Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2327

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
UTR 14/3345 en UTR 14/3351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft beslist dat de dwangsom op het festival The Waterline van €100.000,- van de gemeente De Bilt blijft staan. Dit betekent dat de organisatie de dwangsom moet betalen als zij het festival The Waterline in Fort Voordorp op zaterdag 7 juni toch door laten gaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2044
JOM 2014/604
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/3345 en UTR 14/3351

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2014 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Fort Voordorp B.V., te Groenekan, verzoeker 1

(gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven),

Danceworld B.V. te Blaricum, verzoeker 2

(gemachtigde: mr. M.I. Houben)

en

de burgemeester van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigden: Z. Farafonow en M. Heimgaertner).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder verzoeker 1 gelast het indoor- en outdoorfestival ‘The Waterline’ (het festival) in en op het terrein van Fort Voordorp aan de Voordorpsedijk 28 b te Groenekan op zaterdag 7 juni 2014 geen doorgang te laten vinden onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-.

Bij separaat besluit van 5 juni 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder verzoeker 2 gelast het indoor- en outdoorfestival ‘The Waterline’ in en op het terrein van Fort Voordorp aan de Voordorpsedijk 28 b te Groenekan op zaterdag 7 juni 2014 geen doorgang te laten vinden onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-.

Verzoekers (verzoeker 1 en verzoeker 2) hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en het primaire besluit te schorsen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Namens verzoeker 1 is verschenen [A], bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verzoeker 2 is verschenen [B], bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verzoeker 2 verschenen [C], hoofd beveiliging en [D], verantwoordelijk voor de productie van het festival. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Verweerder heeft volgens het primaire besluit op 3 juni 2014 via onder andere de website www.djguide.nl kennis genomen van het voornemen van verzoeker 2 om op zaterdag 7 juni 2014 van 15.00 uur tot 3.00 uur een feest te organiseren in Fort Voordorp te Groenekan. Nadat tussen partijen telefonisch contact is geweest, heeft verzoeker 1 op 4 juni 2014 een aanvraag om een evenementenvergunning bij verweerder ingediend. Verweerder heeft, gelet op de korte termijn, niet op die aanvraag beslist, maar heeft wel besloten over te gaan tot handhaving zoals is neergelegd in de genoemde besluitvorming onder Procesverloop.

3.

Artikel 5:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt dat een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Artikel 2:24, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van De Bilt 2009 (APV) bepaalt dat onder evenement wordt verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak.

Het eerste lid, aanhef en sub f van dat artikel bepaalt dat uitgezonderd daarvan is het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen.

4.

Verzoekers voeren aan dat volgens hen geen sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV en dat om die reden geen evenementenvergunning is aangevraagd. Verzoeker hebben daarbij verwezen naar het bepaalde in artikel 2:24, eerste lid, aanhef en onder f, van de APV waarin het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen wordt uitgezonderd van het begrip evenement. Volgens verzoeker 1 valt het festival onder de reguliere exploitatie van de inrichting.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel een evenementenvergunning vereist is omdat het festival een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, van de APV. Er is geen sprake van de uitzondering in de genoemde bepaling onder f van de APV omdat het hier gaat om een feest dat door een extern bedrijf is georganiseerd en niet valt onder de normale bedrijfsvoering van Fort Voordorp. Vanwege het bepaalde in artikel 2:25, eerste lid, van de APV begaan verzoekers volgens verweerder een overtreding als het festival op zaterdag 7 juni 2014 doorgaat.

5.

De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun standpunt dat het festival geen evenement is in de zin van de APV. Gelet op de beschikbare informatie van de website van verzoeker 2 en de facebookpagina van het evenement is de voorzieningenrechter van oordeel dat het festival moet worden aangemerkt als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Onder ‘voor publiek toegankelijk’ dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden verstaan een activiteit die in beginsel voor een ieder toegankelijk is, eventueel gereguleerd door bijvoorbeeld kaartverkoop. ‘Voor publiek toegankelijk’ suggereert openbaarheid op enigerlei wijze voor (delen van) de bevolking ter onderscheiding van voor het algemene publiek juist niet toegankelijke – en daarmee in beginsel besloten – activiteiten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker 2 aangevoerd dat er alleen kaartverkoop via internet plaatsvindt, dat je op de hoogte wordt gesteld van het feest via een maillijst, dat er bepaalde voorwaarden zijn waar je aan moet voldoen om te worden toegelaten zoals een dresscode en een bepaalde leeftijdseis en dat er een gastenlijst beschikbaar is. Er worden geen kaarten meer aan de deur verkocht. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers toelichting niet leidt tot de conclusie dat het gaat om een besloten activiteit, maar dat het naar zijn oordeel een voor (delen van) de bevolking toegankelijke activiteit is.

Dit betekent dat het festival in ieder geval voldoet aan de omschrijving van het begrip evenement zoals opgenomen in artikel 2:24, eerste lid, aanhef van de APV.

6.

Over het beroep van verzoekers op de uitzonderingsbepaling van artikel 2:24, eerste lid, aanhef en onder f, van de APV overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat Fort Voordorp in het bezit is van een Drank- en Horecawetvergunning. Het Fort voldoet daarmee aan het begrip inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet. Echter, de voorzieningenrechter is van oordeel dat het festival niet valt onder de gelegenheid geven tot dansen en dat het daarmee niet valt onder de uitzonderingsbepaling van het begrip evenement. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verzoeker 1 en verzoeker 2 een overeenkomst met elkaar zijn aangegaan, waarbij verzoeker 2 het festival organiseert. Er zijn verschillende podia waar verschillende dj’s en/of bands optreden. In de toelichting op de APV bij dit artikel is neergelegd dat een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen wel als evenement kan worden aangemerkt. Hierbij zijn als voorbeelden het optreden van een band, een houseparty of een kooigevecht genoemd. Ook staat in de toelichting dat wanneer een feest een ‘besloten’ karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, er sprake is van een evenement. Gelet op deze toelichting, het feit dat verzoeker 1 niet zelf de organisatie verricht en het festival meer behelst dan enkel het gelegenheid geven tot dansen is de bovengenoemde uitzonderingsbepaling niet van toepassing. Dit betekent dat het festival is aan te merken als een evenement in de zin van Afdeling 7 van de APV.

7.

Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat sprake is van een evenement waarvoor een evenementenvergunning is vereist en deze niet aanwezig is, handelen verzoekers als het festival doorgang zou vinden in strijd met artikel 2:25, eerste lid, van de APV. Daarmee is de bevoegdheid van verweerder om tot handhaving over te gaan gegeven.

8.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan afzien. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

9.

De voorzieningenrechter stelt allereerst ten aanzien van concreet zicht op legalisatie vast dat verzoeker 2 geen aanvraag voor een evenementenvergunning heeft ingediend. Verweerder heeft voor verzoeker 2 om die reden op goede gronden geen concreet zicht op legalisatie aanwezig geacht.

10.

Verzoeker 1 heeft op 4 juni 2014 een aanvraag om een evenementenvergunning ingediend en het bij de aanvraag behorende draaiboek ingevuld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er gelet op de korte termijn geen gelegenheid was om de aanvraag voor te leggen aan de verschillende diensten en/of instanties, zoals onder meer politie en brandweer, zodat niet kan worden beoordeeld of concreet zicht op legalisatie bestaat.

11.

De voorzieningenrechter merkt op dat verweerder na bekendwording met het geplande festival en na indiening van de vergunningaanvraag niet voortvarend en constructief te werk lijkt te zijn gegaan. Er is in het geheel geen informatie naar voren gebracht die verweerders standpunt onderbouwen dat de belangen van openbare orde en veiligheid en belangen van omwonenden in het geding zijn. Verzoekers hebben naar voren gebracht dat eerder evenementenvergunningen zijn verleend voor het festival Happinez. Verzoekers stellen voor bij de vergunningvoorschriften van de voor dit festival verleende vergunning aan te sluiten. Bovendien hebben zij de gebruiksvergunning van 2 september 2004 van verzoeker 1 overgelegd waaruit blijkt dat de brandveiligheid van Fort Voordorp in orde is.

Daarnaast zijn er op het festival vier beveiligingsmensen en twee vip-beveiligingsmensen aanwezig. De organisatie van de beveiliging en de organisatie van het festival hebben beide jarenlange ervaring in het organiseren van dergelijke feesten. Bij eerdere feesten zijn nooit problemen geweest en heeft de politie nooit hoeven optreden, aldus verzoeker 2.

Dit alles maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter nog steeds niet duidelijk of legalisatie van het festival daadwerkelijk mogelijk is. Verweerder en eventuele andere diensten hebben niet beoordeeld of de vergunningvoorschriften van de vergunning van het festival Happinez (die is aangevraagd en verleend voor lezingen en workshops) toereikend zijn voor onderhavig evenement. Dit betreft toch een andersoortig en een op ander publiek gericht evenement. Van die eerdere vergunningsvoorschriften kan daarom niet zonder meer worden uitgegaan. Verweerder heeft hier immers nog geen onderzoek naar kunnen doen. Dat bij eerdere feesten nooit problemen zijn geweest, geeft ook geen garanties voor het komende, onderhavige festival. Bovendien wordt het festival niet door verzoeker 1, maar door een derde, verzoeker 2, georganiseerd, waarmee verweerder niet bekend is.

Kortom, voor de voorzieningenrechter is onduidelijk of en onder welke vergunningvoorschriften de aanvraag ingewilligd had of zou kunnen worden. Op dit moment bestaat er daarom geen concreet zicht op legalisatie en is verweerder ten aanzien van dit punt op goede gronden tot handhaving overgegaan.

12.

Ter zitting hebben verzoekers toegelicht dat hun belangen bij doorgang van het festival zeer groot zijn. Deze belangen bestaan niet alleen uit zeer grote financiële belangen, maar ook uit het behoud van hun goede naam in hun bedrijfsvoering. Verzoeker 2 heeft betoogd dat naast de financiële schade die wordt geleden door annulering van het feest eventuele daaropvolgende schadeclaims kunnen zorgen voor problemen in de bedrijfsvoering met een faillissement tot gevolg. Verweerder heeft wederom de algemene belangen van openbare orde en veiligheid in en om het Fort Voordorp en voor de bezoekers naar voren gebracht. Ook de belangen van omwonenden, door wie verweerder op het festival is geattendeerd, spelen een rol in de belangenafweging.

13.

De voorzieningenrechter weegt deze belangen van verzoekers als volgt. Hoewel de voorzieningenrechter de grote (financiële) belangen van beide verzoekers helder voor ogen heeft en een annulering van het festival gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van beide verzoekers, weegt de voorzieningenrechter de door verweerder gestelde algemene belangen van openbare orde en veiligheid en belangen van de omwonenden zwaarder.

Het is voor verzoekers op zijn zachtst gezegd vervelend dat het festival niet door kan gaan, maar dit maakt niet dat verweerder een eventueel risico op schending van de openbare orde en veiligheid zou moeten aanvaarden. Het komt daarom voor rekening en risico van verzoekers dat zij niet beschikken over de juiste vergunning voor het festival.

14.

Een besluit tot het preventief opleggen van een last onder dwangsom kan slechts worden genomen zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Er zijn voldoende aanknopingspunten dat het festival zonder de daarvoor benodigde vergunning zou worden gehouden en dat overtreding van artikel 2:25, eerste lid, van de APV zou plaatsvinden. Immers, verzoekers hebben verweerder te kennen gegeven dat zij menen geen evenementenvergunning nodig te hebben en zij hebben meegedeeld dat het festival gewoon door zou gaan. Gelet op de bovengenoemde belangen en omstandigheden, waaronder het korte tijdsbestek waarbinnen verweerder moest handelen, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat het opleggen van de last onder dwangsom hier aangewezen was.

15.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken om een voorlopige voorziening af te wijzen.

16.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.