Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:2026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
C/16/364886 / KG ZA 14-180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter in Utrecht heeft vrijdag bepaald dat zorginstelling ’s Heeren Loo een cliënt mag overplaatsen naar een andere locatie van de instelling.

De vader van de cliënt, een ernstig verstandelijk gehandicapte jongeman, spande afgelopen maart een kort geding tegen de zorginstelling aan om de overplaatsing te voorkomen. Daarnaast wil de vader dat het ’s Heeren Loo wordt verboden om een medebewoner, die zijn zoon meerdere keren fysiek heeft mishandeld, terug te plaatsen naar de locatie waar zijn zoon op dit moment verblijft.

Partijen zijn het erover eens dat de zoon niet voor de rest van zijn leven op zijn huidige locatie zal kunnen blijven en dat hij op enig moment moet worden overgeplaatst naar een andere locatie. De vader en ’s Heeren Loo hebben daarover volgens de voorzieningenrechter ook nadere afspraken met elkaar gemaakt. Zij zijn overeengekomen dat de nieuwe locatie moet beantwoorden aan het woonprofiel van de zoon. Wanneer het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) oordeelt dat sprake is van een goede en passende locatie, zullen beide partijen ervan uitgaan dat deze locatie geschikt is voor de zoon.

In maart bepaalde de voorzieningenrechter dat het CCE diende te beoordelen of de nieuwe locatie geschikt is voor de gehandicapte zoon. In afwachting van dit onderzoek mocht de zoon niet naar een andere locatie worden overgeplaatst en mocht de medebewoner niet teruggeplaatst worden naar de locatie waar de zoon op dit moment verblijft.

Vandaag besliste de voorzieningenrechter dat de zorginstelling de zoon mag overplaatsen. Het CCE concludeert dat de benodigde zorg, zoals omschreven in het zorgplan, op de nieuwe locatie geleverd kan worden. Omdat er geen onoverkomelijke zaken rond de overplaatsing aan de orde zijn, acht het CCE de locatie geschikt voor de zoon. Volgens de voorzieningenrechter zijn er ook geen andere omstandigheden waaruit blijkt dat de nieuwe locatie niet geschikt is voor de zoon.

De zoon mag naar de nieuwe locatie worden overgeplaatst zodra er een passend verhuisplan is opgesteld. De instelling hoeft niet te wachten met de overplaatsing totdat er een onherroepelijke beslissing is in een bodemprocedure. Alle eerdere beslissingen die de voorzieningenrechter in maart nam, zoals het verbod om de medebewoner terug te plaatsen, komen hiermee te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/364886 / KG ZA 14-180

Vonnis in kort geding van 23 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te[woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. Boelens te ‘s-Gravensande,

tegen

de stichting

STICHTING ‘S HEEREN LOO,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. S.E. Garvelink te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en 's Heeren Loo genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 maart 2014

  • -

    de brief van mr. Garvelink van 27 maart 2014 inzake de bereidheid van het CCE om te adviseren

  • -

    de brief van mr. Garvelink van 11 april 2014 met daarbij het advies van het CCE (“Beantwoording van de vragen, zoals gesteld in het voorlopige vonnis inzake verhuizing”, d.d. 8 april 2014) en de daaraan voorafgaande adviesaanvraag van mr. Boelens en mr. Garvelink

  • -

    de akte vermindering van eis, tevens houdende eisvermeerdering, van [eiser], met producties 10-18

  • -

    producties 19 en 20 van [eiser]

  • -

    de brief van mr. Garvelink van 7 mei 2014 met bezwaar tegen de eiswijziging, en producties 26-33

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 mei 2014

  • -

    de pleitnota van ‘s Heeren Loo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Eiswijziging. [eiser] heeft zijn eis gewijzigd aldus, dat hij zijn vordering die is vermeld in het tussenvonnis van 20 maart 2014 (hierna: het tussenvonnis) in 3.1 onder b) heeft laten vallen, en aan zijn eis heeft toegevoegd een vordering tot veroordeling van 's Heeren Loo om de zorgovereenkomst ten aanzien van[A] voort te zetten op de [locatie A] totdat hierover in een – binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn op te starten – bodemprocedure onherroepelijk anders is beslist, op straffe van dwangsommen. De voorzieningenrechter heeft op de zitting van 8 mei 2014 het bezwaar van 's Heeren Loo tegen deze eiswijziging gepasseerd. De voorzieningenrechter zal aldus beslissen op basis van de gewijzigde eis. Deze strekt ertoe, samengevat, dat[A] op de [locatie A] blijft en dat zijn (voormalig) medebewoner (2.8 van het tussenvonnis) daarnaar niet terugkeert, alles zolang als in een bodemprocedure niet onherroepelijk anders is beslist.

2.2.

Toetsingskader. Anders dan [eiser] stelt, is in geval van overplaatsing van[A] door 's Heeren Loo geen sprake van opzegging van de door [eiser] met 's Heeren Loo gesloten overeenkomst, of iets wat daarmee is gelijk te stellen. Die overeenkomst voorziet juist – dit is onweersproken – in de mogelijkheid van overplaatsing. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de tussen [eiser] en 's Heeren Loo gesloten overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst inzake geneeskundige behandeling (van[A]) in de zin van artikel 7:446 e.v. BW, zoals [eiser] stelt, geldt dan ook niet als maatstaf de vraag of 's Heeren Loo in de zin van artikel 7:460 BW “gewichtige redenen” heeft om[A] over te plaatsen. Of die er in het onderhavige geval zouden zijn, kan daarom in het midden blijven. Wel moet een besluit tot overplaatsing zorgvuldig worden genomen, daarbij moeten de van belang zijnde feiten en omstandigheden zorgvuldig worden vastgesteld, en moeten ook overigens de belangen van de diverse betrokkenen zorgvuldig in aanmerking worden genomen. De vraag die voorligt is of het ‘s Heeren Loo met de voorgenomen overplaatsing van[A] aan die norm heeft voldaan, mede in aanmerking genomen de advisering door het CCE.

2.3.

De vragen aan het CCE. In het tussenvonnis had de voorzieningenrechter bepaald dat [eiser] en ‘s Heeren Loo zich gezamenlijk tot het CCE moesten wenden met het verzoek om antwoord te geven op de volgende vragen:
- is de locatie [locatie B], met inbegrip van de voorzieningen en zorg die ‘s Heeren Loo daar biedt of in het geval van overplaatsing van[A] in het vooruitzicht stelt (productie 12 van ‘s Heeren Loo) volgens het CCE geschikt voor[A] in die zin dat deze locatie aan het woonprofiel van[A] voldoet, en zo nee,
- valt deze locatie geschikt te maken voor[A], en zo ja, aan welke voorwaarden moet dan
worden voldaan, en binnen welke termijn zouden deze voorwaarden kunnen worden
gerealiseerd?

2.4.

Het rapport. Het CCE heeft bij rapport van 8 april 2014, opgesteld door [B] en [C] (hierna: het rapport), hierover geadviseerd. Dit advies houdt in dat naar het oordeel van het CCE de voor[A] benodigde zorg, zoals omschreven in het woonprofiel, kan worden geleverd op locatie [locatie B]. Volgens 's Heeren Loo beantwoordt het CCE de aan haar gestelde vraag of de [locatie B] voldoet aan het woonprofiel van[A], aldus bevestigend. [eiser] stelt dat hiervan geen sprake is; volgens hem voldoet volgens het CCE de [locatie B] op een aantal punten kennelijk niet helemaal.

2.5.

[eiser] maakt niet duidelijk waarop hij met deze stelling precies doelt.

2.6.

Bewegen/vervoer/zich terugtrekken. Het rapport vermeldt dat in geval van verhuizing van[A] naar de [locatie B], er voor[A] alternatieve bewegingsmogelijkheden moeten worden gevonden en/of[A] zal moeten leren in een busje ergens naartoe te gaan (kennelijk bedoelt het CCE: om buiten het terrein van de [locatie B] te gaan fietsen, wandelen of zwemmen) en dat hiervoor een plan van aanpak moet worden opgesteld. Verder vermeldt het rapport dat[A] zal moeten worden aangeleerd, binnen de mogelijkheden die de [locatie B] biedt, om zich terug te trekken (kennelijk bedoelt het CCE: anders dan op zijn (nieuwe) kamer). Wat betreft het plan van aanpak voor vervoer/beweging: partijen zijn het erover eens dat het opstellen van een dergelijk plan niet veel tijd hoeft te vergen. Het ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook voor de hand dat een dergelijk plan naar zijn aard slechts betrekking kan hebben op een eerste fase, en dat juist naar gelang de ervaringen het plan kan worden doorontwikkeld of bijgesteld. Ontegenzeggelijk zal in geval van verhuizing er een periode van gewenning moeten zijn, die mede betrekking zal hebben op beweging/vervoer/zich terugtrekken. Maar daarmee kan klaarblijkelijk aanstonds na de verhuizing, mocht die gaan plaatsvinden, worden begonnen. Dat[A] in geval van verhuizing zal moeten wennen, maakt niet dat de [locatie B] ongeschikt moet worden geoordeeld zolang als die gewenning niet heeft plaatsgevonden of is “voltooid”. Een dergelijke zienswijze zou ongerijmd zijn, omdat deze een verhuizing categorisch zou uitsluiten. Het CCE spreekt in haar rapport ook niet een dergelijk oordeel uit.

2.7.

Communicatie en begeleiding. Het rapport maakt nog opmerkingen over het communicatieniveau van[A] en zijn begeleiding (balans volgen/sturen), maar, zo merkt het rapport zelf hierover op, dit zijn geen onoverkomelijke zaken.

2.8.

Alternatieve locatie/verhuisplan. Tot slot maakt het rapport nog opmerkingen over de alternatieve locatie voor[A], op het terrein [locatie C], die 's Heeren Loo aan [eiser] heeft aangeboden (de [locatie D]). Het CCE stelt in het rapport het wenselijk te achten dat partijen een maand uittrekken om tussen de beide locaties ([locatie B] en [locatie D]) een weloverwogen keuze te maken. Vervolgens (na die keuze) zijn volgens het rapport vermoedelijk nog enkele weken nodig om een door alle partijen gedragen verhuisplan op te stellen. Het eerste – keuze tussen [locatie B] en [locatie D] – is kennelijk niet of niet meer actueel, gegeven de e-mail van het CCE aan mr. Boelens en mr. Garvelink van 6 mei 2014 (productie 20 van [eiser]), waarin het CCE het oordeel uitspreekt dat het, op basis van bevindingen van [B] van na het rapport, de [locatie D] alsnog niet geschikt acht. [eiser] heeft ook niet gesteld dat hij – nochtans – een keuze wil maken of daarvoor bedenktijd wil.

2.9.

Conclusie: het rapport biedt geen steun voor de gevraagde voorzieningen. Het voorgaande noodzaakt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het CCE de [locatie B] geschikt acht voor[A], met dien verstande dat volgens het CCE vermoedelijk nog enkele weken nodig zullen zijn voor het opstellen van een door alle partijen gedragen verhuisplan. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om de door [eiser] ingestelde vorderingen voor beperkte duur toe te wijzen of anderszins nog ordemaatregelen te treffen om dit laatste – het opstellen van een door alle partijen gedragen verhuisplan – te faciliteren. Daarbij staat voorop dat van ‘s Heeren Loo niet kan worden verlangd dat zij pas tot overplaatsing van[A] overgaat indien een door haar opgesteld verhuisplan door alle partijen wordt gedragen. Zij moet zich ervoor inspannen om zo’n draagvlak zoveel als mogelijk te bevorderen, maar méér kan van haar niet worden gevergd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding, en [eiser] heeft iets anders ook niet gesteld, om te veronderstellen dat ‘s Heeren Loo die inspanning niet zal leveren. In tegendeel, 's Heeren Loo heeft als productie 28 een geactualiseerd concept verhuisplan in het geding gebracht en daarover heeft [eiser] in dit geding geen opmerkingen gemaakt. Zijn vorderingen zijn hierop verder ook niet gericht.

2.10.

[eiser] wil niet gebonden worden door het rapport. [eiser] betoogt, voor het – zich hier voordoende – geval dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het rapport als zodanig niet aan de door ‘s Heeren Loo voorgenomen overplaatsing in de weg staat, dat hij niet aan het oordeel van het CCE kan worden gehouden. Dat oordeel is volgens hem, samengevat, het gevolg van het verschaffen van onjuiste informatie door 's Heeren Loo aan het CCE en het door ‘s Heeren Loo doelbewust “ongeschikt” maken van de [locatie A] voor[A]. In de eerste plaats voert [eiser] aan dat ‘s Heeren Loo het CCE een andere (minder ernstige) CIZ-indicatie heeft voorgespiegeld dan[A] in werkelijkheid had en heeft: ZZP6VG in plaats van ZZP7VG. [eiser] licht niet toe wanneer en hoe ‘s Heeren Loo dat volgens hem heeft gedaan, 's Heeren Loo betwist dat zij dit heeft gedaan, en ter zitting van 8 mei 2014 hebben [C] en [B] verklaard steeds – ook bij hun rapport – te zijn uitgegaan van ZZP7VG. Dit is volgens alle betrokkenen de juiste indicatie. Dat ‘s Heeren Loo op enig moment in het verleden van ZZP6VG is uitgegaan, en dit ten onrechte, is hiervoor irrelevant: in het traject met het CCE heeft dit klaarblijkelijk geen rol gespeeld.

2.11.

In de tweede plaats voert [eiser] aan dat 's Heeren Loo de (maximum)leeftijd voor de [locatie A] heeft verlaagd van 30 naar 25 jaar, om zo een reden te hebben voor overplaatsing van[A]. Deze stelling kan niet afdoen aan het de inhoud en kwaliteit van het rapport, dat immers slechts de vraag beantwoordt (en moest beantwoorden) of de [locatie B] geschikt is (te maken) voor[A], niet of de [locatie A] dat wel of niet is. Daarbij komt dat [eiser], toen hij met 's Heeren Loo afsprak om zich te committeren aan het oordeel van het CCE, al bekend was met wat hij nu kwalificeert als verlaging van de maximumleeftijd voor de [locatie A]. Zijn stelling over verlaging van de maximumleeftijd kan dus ook niet afdoen aan zijn eerdere bereidverklaring om zich aan het oordeel van het CCE te committeren. Overigens volgt de voorzieningenrechter [eiser] niet in zijn stellingname dat sprake is van verlaging van de maximumleeftijd of een garantie dat[A] tot of tot en met zijn 30e in de [locatie A] zou mogen blijven, en al helemaal niet dat 's Heeren Loo de maximumleeftijd heeft verlaagd om een excuus te creëren voor overplaatsing van[A]. Dat ‘s Heeren Loo voor een locatie op enig moment een maximumleeftijd heeft geïndiceerd (zoals bij de plaatsing van[A] op de [locatie A]) betekent niet dat 's Heeren Loo niet zou mogen besluiten tot overplaatsing uit die locatie op een eerdere (of, in voorkomend geval: latere) leeftijd, bijvoorbeeld vanwege de (overige) ontwikkeling van de persoon in kwestie, al dan niet in relatie tot die van de overige groepsleden en/of een verandering in de groepssamenstelling. Andersom wijzigt een zodanige individuele overplaatsing niet de (indicatieve) maximumleeftijd voor de locatie als zodanig. Evenmin sluit het op enig moment bestaan van een bepaald profiel voor een locatie, uit dat ‘s Heeren Loo dat profiel later wijzigt en daarop besluit tot overplaatsing van cliënten die niet meer in dat (aangepaste) profiel passen. Voor alles geldt dat ‘s Heeren Loo daarbij zorgvuldig te werk moet gaan. Maar dat ‘s Heeren Loo dat in het geval van[A] niet heeft gedaan reeds door toe te werken naar een overplaatsing vóór[A]’s 31e verjaardag, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden.

2.12.

Dit laatste geldt ook voor de stellingen van [eiser] die erop neerkomen dat 's Heeren Loo het profiel van de [locatie A] heeft gewijzigd of wil gaan wijzigen door jongere en/of agressievere cliënten daarin toe te laten. Enerzijds heeft 's Heeren Loo voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling van[A] heeft gemaakt dat hij steeds meer behoefte heeft aan een rustige(r) omgeving, zodat de overplaatsing zelfs bij handhaving van het bestaande profiel van de [locatie A] geïndiceerd kon zijn. Anderzijds moet het een organisatie als 's Heeren Loo vrijstaan – mits zorgvuldig te werk wordt gegaan – om, al naar gelang het cliëntenaanbod en de ontwikkeling van (overige) bewoners, het profiel van een locatie aan te passen (of: zich te laten aanpassen). Of ‘s Heeren Loo het profiel van de [locatie A] nu reeds heeft aangepast of wil gaan aanpassen en wat dat exact betekent, kan daarom in het kader van dit geding in het midden blijven.

2.13.

De conclusie uit het voorgaande moet luiden dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat hij niet mag worden gebonden aan het advies (het rapport) van het CCE.

2.14.

Belangenafweging. Ook buiten hetgeen het CCE in haar rapport heeft gesteld, is de voorzieningenrechter niet gebleken van omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat de [locatie B] niet geschikt is voor[A], op basis van het woonprofiel of anderszins, of in andere zin dat de door ‘s Heeren Loo voorgenomen overplaatsing moet worden tegengehouden.

2.15.

Conclusie. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Ter vermijding van misverstand: dit betekent dat dit vonnis het eindvonnis is in de onderhavige procedure en dat hiermee de in 5.7 en 5.9 van het tussenvonnis opgelegde verboden een einde nemen.

2.16.

Proceskosten. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van 's Heeren Loo, tot op heden, worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

2.17.

De nakosten zullen worden begroot op de in het dictum weergegeven wijze.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van 's Heeren Loo tot op heden begroot op € 1.424,00,

3.3.

veroordeelt [eiser], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door 's Heeren Loo volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.1

1 type: JWF 4231FJ(Mcoll: BvdG 4373