Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2459

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
16.659914-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het meermalen mishandelen van zijn kinderen gedurende acht jaar tot een werkstraf van 240 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659914-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 mei 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te[geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats], [adres],

volgens eigen opgave ter terechtzitting verblijvende te [plaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 16 mei 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Grijsen, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Kwaspen en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus 2003 tot en met

22 augustus 2011 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten

[slachtoffer 1]:

- ( met kracht) meermalen althans eenmaal heeft geslagen met een riem en/of met gebalde vuist en/of met zijn hand op/tegen haar gezicht en/of armen en/of benen en/of billen en/of rug en/of

- aan haar oren heeft getrokken, althans deze hard vastgepakt en/of geknepen en/of

- haar keel heeft vastgepakt en/of dicht geknepen en/of

- haar tegen een kast heeft geduwd en/of

- haar door elkaar heeft geschud en/of

- haar op de grond heeft geduwd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met

17 oktober 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten

[slachtoffer 2]:

- ( met beide handen) (met kracht) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) op/naar de grond gegooid, althans op de grond laten vallen en/of tegen de neus geslagen en/of gestompt en/of

- ( met kracht) met gebalde vuist en/of met de hand een of meermalen tegen de zij en/of de ribben en/of de buik en/of de rug en/of de borst en/of het gezicht en/of de arm gestompt en/of geslagen en/of

- ( met kracht) een of meermalen met een (broek)riem tegen de armen en/of op/tegen de borst en/of rug en/of de billen, althans (telkens) tegen het lichaam geslagen en/of aan het oor getrokken, waardoor deze [slachtoffer 2] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten.

De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling van zijn dochter [slachtoffer 1] wettig en overtuigend te bewijzen in die zin dat verdachte zich in de periode van 2009 tot en met 2011 schuldig heeft gemaakt aan deze mishandeling. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1], op de ondersteunende verklaring van [slachtoffer 2] en op de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring dat hij zijn dochter wel eens een draai om haar oren gaf.

De officier van justitie acht de aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling van zijn zoon [slachtoffer 2] wettig en overtuigend te bewijzen op grond van de verklaringen van aangever [slachtoffer 2], de ondersteunende verklaring van [slachtoffer 1], het zien van bloed onder de neus van [slachtoffer 2] door de politie op 17 oktober 2013 en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte stellig heeft ontkend zijn dochter te hebben mishandeld, de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] op cruciale punten tegenstrijdigheden bevatten en haar verklaringen niet worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De raadsvrouw heeft aldus verzocht verdachte van feit 1 vrij te spreken.

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft een bewezenverklaring van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover dit feit ziet op hetgeen volgens de verklaringen in het dossier op 17 oktober 2013 is gebeurd. De raadsvrouw is van mening dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het overige onder feit 2 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft zich bij het voornoemde gebaseerd op de in het ter zitting overgelegde pleidooi omschreven gronden.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank overweegt omtrent een bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 als volgt.

[slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat zij vanaf haar zevende of achtste jaar tot haar vijftiende jaar stelselmatig werd geslagen door haar vader. Ze verklaarde dat haar broertje nog steeds door haar vader wordt geslagen.2 Haar vader sloeg haar op haar armen, benen, billen of rug. Hij sloeg hen geregeld met een riem. Ze weet nog dat ze meerdere keren per maand door haar vader werd geslagen. Als haar vader zijn riem gebruikte pakte hij die altijd uit zijn broek en deed hij die riem dubbel, zodat hij er goed mee kon slaan.3 Als hij geen zin had om zijn riem te pakken gebruikte hij zijn handen. Hij gebruikte ook zijn vuisten of hij trok aan hun oren. Toen [slachtoffer 1] twaalf of dertien jaar oud was pakte haar vader haar bij haar keel en duwde hij haar tegen een kast. Ze viel met haar hoofd tegen de kast en op de grond. Daarna gaf haar vader haar twee klappen in haar gezicht met zijn vlakke hand.4

Het eerste incident gebeurde toen [slachtoffer 1] vijf à zes jaar oud was. Ze verklaarde dat haar vader zijn riem uit zijn broek pakte en haar daarmee zeven of acht keer sloeg. Daarna trok hij aan haar oor, duwde hij haar en viel zij tegen de kast aan. Ze had veel hoofdpijn en haar oor was helemaal rood. Het laatste incident gebeurde toen [slachtoffer 1] dertien of veertien jaar was. Zonder iets te zeggen pakte haar vader haar met twee handen bij haar keel vast. Hij kneep haar keel hard dicht en ze kreeg geen lucht meer.5 Vervolgens pakte hij haar bij de hals van haar shirt, schudde haar door elkaar en duwde haar op de grond. Ze viel met haar hoofd op de rand van het bad. Later voelde ze een dikke bult op haar hoofd en ze had pijn in haar keel.

Haar vader sloeg haar met zijn riem op haar billen, armen en benen. Met zijn platte hand sloeg hij op het gezicht, billen, armen, benen of rug. Met zijn vuisten sloeg hij om en om in haar gezicht en op haar borst. Hij sloeg altijd heel erg hard met platte hand, vuist en riem en het deed altijd heel erg pijn. Als haar vader haar met een riem had geslagen had ze twee tot drie dagen rode striemen; als hij sloeg met zijn platte hand bleef zijn handafdruk soms wel twee tot drie dagen zitten; met zijn vuisten sloeg hij vijf tot acht keer achter elkaar, haar gezicht was rood als hij had geslagen.6

[slachtoffer 1] verklaarde dat zij had gezien dat haar broertje werd geslagen. Haar vader sloeg haar broertje met de riem op zijn billen en zijn rug.7 Ze had gezien dat haar broertje twee tot drie keer in de maand geslagen werd.8

[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op 17 oktober 2013 thuis kwam. Zijn vader pakte hem met beide handen vast aan zijn trui en hij, vader, gooide hem met beide handen naar de grond. [slachtoffer 2] voelde een stekende pijn in zijn zij. [slachtoffer 2] verklaarde dat zijn vader boven hem ging staan.9 Zijn vader sloeg hem drie keer met zijn vuist op zijn ribben. Daarna sloeg zijn vader hem met zijn vuist twee keer op zijn neus. [slachtoffer 2] voelde zijn neus bloeden. [slachtoffer 2] verklaarde voorts dat zijn vader hem vanaf dat hij tien jaar was vaker sloeg. Zijn vader deed dat met zijn riem, zijn platte hand of zijn vuist. Hij sloeg [slachtoffer 2] op zijn borst, buik, armen, rug en gezicht. [slachtoffer 2] had door de klappen veel pijn op de plekken waar vader hem sloeg. Vader sloeg [slachtoffer 2] ongeveer vier of vijf keer in de maand. Toen [slachtoffer 2] twaalf jaar was had zijn vader hem met zijn vuist op zijn bovenlip geslagen.10

Het eerste incident gebeurde toen zijn vader hem aan zijn oor ging trekken. Zijn oor was daardoor twee dagen rood. Dat was ongeveer drie jaar terug.11 Het laatste incident gebeurde op de donderdag voor het verhoor bij de politie. Zijn vader sloeg hem toen met een riem op zijn rug, arm en gezicht. [slachtoffer 2] verklaarde dat zijn vader de riem dubbel vouwde en er dan mee sloeg. Hij sloeg met de riem op het hoofd, de rug en de armen van [slachtoffer 2].12

[slachtoffer 2] verklaarde dat zijn zus er wel eens bij was als hij werd geslagen en dat hij er wel eens bij was als zijn zus werd geslagen. Hij had dit vaak gezien, elke maand een keer. Hij zag dan dat zijn vader zijn zus duwde en sloeg. Zijn vader sloeg zijn zus met de vlakke hand op haar gezicht. [slachtoffer 2] had gezien dat de wang van zijn zus rood was.13

De moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], [moeder], heeft bij de politie verklaard dat zij op

17 oktober 2013 thuis was in hun woning in Almere en dat zij hoorde dat [slachtoffer 2] de woonkamer binnen ging. Haar man en [slachtoffer 2] waren luidruchtig aan het praten. Ze hoorde een harde bonk. Ze hoorde [slachtoffer 2] huilen en ze hoorde hem zeggen “kijk wat je hebt gedaan, je hebt mijn neus kapot gemaakt en hij bloedt”. Ze zag dat [slachtoffer 2] een bloedneus had. [slachtoffer 2] zei “hij heeft mij geslagen”. In de woonkamer lagen druppels bloed op de grond.14

[slachtoffer 1] heeft over het incident op 17 oktober 2013 verklaard dat zij drie harde bonken hoorde en dat zij zag dat de neus van haar broertje bloedde.15

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat toen hij op 17 oktober 2013 bij de woning in Almere ter plaatse kwam hij voor de woning en direct bij binnenkomst van de woning op de deurmat bloedvlekken zag zitten en dat hij zag dat onder de neusgaten van [slachtoffer 2] wat opgedroogd bloed zat.16

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn dochter [slachtoffer 1] wel eens een draai om haar oren had gegeven.17 Hij pakt dan iemand bij zijn oren en draait er aan.18 Verdachte verklaarde voorts dat hij zijn zoon [slachtoffer 2] ook wel eens een draai om zijn oren had gegeven. Op 17 oktober 2013 was het met [slachtoffer 2] uit de hand gelopen. Hij had een schermutseling met [slachtoffer 2], waarbij [slachtoffer 2] op de grond viel. Zijn hand kwam vervolgens tegen de neus van [slachtoffer 2] aan en [slachtoffer 2] liep weg met een druppende bloedneus.19 Verdachte had [slachtoffer 2] ook geraakt op de zijkant van zijn buik.20

Verdachte verklaarde voorts dat hij [slachtoffer 2] wel eens klappen had gegeven met de vlakke hand21 en dat hij [slachtoffer 2] wel eens een corrigerende tik had gegeven met een riem.22

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] consistente verklaringen hebben afgelegd en dat deze verklaringen elkaar ondersteunen. Beiden benoemen de specifieke mishandelingen die door hun vader meerdere keren per maand jegens hen werden gepleegd. De handelingen die onder andere zien op het trekken aan de oren, het slaan met een dubbelgevouwen riem en het slaan met de platte hand dan wel de vuist en welke handelingen zij apart van elkaar omschrijven, komen met elkaar overeen. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dan ook betrouwbaar en heeft geen reden om aan de door de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen op bepaalde punten te twijfelen.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de onder feit 1 ten laste gelegde periode aan te passen op de wijze zoals door de officier van justitie gedaan. De rechtbank volgt ook voor wat betreft de periode de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1].

De rechtbank acht op basis van het voornoemde de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 22 augustus 2003 tot en met 22 augustus 2011 te Almere, telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 1]:

- met kracht meermalen heeft geslagen met een riem en met gebalde vuist en met zijn hand op/tegen haar gezicht en/of armen en/of benen en/of billen en/of rug en

- aan haar oren heeft getrokken en

- haar keel heeft vastgepakt en dicht geknepen en

- haar tegen een kast heeft geduwd en

- haar door elkaar heeft geschud en

- haar op de grond heeft geduwd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

op tijdstippen in de periode van 1 september 2009 tot en met 17 oktober 2013 te Almere, telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer 2]:

- met beide handen (met kracht) heeft vastgepakt en vervolgens op de grond gegooid en tegen de neus gestompt en

- ( met kracht) met gebalde vuist en/of met de hand meermalen tegen de zij en/of de ribben en/of de buik en/of de rug en/of de borst en/of het gezicht en/of de arm heeft gestompt of geslagen en

- ( met kracht) meermalen met een broekriem tegen de armen en/of op/tegen de borst en/of rug en/of de billen heeft geslagen en aan het oor getrokken,

waardoor deze [slachtoffer 2] telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Van het onder feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Telkens:

Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uur te vervangen door 90 dagen hechtenis als verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de gebruikelijke algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf naar voren gebracht dat verdachte de consequenties die de gebeurtenissen op 17 oktober 2013 voor hem zullen hebben zal aanvaarden. De raadsvrouw heeft verzocht daarbij rekening te houden met het feit dat deze strafzaak naar alle waarschijnlijkheid de nodige gevolgen zal hebben voor de baan van verdachte, dat verdachte zich in het kader van deze strafzaak steeds zeer meewerkend heeft opgesteld en dat verdachte de door de Reclassering voorgestelde Borgtraining heeft afgerond.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Verdachte heeft gedurende langere tijd tegen zijn nog jonge kinderen geweld gebruikt door hen onder meer aan hun oren te trekken, te slaan, te stompen en met een riem te slaan. Huiselijk relationeel getint geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van de slachtoffers, maar de ervaring leert dat de slachtoffers hiervan meestal nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. De kinderen van verdachte hebben zich jarenlang niet veilig gevoeld in hun eigen huis. Zij hebben jarenlang geleefd onder de terreur van hun vader en de druk die dat voor hen heeft meegebracht is nog altijd aanwezig. Uit de in het dossier aanwezige opgetekende verklaringen van de kinderen en de toelichting van hun raadsvrouw op dit punt ter zitting blijkt de enorme impact die het handelen van verdachte op hen heeft (gehad).

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 april 2014 niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in combinatie met zijn blanco strafblad een forse onvoorwaardelijke straf in de vorm van een werkstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke straf opleggen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op dit moment weinig tot geen contact heeft met zijn kinderen, maar niet kan worden uitgesloten dat dit contact in de (nabije) toekomst weer hersteld zal worden. Een voorwaardelijk strafdeel is daarom geïndiceerd om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Gelet op het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf thans niet aan de orde is. De rechtbank zal het voorwaardelijke deel daarom ook in de vorm van een werkstraf opleggen.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een werkstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

9a DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] – daartoe vertegenwoordigd door

[moeder] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 700,00, ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding gelet op de door de raadsvrouw bepleite vrijspraak van het aan verdachte onder feit 1 tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 700,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank is ingekomen tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. De rechtbank zal de vordering dan ook voor dit bedrag toewijzen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] – daartoe vertegenwoordigd door

[moeder] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 1.085,98, waarvan € 385,98 ter zake van materiële schade en € 700,00 ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft daarbij ten aanzien van de gevorderde materiële schade betoogd dat op basis van het dossier vastgesteld kan worden dat de Iphone van [slachtoffer 2] op

17 oktober 2013 in zijn broekzak zat en dat deze Iphone door de mishandeling kapot is gegaan. Aldus is sprake van een rechtstreeks verband tussen het kapot gaan van de Iphone en het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen voor zover deze ziet op de voor de Iphone gevraagde vergoeding. Uit het dossier blijkt niet dat de Iphone daadwerkelijk kapot is gegaan door de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling waardoor het rechtstreeks verband ontbreekt, aldus de raadsvrouw.

Voor het overige heeft de raadsvrouw de vordering niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.085,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank is ingekomen tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil. De rechtbank zal de vordering dan ook voor dit bedrag toewijzen.

De rechtbank overweegt daarbij dat [slachtoffer 2] in zijn aangifte bij de politie naar aanleiding van de mishandeling op 17 oktober 2013 direct heeft verklaard dat door deze mishandeling zijn Iphone kapot is gegaan. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] apart aangifte gedaan van de vernieling van zijn Iphone als gevolg van de mishandeling. De rechtbank acht op basis van die verklaringen voldoende aannemelijk dat de Iphone van [slachtoffer 2] op

17 oktober 2013 als gevolg van de bewezen verklaarde mishandeling door verdachte kapot is gegaan, waarmee sprake is van een rechtstreeks verband tussen het onder 2 bewezen verklaarde feit en de gevorderde kosten op dit punt.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 27, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder

5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze feiten op de wijze zoals onder 6 omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

- bepaalt dat van de werkstraf een gedeelte, groot 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] – daartoe vertegenwoordigd door [moeder] – wonende te Almere, van een bedrag van € 700,00 (zegge: zevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank is ingekomen, te weten

7 mei 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 700,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] – daartoe vertegenwoordigd door [moeder] – wonende te Almere, van een bedrag van € 1.085,98 (zegge: duizendvijfentachtig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering tot schadevergoeding bij de rechtbank is ingekomen, te weten 7 mei 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.085,98 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en

mr. E.C. Ruinaard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2014.

Mr. Ruinaard is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL2540 2013077952, doorgenummerd blz. 1 tot en met 59

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 17

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 18

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 19

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 21

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 22

7 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 23

8 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, blz. 24

9 Proces-verbaal van aangifte, blz. 6

10 Proces-verbaal van aangifte, blz. 7

11 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 9

12 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 10

13 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 11

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 25

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 14

16 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 2

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 48

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 49

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 49

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 53

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 54

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 56