Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2056

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
C/16/366924 / KG ZA 14-246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bastion heeft in een kort geding gevorderd dat het de Staat (Inspectie SZW) wordt verboden om in kader van onderzoek naar naleving arbeidswetten (o.a.) te intimideren en te dreigen met bemoeienis politie. Misbruik van bevoegdheden die tot ingrijpen door voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden, evenals aanwezigheid volmacht werknemers.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0332
AR-Updates.nl 2014-0480
AR 2014/348
RAR 2014/115
JAR 2014/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/366924 / KG ZA 14-246

Vonnis in kort geding van 21 mei 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASTION HOTEL DORDRECHT B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASTION HOTEL HET LOO B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASTION WESTERN HOTEL AIRPORT B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASTION HOTEL AIRPORT B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASTION B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN, INSPECTIE SZW,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat dr. mr. J.P. Heinrich te Den Haag.

Partijen zullen hierna Bastion c.s. en de Inspectie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1-9 van 17 april 2014,

  • -

    de brief met producties 1-5 van de Inspectie van 1 mei 2014,

  • -

    de aanvullende producties 10-14 van Bastion c.s. van 5 mei 2014,

  • -

    de aanvullende productie 6 van de Inspectie van 6 mei 2014,

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 7 mei 2014,

  • -

    de pleitnota van Bastion c.s.

  • -

    de pleitnota van de Inspectie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiseressen sub 1-4 exploiteren Bastionhotels. Bij eiseres sub 5 is een deel van het personeel van de hotels in dienst.

2.2.

De Inspectie is een onderdeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij is onder andere belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in verschillende arbeidswetten, zoals de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) en de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag (hierna: Wml).

2.3.

In 2012 heeft de Inspectie een viertal meldingen ontvangen met de strekking dat Bastion c.s. niet alle gewerkte uren aan haar werknemers zou uitbetalen. Ook in 2013 heeft de Inspectie vier meldingen met die strekking ontvangen. In maart 2013 heeft de Inspectie Bastion c.s. een waarschuwing gegeven, omdat was gebleken dat Bastion c.s. aan een van haar werknemers minder loon had betaald dan waarop deze ingevolge de Wml recht had. Het ging om een bedrag van € 185,98. Bastion c.s. heeft dit bedrag alsnog voldaan.

2.4.

In juni 2013 heeft de Inspectie tegen Bastion c.s. een boeterapport opgemaakt in verband met een overtreding van de Wav.

2.5.

Momenteel doet de Inspectie een onderzoek naar de naleving van de in overweging 2.2. genoemde arbeidswetten door Bastion c.s. In dat kader hebben toezichthouders van de Inspectie op 6 november 2013 onaangekondigd een bedrijfsbezoek gebracht aan Bastion c.s. De toezichthouders hebben onderzoek gedaan naar de administratie en werkplekcontroles uitgevoerd. Ook hebben zij verschillende werknemers van Bastion c.s., onder wie ook medewerkers van de huishoudelijke dienst, gehoord. De Inspectie heeft ten behoeve van dit bedrijfsbezoek een draaiboek en een vragenlijst opgesteld.

2.6.

Het onderzoek is nog gaande. In maart en april 2014 heeft de Inspectie van een aantal werknemers van Bastion c.s. aanvullende verklaringen opgenomen.

2.7.

Bastion c.s. heeft herhaaldelijk haar ongenoegen geuit over de handelwijze van de Inspectie bij het afnemen van verklaringen van haar werknemers. Zij heeft de Inspectie gesommeerd de aangehouden wijze van verhoren te staken en bij nog volgende verhoren de nodige zorgvuldigheid te betrachten. De Inspectie heeft de aantijgingen van de hand gewezen, laatstelijk bij brief van 23 april 2014.

3 Het geschil

3.1.

Bastion c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding:

  • -

    aan de Inspectie zal verbieden om in het kader van het lopende onderzoek van de Inspectie werknemers van Bastion c.s. te dreigen met betrokkenheid van de politie of verhoren op een politiekantoor;

  • -

    aan de Inspectie zal verbieden om in het kader van het lopende onderzoek van gedaagde werknemers van Bastion c.s. op intimiderende wijze te bejegenen;

  • -

    aan de Inspectie zal verbieden om werknemers van Bastion c.s. in hun privésfeer te benaderen;

  • -

    aan de Inspectie zal gebieden om voorstellen van werknemers van Bastion c.s. ten aanzien van locatie, tijdstip en datum van eventuele nieuwe verhoren te accepteren, zolang de locatie is gelegen in de statutaire vestigingsplaats van de betreffende werkgever, het tijdstip gedurende kantoortijden is en de datum een werkdag is niet later dan twee weken nadat de Inspectie de betreffende werknemer heeft laten weten hem of haar (nog een keer) te willen verhoren;

  • -

    zal bepalen dat alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,00 zal zijn, voor iedere overtreding van de Inspectie van de op te leggen verboden of het op te leggen gebod; en

  • -

    de Inspectie zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

De Inspectie voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bastion c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Inspectie bij de uitvoering van haar onderzoeksbevoegdheden de belangen van Bastion c.s. onvoldoende in het oog houdt en daardoor onrechtmatig jegens haar handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de civiele rechter – in dit geval van de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

4.2.

De voorzieningenrechter dient de vorderingen van Bastion c.s. echter met terughoudendheid te beoordelen, omdat het oordeel ten gronde aan de bestuursrechter is. Indien de Inspectie in haar naar aanleiding van haar onderzoeksbevindingen op te stellen rapport tot de conclusie komt dat Bastion c.s. één of meer bepalingen uit de in overweging 2.2. genoemde arbeidswetten heeft overtreden, is het (nadat de bestuurlijke voorfasen zijn doorlopen) de bestuursrechter die daarover, en over de vraag of de Inspectie tijdens het onderzoek binnen de kaders van haar wettelijke bevoegdheden is gebleven, zal moeten oordelen. Deze terughoudendheid betekent niet dat toewijzing van de vorderingen onmogelijk is. Voor toewijzing is echter wel vereist dat buiten redelijke twijfel is dat de Inspectie onrechtmatig jegens Bastion c.s. heeft gehandeld, zoals Bastion c.s. heeft gesteld, en ook dat de bestuursrechter – indien geadieerd – in een later stadium tot een dergelijk oordeel zal komen.

4.3.

Aldus kunnen de vorderingen slechts worden toegewezen, ingeval en voor zover met de in kort geding vereiste hoge mate van aannemelijkheid kan worden geoordeeld dat de manier waarop de Inspectie het onderzoek tot op heden heeft uitgevoerd, zodanig te vrezen geeft voor overschrijding van haar onderzoeksbevoegdheden gedurende de nog resterende looptijd van het onderzoek, dat ingrijpen door de voorzieningenrechter geboden is. Of daarvan sprake is, zal hierna worden beoordeeld, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding ziet om de eerste twee vorderingen gezamenlijk te beoordelen en de laatste twee vorderingen eveneens.

Dreiging met betrokkenheid van politie of met verhoren op een politiebureau; bejegening op intimiderende wijze

4.4.

Bastion c.s. heeft gesteld dat de Inspectie haar werknemers heeft gedreigd met betrokkenheid van de politie of met het afnemen van de verhoren op een politiebureau, waardoor het onderzoek ten onrechte in de criminele sfeer is getrokken. Ook heeft zij gesteld dat de Inspectie haar medewerkers op intimiderende wijze heeft bejegend. Bastion c.s. heeft daartoe uiteengezet dat haar werknemers, met name haar medewerkers van de huishoudelijke dienst, veelal laagopgeleid zijn en van buitenlandse afkomst. Verschillende medewerkers hebben bovendien bij voorbaat negatieve associaties bij de begrippen ‘verhoor’ en ‘politie’, die gerelateerd zijn aan de in hun land van herkomst bestaande praktijken. Bastion c.s. heeft er in dit verband ook op gewezen dat niet steeds een tolk aanwezig was bij de verhoren, waardoor het doel ervan is ontgaan aan werknemers die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn. Bastion c.s. heeft verder uiteengezet, onderbouwd met verklaringen van managers die hiervan bij hun leidinggevenden melding hebben gemaakt, dat veel werknemers van slag waren door de manier waarop de Inspectie te werk is gegaan, dat zij ten onrechte vreesden voor het behoud van hun baan en dat het verzuim sinds het bezoek van de Inspectie is toegenomen.

4.5.

De Inspectie heeft betwist dat zij werknemers van Bastion c.s. op intimiderende wijze heeft bejegend. Zij heeft aangevoerd dat zij er wel mee bekend is dat de door haar uitgevoerde onderzoeken belastend kunnen zijn en kunnen leiden tot spanningen en ongerustheid, maar dat dit vaak zijn oorzaak vindt in de opstelling van de werkgever en in de al dan niet terechte vrees van werknemers die op basis van een nul-urencontract op oproepbasis werkzaam zijn, dat zij niet meer door hun werkgever zullen worden opgeroepen als zij hun medewerking verlenen aan het onderzoek. Om die reden heeft de Inspectie het doel van haar bedrijfsbezoek juist grondig uitgelegd en heeft zij steeds geverifieerd of werknemers voldoende begrepen waarom het ging, aldus de Inspectie, die verder heeft aangevoerd dat zij telefonisch de beschikking had over tolken, van wie in enkele gevallen ook gebruik is gemaakt. De Inspectie heeft ook betwist dat zij werknemers heeft gedreigd met betrokkenheid van politie. Wel heeft zij de werknemers van Bastion c.s. gewezen op de mogelijkheid om de verhoren desgewenst op een politiebureau af te nemen. De Inspectie heeft hen daartoe uitgelegd dat zij zelf niet beschikt over ruimtes om getuigen te horen, dat zij daarom steeds in overleg met een te horen werknemer-getuige kiest voor een geschikte locatie voor het verhoor, zoals in het pand van de werkgever, bij de werknemer thuis, of op het politiebureau, waar de politie desgewenst ruimte aan inspectiediensten, zoals de Inspectie, ter beschikking stelt. De Inspectie heeft de werknemers van Bastion c.s. daarbij voorgehouden dat de politie verder geen bemoeienis met het onderzoek heeft, hetgeen zij volgens haar hebben begrepen. Verder heeft de Inspectie erop gewezen dat ingeval van Bastion c.s. niemand daadwerkelijk op een politiebureau is verhoord. De meeste werknemers zijn bij Bastion c.s. verhoord, een enkeling thuis.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop het niet onaannemelijk te achten dat een onaangekondigde bezoek van de Inspectie an sich al enige druk met zich brengt. Dat kan de Inspectie echter niet worden verweten; zij oefent immers een wettelijke controlebevoegdheid uit. Aan Bastion kan wel worden toegegeven dat die druk mogelijk toeneemt doordat de Inspectie het politiebureau noemt als mogelijke locatie voor verhoor, terwijl zij in plaats daarvan wellicht ook andere, minder beladen, gelegenheden zou kunnen overwegen. Het gebruik maken van een politiebureau voor verhoren als de onderhavige is volgens de Inspectie staande praktijk en kan in zoverre dus niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Daarbij komt dat in casu geen enkel verhoor daadwerkelijk op een politiebureau is afgenomen, zodat de enkele vermelding van het politiebureau als mogelijke verhoorlocatie onvoldoende wordt geacht voor het aannemen van de op dit onderdeel gestelde intimidatie en dreiging door de Inspectie.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat de Inspectie de gestelde intimidatie en dreiging gemotiveerd heeft betwist en dat zij bovendien enkele (zij het geanonimiseerde) aanvullende verklaringen van werknemers in het geding heeft gebracht, waarin deze met zoveel woorden hebben betwist dat zij zich tijdens hun eerste verhoor door de Inspectie onder druk gezet hebben gevoeld. Dat laat vanzelfsprekend de mogelijkheid onverlet dat andere verhoorde werknemers zich wel geïntimideerd hebben gevoeld, maar dat daarvan sprake is geweest, is niet aannemelijk geworden. De door Bastion c.s. ter zake in het geding gebrachte verklaringen zijn immers de auditu-verklaringen, waaraan minder waarde toekomt dan aan verklaringen van direct betrokken werknemers zelf, over hun eigen specifieke verhoor. Dergelijke verklaringen ontbreken echter. Bovendien is gesteld noch aannemelijk geworden dat met betrekking tot die specifieke verhoren concrete klachten zijn ingediend bij de Inspectie. Bastion c.s. heeft in dit verband alleen gesteld dat het ziekteverzuim sinds het bezoek van de Inspectie is toegenomen, maar ook daar gaat de voorzieningenrechter aan voorbij, nu die stelling in het geheel niet is onderbouwd. Voor zover zich toch incidenten zouden hebben voorgedaan, rechtvaardigen die bij gebreke van concrete aanwijzingen daarvoor geen algeheel verbod voor toekomstig handelen door de Inspectie, waarbij nog komt dat de vordering, voor zover deze ziet op het niet op intimiderende wijze bejegenen van werknemers van Bastion c.s. in de voorliggende vorm zo onbepaald is dat deze daarom al niet kan worden toegewezen. Dat geldt temeer nu de Inspectie ter zitting heeft laten weten dat het onderzoek inmiddels in de afrondende fase is, dat naar haar verwachting nog hooguit zeven personen worden verhoord, die niet (meer) allemaal werkzaam zijn bij Bastion c.s. Aldus kan niet de conclusie worden getrokken dat de Inspectie zodanig misbruik van haar bevoegdheden heeft gemaakt, dat de wijze waarop de verhoren zijn verlopen in strijd is met in redelijkheid daaraan te stellen eisen, op een manier die tot ingrijpen door de voorzieningenrechter noopt. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Benadering werknemers in privésfeer; acceptatie redelijke eisen werknemers

4.8.

Bastion c.s. heeft gesteld dat de Inspectie werknemers van Bastion c.s. ten onrechte in hun privésfeer heeft benaderd en dat de Inspectie redelijke eisen van haar werknemers ten aanzien van locatie, tijdstip en datum van eventuele nieuwe verhoren dient te honoreren.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt dat gesteld noch aannemelijk is dat Bastion c.s. mede namens haar werknemers in rechte optreedt. Een bewijs van volmacht of lastgeving ontbreekt, terwijl dat wel van Bastion c.s. had mogen worden verwacht, aangezien niet kan worden uitgesloten dat de belangen van de werknemers van Bastion c.s. in deze zaak afwijken van die van Bastion c.s. zelf. Een indicatie voor het bestaan van uiteenlopende belangen kan worden gevonden in de door de Inspectie in het geding gebrachte (geanonimiseerde) aanvullende verklaringen van werknemers van Bastion c.s. De strekking van die verklaringen is immers dat Bastion c.s. een poging heeft ondernomen om de betreffende werknemers na hun eerste verhoor door Bastion c.s. opgestelde brieven te laten ondertekenen, waarin de werknemers hun eerdere verklaring herroepen als zijnde bezijden de waarheid en tot stand gekomen onder druk van de inspecteurs, terwijl de werknemers blijkens diezelfde aanvullende verklaringen nog steeds achter hun eerdere verklaringen staan.

4.10.

Wat verder ook zij van de inhoud van die verklaringen (waarvan de juistheid overigens niet door Bastion c.s. is betwist), kunnen de op de werknemers van Bastion c.s. betrekking hebbende vorderingen gelet op het voorgaande hoe dan ook niet worden toegewezen. Wat partijen ter zake verder nog hebben gesteld, behoeft dan ook geen bespreking.

Dwangsom

4.11.

Bastion c.s. heeft gevorderd dat de Inspectie bij overtreding van de gevorderde verboden en het gevorderde gebod dwangsommen zal verbeuren. Nu de hoofdvorderingen niet zullen worden toegewezen, geldt datzelfde voor de dwangsommen: ook dit deel van de vorderingen zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.12.

Bastion c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Inspectie worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Bastion c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Inspectie tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.1

1 type: CD4485 coll: