Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2324

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_5303
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Laattijdige Wajong-aanvraag. Ongegrond. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser in staat moest zijn om 16 weken na de aanvraag ten minste 75 % van het minimumloon te verdienen. Hieruit volgt dat eiser sinds de dag waarop hij als jonggehandicapte zou kunnen worden aangemerkt (zijn achttiende verjaardag) theoretisch gezien in staat is gebleken om meer dan 75 % van zijn maatmaninkomen te verdienen. De rechtbank overweegt dat dit er reeds toe leidt dat eiser geen recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/5303

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S. Vermeulen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2013 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 25 januari 2012 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 6 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Die rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan deze rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Na de behandeling van het beroep ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere medische gegevens te overleggen. Eiser heeft vervolgens nadere stukken overgelegd. Verweerder heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 15 mei 2014.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op [1983]. Verweerder neemt in het bestreden besluit aan dat eiser zowel in de periode tussen zijn zeventiende en achttiende verjaardag (de eerste datum in geding) als zestien weken na de datum van de aanvraag, op 10 november 2011 (de tweede datum in geding) medisch gezien beperkingen ondervond. Aan de afwijzing van eisers aanvraag legt verweerder ten grondslag dat eiser, met inachtneming van deze beperkingen, op de tweede datum in geding een theoretische verdiencapaciteit had van ten minste 75 % van het minimumloon.

2.1.

Eiser voert aan dat hij ten tijde van de beide data in geding medisch gezien meer beperkingen ondervond dan die waarvan verweerder op grond van het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan. Hij wijst erop dat hij naar alle waarschijnlijkheid een autismespectrumstoornis heeft en verwijst verder naar de begeleiding en zorg die hij ontvangt in zijn dagelijks leven en de daaraan ten grondslag liggende medische beoordeling. Verweerder stelt zich op het standpunt dat wat eiser aanvoert niet is gebaseerd op nieuwe gegevens en niet tot een ander (medisch) oordeel kan leiden.

2.2.

De rechtbank stelt voorop dat aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een bijzondere waarde toekomt in die zin, dat verweerder zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Daarvoor is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA3794).

2.3.

Eiser heeft een brief overgelegd van 12 augustus 2011 van R. Aarts, psychiater in opleiding, en S. Henselmans, psychiater, die concluderen dat er een grote kans is dat eiser een autismespectrumstoornis heeft. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapportage, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, aanneemt dat eiser op de eerste datum in geding medisch gezien beperkingen ondervond op het gebied van intensieve sociale en intermenselijke contacten. Deze beperkingen komen volgens de rapportage naar alle waarschijnlijkheid voort uit een autismespectrumstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt verder aan dat deze beperkingen nog steeds aanwezig waren op de tweede datum in geding, terwijl eiser toen daarnaast beperkingen ondervond als gevolg van een paniekstoornis met agorafobie. De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat verweerder er in het bestreden besluit reeds van uit is gegaan dat eiser een autismespectrumstoornis heeft. De door eiser overgelegde brief waaruit diezelfde stoornis naar voren komt voegt in zoverre dan ook niets toe aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en kan niet tot het oordeel leiden dat de medische beoordeling onjuist is.

2.4.

Eiser heeft verder indicatiebesluiten overgelegd van 25 april 2012 en 3 september 2013 van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), op grond waarvan hij aanspraak maakt op zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In deze indicatiebesluiten heeft het CIZ bij eiser beperkingen aangenomen op het gebied van sociale redzaamheid, psychisch functioneren en psychisch zelfbevinden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische beoordeling in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid onjuist is. Nog afgezien van de omstandigheid dat deze beoordeling in het kader van de Wet Wajong verschilt van de beoordeling die het CIZ verricht in het kader van de AWBZ, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapportage immers eveneens beperkingen aangenomen op vergelijkbare gebieden.

2.5.

Dat eiser vindt dat nog nadere beperkingen zouden moeten worden opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst heeft hij niet met medische stukken onderbouwd. In wat eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank gelet hierop en gelet op rechtsoverwegingen 2.3. en 2.4. geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling onjuist is. Eiser heeft bovendien niet aangevoerd dat de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, inconsistenties bevat of niet concludent is. Dit is de rechtbank ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

3.1.

Eiser voert verder aan dat de conclusie uit het arbeidskundig onderzoek, dat hij ten minste 75 % van het minimumloon kan verdienen, onjuist is, omdat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Hij wijst er daarbij op dat hij sinds zijn zeventiende verjaardag niet in staat is geweest om langer dan zes maanden arbeid te verrichten. In de functie waarin hij in 2007 en 2008 heeft gewerkt functioneerde hij niet goed, zodat die werkzaamheden niet betrokken kunnen worden bij de vraag of hij in staat is geweest arbeid te verrichten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de conclusie uit het arbeidskundig onderzoek juist is, gelet op de bij eiser vastgestelde beperkingen.

3.2.

De rechtbank overweegt dat uit de Wet Wajong volgt dat als jonggehandicapte – voor zover hier van belang – wordt aangemerkt iemand die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als gevolg van ziekte gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75 % van het maatmaninkomen te verdienen. Gelet hierop heeft verweerder terecht de medische beperkingen van eiser beoordeeld ten tijde van de eerste datum in geding. Een jonggehandicapte heeft op grond van de Wet Wajong vervolgens recht op arbeidsondersteuning, indien hij – voor zover hier van belang – sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75 % van het maatmaninkomen te verdienen. Het recht op arbeidsondersteuning ontstaat echter niet eerder dan zestien weken na de dag van de aanvraag daarvoor. Gelet hierop heeft verweerder terecht ook de medische beperkingen van eiser beoordeeld ten tijde van de tweede datum in geding. Uit de systematiek van de Wet Wajong volgt dat verweerder met inachtneming van de aldus bij eiser vastgestelde medische beperkingen diende te beoordelen of eiser al dan niet in staat is gebleven om 75 % van zijn maatmaninkomen te verdienen. Dat betekent dat geen recht op arbeidsondersteuning bestaat als uit de arbeidskundige beoordeling volgt dat eiser op enig moment na zijn achttiende verjaardag een dergelijke (theoretische) verdiencapaciteit heeft of heeft gehad.

3.3.

Niet in geschil is dat het maatmaninkomen in dit geval gelijk is aan het wettelijk minimumloon. De rechtbank is in rechtsoverweging 2.5. tot het oordeel gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling en de daaruit volgende beperkingen onjuist zijn. Eiser heeft zijn stelling dat de daarop gebaseerde arbeidskundige beoordeling onjuist is bovendien niet anderszins onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser in staat moest zijn om op de tweede datum in geding ten minste 75 % van het minimumloon te verdienen. Hieruit volgt dat eiser sinds de dag waarop hij als jonggehandicapte zou kunnen worden aangemerkt (zijn achttiende verjaardag) theoretisch gezien in staat is gebleken om meer dan 75 % van zijn maatmaninkomen te verdienen. De rechtbank overweegt dat dit er reeds toe leidt dat eiser geen recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong.

3.4.

In deze situatie is vervolgens niet vereist dat verweerder beoordeelt of eiser op zijn achttiende verjaardag daadwerkelijk als jonggehandicapte dient te worden aangemerkt. Evenmin is relevant of eiser in de periode tussen de eerste en de tweede datum in geding in staat is geweest om gedurende een bepaalde periode inkomen uit arbeid te vergaren en of hij in de functie waarin hij in 2007 en 2008 heeft gewerkt goed functioneerde. De uitkomst van de beoordeling van die vragen kan immers niet afdoen aan de omstandigheid dat eiser op de tweede datum in geding de vereiste theoretische verdiencapaciteit had. De rechtbank zal wat eiser over zijn arbeidsverleden in 2007 en 2008 heeft aangevoerd dan ook niet bespreken. De beroepsgrond slaagt niet.

4.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, rechter, in aanwezigheid van

E. Said, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2014.

(de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen)

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.