Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2405

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
2522573 UC EXPL 13-18318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verstek
Inhoudsindicatie

Aan gedaagde is een doorlopend krediet verleend. Gedaagde is twee maanden in gebreke gebleven met aflossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2522573 UC EXPL 13-18318 DJ/1067

Verstekvonnis van 4 juni 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEFAM B.V.,

gevestigd te Bunnik,

eisende partij,

gemachtigde: R. Besters, werkzaam bij Schuman Gerechtsdeurwaarders te Bunnik,

tegen:

[gedaagde], zonder bekende woon- en verblijfplaats in Nederland en zonder bekende woonplaats elders,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 april 2014

  • -

    de akte uitlating en vermindering van eis tevens houdende producties

  • -

    de comparitie van 12 mei 2014 waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 11 oktober 2012 is tussen partijen een schriftelijke overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verlening van een doorlopend krediet door Defam aan [gedaagde] tot een maximum van € 8.500,- tegen een variabele rente die bij het aangaan van de overeenkomst 8,9% op jaarbasis bedroeg.

2.2.

Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden doorlopend krediet Defam B.V. (v20110110) van toepassing. De Algemene voorwaarden bevatten - voor zover van belang - de volgende bepalingen.

“(…)

2. DEFAM zal de kredietnemer maandelijks een kredietvergoeding in rekening brengen op basis van de dan bij DEFAM voor doorlopend krediet geldende tarieven. De debetrentevoet is variabel en kan gewijzigd worden. De kredietnemer zal periodiek in kennis worden gesteld van een wijziging van de debetrentevoet, voordat de wijziging van kracht wordt.

(…)

10. De kredietnemer verplicht zich aan DEFAM een vertragingsvergoeding te betalen in geval van overschrijding van het maximum kredietbedrag, anders dan een incidentele door DEFAM goedgekeurde overschrijding als gevolg van een te hoge opname. Deze vertragingsvergoeding is gelijk aan het aan de kredietovereenkomst ten grondslag liggende jaarlijks kostenpercentage. De berekening geschiedt, voor elke dag dat kredietnemer in verzuim is, met ingang van de dag na het verstrijken van de in de ingebrekestelling genoemde termijn, in dagen nauwkeurig.

11. Het aan DEFAM verschuldigde zal terstond en in zijn geheel opeisbaar zijn indien de kredietnemer:

a. gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen;

(…).”

2.3.

Op grond van de kredietovereenkomst was [gedaagde] gehouden om maandelijks 2% van het gedurende de overeenkomst opgenomen saldo met een minimum van € 170,- per maand aan Defam te voldoen. [gedaagde] is met deze verplichting gedurende een periode van meer dan twee maanden in gebreke gebleven. Defam heeft [gedaagde] in gebreke gesteld, hetgeen niet tot betaling heeft geleid, waarna Defam het gehele saldo ineens heeft opgeëist.

2.4.

[gedaagde] heeft blijkens de GBA sinds 7 maart 2012 geen vaste woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland. Zijn zaken worden behartigd door [A] die Defam om een betalingsregeling heeft verzocht.

2.5.

Na dagvaarding zijn namens [gedaagde] nog betalingen verricht, te weten op 28 december 2013, 28 januari 2014, 28 februari 2014 en 28 maart 2014. In totaal is een bedrag van € 800,- betaald, hetgeen Defam in mindering heeft gebracht op de vordering.

3 De vordering

3.1.

Defam vordert - na vermindering van eis – dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.814,84, vermeerderd met de contractuele rente van 0,651% per maand hierover, vanaf 25 april 2014 tot de voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Defam legt aan haar vordering - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

  • -

    Bij een kredietovereenkomst betreffende het verstrekken van doorlopend krediet wordt een kredietvergoeding berekend over het gehele openstaande saldo. Dit vloeit voort uit de aard en de strekking van de overeenkomst. Tevens blijkt uit artikel 3 Besluit Kredietvergoeding jo. artikel 1 sub h WCK en de wetsgeschiedenis dat de kredietvergoeding zelf deel gaat uitmaken van het openstaande saldo en daardoor rentedragend wordt.

  • -

    [gedaagde] is toerekenbaar tekort gekomen in de nakoming van de kredietovereenkomst. Defam is daarom op grond van artikel 33 sub c. onder 1 WCK overgegaan tot opeising van de totaal verschuldigde kredietsom. Als datum van opeising heeft te gelden 30 mei 2013. Vanaf die datum dient de kredietvergoeding te worden gekwalificeerd als vertragingsvergoeding. Voor de berekening van de verschuldigde rente is dit overigens niet van belang omdat het kredietvergoedingspercentage en het vertragingsvergoedingspercentage worden berekend op basis van hetzelfde variabele rentepercentage. Dat de vertragingsvergoeding over de gehele achterstand in rekening mag worden gebracht vloeit voort uit het bepaalde in artikel 1 sub h WCK en de toelichting in de wetsgeschiedenis waaruit volgt dat met het begrip ‘in rekening brengen’ wordt bedoeld het feitelijk bijboeken van de kredietvergoeding waardoor deze deel gaat uitmaken van het openstaande saldo en rentedragend wordt.

  • -

    Daarnaast is in de algemene voorwaarden bepaald dat vertragingsrente over het gehele saldo wordt berekend. Dat vertragingsvergoeding over het gehele saldo mag worden berekend blijkt bovendien uit de uitspraken van het Hof Den Bosch van 18 september 1995 en 4 december 1995 (LJN AB8970).

  • -

    Een andere uitleg zou bovendien tot gevolg hebben dat de kredietnemer profiteert van de eigen wanprestatie. Na de opeising blijft de kredietovereenkomst in stand aangezien de opeising plaatsvindt op grond van de overeengekomen contractsbepalingen en de wettelijke bepalingen en niet op grond van buitengerechtelijke ontbinding.

  • -

    Indien een kredietgever vanaf het moment van opeising niet langer een kredietvergoeding in rekening mag brengen komt zij in een slechtere positie terecht dan wanneer de kredietnemer zijn verplichtingen nakomt. Dit zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 44 lid 2 WCK. Het Hof Den Bosch heeft in het arrest van 18 september 1995 en 4 december 1995 overwogen dat artikel 44 lid 2 WCK, hoewel dit is geschreven voor het geval van ontbinding, evenzeer toepassing verdient bij vervroegde opeising. Op grond van artikel 44 lid 2 WCK mag geen van partijen in een betere vermogenstoestand geraken dan bij het in stand blijven van de overeenkomst.

  • -

    Bovengenoemde argumentatie is niet alleen redelijk maar ook noodzakelijk voor het behoud van de financieringsbranche.

3.3.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. Tegen hem is verstek verleend.

4 De beoordeling

4.1.

Op deze overeenkomst is titel 2A van Boek 7 BW van toepassing, aangezien het een consumentenkredietovereenkomst betreft die na 25 mei 2011 tot stand is gekomen en die niet van het toepassingsgebied is uitgesloten. De Wet op het Consumentenkrediet (WCK), zoals deze luidt met ingang van 25 mei 2011, is eveneens van toepassing, aangezien de kredietsom niet hoger is dan € 40.000,- en geen sprake is van een overeenkomst betreffende effectenkrediet.

4.2.

In artikel 7:73 BW is bepaald dat van het bepaalde in titel 2A niet ten nadele van de consument kan worden afgeweken en dat de consument de hem krachtens die titel toegekende bescherming niet kan worden ontzegd door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.

4.3.

In artikel 1, aanhef en onder j. van de WCK is het begrip ‘kredietvergoeding’ gedefinieerd als ‘alle beloningen en vergoedingen in welke vorm ook die de kredietgever (…) ter zake van een krediettransactie bedingt, in rekening brengt of aanvaardt’.

In artikel 34 WCK is bepaald dat het de kredietleverancier verboden is enige andere vorm van kredietvergoeding te bedingen, in rekening te brengen of te aanvaarden dan:

  1. een vergoeding welke verschuldigd is bij afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling van de transactie (ook wel genoemd de kredietvergoeding in enge zin)

  2. een vergoeding verschuldigd wordt ingeval de kredietnemer, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling ingevolge de transactie (ook wel de vertragingsvergoeding genoemd)

  3. een vergoeding die verschuldigd wordt indien de kredietgever vervroegd aflost (ook wel boeterente genoemd).

4.4.

Artikel 35 WCK bepaalt dat de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld waarbij tevens regels worden gegeven betreffende de tijdstippen waarop de kredietvergoeding in rekening wordt gebracht. Deze bepaling is uitgewerkt in het Besluit Kredietvergoeding. Artikel 4 van het Besluit Kredietvergoeding bepaalt dat voor de berekening van de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij regelmatige afwikkeling de wettelijke rente verhoogd met 12 procentpunten als het ten hoogste toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis geldt.

4.5.

De regels omtrent consumentenkredietovereenkomsten moeten, voor zover deze zien op de bescherming van de consument, ambtshalve worden toegepast.

4.6.

Vaststaat dat [gedaagde] in het kader van een doorlopend krediet bedragen heeft opgenomen waarover op grond van de kredietovereenkomst kredietvergoeding is berekend die deel is gaan uitmaken van het openstaande saldo en daarmee tevens rentedragend is geworden. Dit blijkt, zoals ook door Defam is aangevoerd, uit de Nota van Toelichting op het Besluit Kredietvergoeding zoals dit gold vanaf 14 november 1991. Op de onderhavige overeenkomst is het Besluit Kredietvergoeding zoals dat geldt vanaf 25 mei 2011 van toepassing. Aangenomen moet echter worden dat de wetgever op dit punt geen wijziging heeft beoogd. De Nota van Toelichting luidt op dit punt als volgt:

“Ter verdere toelichting dient voorts dat met het begrip ‘in rekening brengen’ wordt gedoeld op het feitelijk bijboeken van de kredietvergoeding op het uitstaande saldo en daarmee het verschuldigd worden van de kredietvergoeding, ook wel aangeduid als valutering. In dit verband zij tevens verwezen naar de definitie van uitstaand saldo in de WCK (artikel 1, onder h en i). Het verschuldigd worden van de kredietvergoeding heeft tot gevolg dat de kredietvergoeding zelve, omdat deze dan deel gaat uitmaken van het uitstaande saldo, rentedragend wordt.”

Dit brengt met zich dat de gevorderde hoofdsom, inclusief de tot 30 mei 2013 verschuldigde kredietvergoeding, toewijsbaar is.

4.7.

In artikel 11 van de door Defam gehanteerde algemene voorwaarden is bepaald dat het openstaande saldo ineens opeisbaar is indien de kredietnemer gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen. Defam stelt dat van een achterstand van meer dan twee maanden sprake is en dat zij het openstaande saldo op 30 mei 2013 heeft opgeëist.

Indien de kredietgever het uitstaande saldo vervroegd opeist met instandhouding van de overeenkomst, waarvan in dit geval sprake is, moet worden afgerekend op dezelfde wijze als bij tussentijdse beëindiging. Artikel 44 lid 2 WCK is weliswaar geschreven voor de situatie waarin de kredietovereenkomst wordt ontbonden maar deze verdient ook toepassing bij vervroegde opeising (Hof Den Bosch 4 december 1995, NJ 1996, 575). Dit, in samenhang met het bepaalde in artikel 34 WCK, brengt met zich dat de kredietnemer de overeengekomen kredietvergoeding vanaf dat moment niet meer verschuldigd is.

4.8.

Het Hof Den Bosch heeft in eerdergenoemd arrest voorts bepaald dat de kredietverstrekker kan bedingen dat, indien na vervroegde opeising niet prompt wordt betaald, tot de dag van daadwerkelijke betaling vertragingsrente verschuldigd wordt die even hoog is als de kredietvergoeding die verschuldigd zou zijn bij regelmatige afwikkeling van de overeenkomst.

Defam heeft in haar algemene voorwaarden bepaald dat de kredietnemer verplicht is een vertragingsvergoeding te betalen in geval van overschrijding van het maximum kredietbedrag. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Op moment van opeising bedroeg de kredietsom € 8.210,85 terwijl een maximum kredietbedrag is verstrekt van € 8.500,-. Er moet dan ook worden geconcludeerd dat geen vertragingsvergoeding is overeengekomen die ziet op deze situatie en dat Defam niet gerechtigd is om vertragingsvergoeding over het gehele bedrag in rekening te brengen.

4.9.

Defam stelt zich op het standpunt dat de rente die na 30 mei 2013 in rekening is gebracht als vertragingsvergoeding moet worden aangemerkt en dat deze van rechtswege verschuldigd is. Defam verwijst in dat verband naar hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van de kredietvergoeding. De kantonrechter overweegt hierover dat de onder 4.6 weergegeven wetsgeschiedenis ziet op de kredietvergoeding en niet op de vertragingsvergoeding. De stelling dat hieruit reeds volgt dat vertragingsvergoeding verschuldigd is, gaat dan ook niet op. De verwijzing van Defam naar het arrest van het Hof Den Bosch van 4 december 1995, dat overigens betrekking heeft op een persoonlijke lening, geeft evenmin steun aan haar stelling dat de vertragingsvergoeding van rechtswege verschuldigd is. Het Hof overweegt in dit arrest immers met zoveel woorden dat de kredietverstrekker gerechtigd is om vertragingsvergoeding te bedingen, waaruit volgt dat deze niet verschuldigd is indien deze niet is bedongen.

4.10.

Defam heeft voorts betoogd dat de verschuldigdheid van vertragingsvergoeding van rechtswege voortvloeit uit artikel 44 lid 2 WCK dat het volgende bepaalt:

“Indien bij ontbinding van een zodanige overeenkomst een der partijen in een betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van die overeenkomst en afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling, vindt volledige verrekening plaats.” Onder ‘een zodanige overeenkomst’ moet op grond van lid 1 van genoemd artikel worden verstaan een overeenkomst als bedoeld in artikel 7:61 BW.

Zoals onder 4.7 is overwogen ziet deze bepaling ook op de situatie waarin de kredietgever het openstaande saldo ineens opeist. Defam wijst erop dat de kredietnemer, indien hij na de opeising slechts wettelijke rente verschuldigd zou zijn, in een betere vermogenstoestand zou geraken dan wanneer hij de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst zou zijn nagekomen. Dat genoemde bepaling zo moet worden uitgelegd dat na opeising van rechtswege vertragingsrente verschuldigd is blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de tekst van deze bepaling en evenmin uit de wetsgeschiedenis bij genoemd artikel. Bij de beantwoording van de vraag of dit uit de ratio van artikel 44 lid 2 WCK volgt moet tevens acht worden geslagen op het bepaalde in titel 6.5.5 BW met betrekking tot de wederkerige overeenkomsten. In artikel 6:271 BW wordt bepaald dat de ontbinding partijen bevrijdt van de daardoor getroffen verbintenissen en dat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat van de reeds door hen ontvangen prestaties. Artikel 6:277 BW bepaalt vervolgens dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht is haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt doordat geen wederzijdse nakoming plaatsvindt. Beoordeeld moet dus worden welke schade Defam lijdt doordat [gedaagde] zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet is nagekomen. Bij de vaststelling daarvan is van belang dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 7:65 BW gerechtigd is om de overeenkomst te allen tijde kosteloos te beëindigen. [gedaagde] zou op grond daarvan de mogelijkheid hebben gehad om het openstaande saldo ineens af te lossen zonder dat hem kosten in rekening worden gebracht. Daaruit volgt dat in het geval waarin de kredietverstrekker het saldo ineens opeist evenmin kosten in rekening mogen worden gebracht. De stelling van Defam dat zij hierdoor schade lijdt gaat dan ook niet op. Indien de overeenkomst door [gedaagde] door betaling van het gehele bedrag zou zijn beëindigd zou zij evenmin contractuele rente in rekening hebben kunnen brengen. In de onderhavige situatie waarin een aanzienlijk bedrag openstaat waarvan – zoals Defam stelt – op korte termijn geen volledige betaling verwacht wordt, lijdt Defam weliswaar schade doordat zij rente derft. De ten gevolge van het beëindigen van de overeenkomst gederfde rente is echter geen contractuele rente maar wettelijke rente. Dit betekent dat over het verschuldigde van bedrag € 7.814,84 wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 30 mei 2013 tot de voldoening.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Defam worden begroot op:

- dagvaarding € 94,79

- advertentiekosten € 227,60

- griffierecht € 462,00

- salaris gemachtigde € 250,00 (1 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 1.034,39

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Defam tegen bewijs van kwijting te betalen € 7.814,84 met de wettelijke rente daarover vanaf 30 mei 2013 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Defam, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.034,39, waarin begrepen € 250,- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.