. 1

18 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2014