Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1924

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
16-701005-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOTS - Veroordeelde is in Zweden tot een gevangenisstraf van 9 jaar veroordeeld wegens drugshandel. Aan veroordeelde wordt -nadat de zaak is terugverwezen door de Hoge Raad- door de rechtbank een lagere straf opleggen, te weten een gevangenisstraf van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701005-13

Rekestnummer: WTS-I-2012050035

Datum uitspraak: 1 april 2014

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken - na terugverwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 28 januari 2014 - naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 2 april 2013, strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het gerechtshof Svea Hovrätt te Stockholm (Zweden) d.d. 31 augustus 2012, waarbij is veroordeeld:

[veroordeelde],

geboren op [1980] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans gedetineerd te P.I. Utrecht – HvB Nieuwegein,
hierna te noemen de veroordeelde,

ter zake van gekwalificeerde drugssmokkel, tot onder meer een gevangenisstraf van negen (9) jaren.

De stukken

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken:

- een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, d.d. 9 februari 2010, waarbij wordt toegestaan de overlevering van [veroordeelde] aan de Public Prosecutor of the International Division of the Public Prosecutor in Stockholm, Zweden, ten behoeve van het in Zweden tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, onder de voorwaarde dat indien betrokkene na overlevering tot een vrijheidsstraf zou worden veroordeeld, hij deze straf in Nederland kan ondergaan en dat deze zal worden omgezet;

- een brief d.d. 20 november 2012 van Kriminalvarden aan het Justitiedepartement te Stockholm (Zweden) met het verzoek om de bevoegde overheidsinstanties in Nederland op de hoogte te stellen van het verzoek van [veroordeelde] tot overbrenging naar Nederland, waaruit blijkt dat de veroordeelde zich sinds 5 september 2012 in detentie bevindt en de te verwachten datum van vervroegde invrijheidstelling in Zweden 19 november 2017 is;

- een geschrift d.d. 29 oktober 2012, inhoudende een instemming van veroordeelde met betrekking tot overbrenging naar Nederland voor het ondergaan van het overblijvende gedeelte van zijn straf;

- een vonnis van Svea Hovrätt d.d. 31 augustus 2012, waaruit blijkt dat de veroordeelde ter zake van overtreding van de Wet (2000:1255) betreffende de straf voor smokkel op 31 augustus 2012 werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren;

- een geschrift d.d. 6 september 2012, waaruit blijkt dat de volledige termijn van de veroordeling, zonder voorwaardelijke invrijheidstelling, die moet worden uitgezeten begint op 5 september 2012 en zal zijn verstreken op 19 november 2020;

- de tekst van de toepasselijke artikelen van de Zweedse strafwet;

- de geautoriseerde vertaling in de Nederlandse taal van de hiervoor genoemde stukken;

- de stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding op 2 april 2013, de inverzekeringstelling, de bewaring en gevangenhouding van veroordeelde;

- de vordering verlof tenuitvoerlegging van de officier van justitie ex artikel 18 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen d.d. 2 april 2013;

- de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 13 juni 2013, waarbij de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Svea Hovrätt te Stockholm d.d. 31 augustus 2012 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf en waarbij de rechtbank aan veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek oplegt;

- het arrest van de Hoge Raad d.d. 28 januari 2014, waarbij de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland is vernietigd en de zaak is terugverwezen naar deze rechtbank teneinde de zaak opnieuw te behandelen en af te doen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan.

Het onderzoek ter terechtzitting

Ter openbare terechtzitting van 18 maart 2014 heeft de behandeling van de vordering plaats gehad. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman Malevicz, advocaat te Amsterdam.

De veroordeelde heeft verklaard:
dat hij [veroordeelde], geboren op [1980] te [geboorteplaats] (Marokko) is;

dat het vonnis, waarbij hij in Zweden is veroordeeld hem bekend is;

dat hij blij is met de beslissing van de Hoge Raad;

dat hij hoopt dat de beslissing van de rechtbank omtrent de hoogte van de straf anders uitpakt.

De officier van justitie heeft ter zitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen voorgelezen en deze vervolgens aan de rechtbank overgelegd.

De raadsman van de veroordeelde heeft onder meer bepleit aan de veroordeelde een lagere straf op te leggen dan in Zweden aan hem is opgelegd, en wel een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Deze straf is naar het oordeel van de verdediging, in verhouding met de straf in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] en de rol van verdachte, alsmede zijn persoonlijke omstandigheden, een passende straf.

Beoordeling van de toelaatbaarheid van de vordering

De vordering is gegrond op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Tractatenblad 1983, nr. 74 (verder te noemen: het Verdrag) en op de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder te noemen: de Wet).

De overgelegde stukken voldoen aan de eisen gesteld in genoemd Verdrag.

Blijkens de inhoud van die stukken zou de veroordeelde in Zweden op 19 november 2017 vervroegd in vrijheid worden gesteld.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van het Verdrag en aan de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 18 van de Wet.

Van beletselen als bedoeld in artikel 30 lid 1 van de Wet is niet gebleken.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland is derhalve op het Verdrag en de Wet gegrond en toelaatbaar.

De strafoplegging

De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet juncto artikel 9, eerste lid, sub b, van het Verdrag mee dat de rechtbank voor de straf die Zweden aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.

Ten laste van veroordeelde is bij meergenoemd vonnis bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde drugssmokkel.

Dit feit is strafbaar gesteld bij § 3 lid 1 en § 6 lid 3 van de Wet (2000:1255) betreffende de straf voor smokkel.

Het overeenkomstige feit is naar Nederlands recht strafbaar gesteld in de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet. Ter zake van dit feit kan een maximum straf van 12 jaren of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Bij samenloop kan het strafmaximum met een derde worden verhoogd.

De rechtbank acht de veroordeelde ter zake van dit strafbare feit strafbaar, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die deze strafbaarheid zouden kunnen verminderen of opheffen.

Bij het bepalen van de sanctie heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen daaromtrent is voorgeschreven in artikel 11 van het Verdrag.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen hetgeen door de Hoge Raad bij voornoemd arrest van 28 januari 2014 is overwogen en bepaald.

De rechtbank overweegt dat bij het opleggen van de straf als uitgangspunt dient te worden genomen dat de in het buitenland opgelegde straf moet worden vervangen door een straf die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader. Bij die vervanging dient tevens rekening gehouden te worden met internationale gevoeligheden.

Naar het oordeel van de rechtbank dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met de navolgende omstandigheden.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs zowel in Nederland als in Zweden als een ernstige inbreuk op de rechtsorde geldt. Door zich (deels) in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland gebruikelijk is.

De rechtbank houdt in het kader van de rechtsgelijkheid tevens rekening met de strafoplegging in de zaak tegen de medeverdachte, aan wie in Nederland een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren is opgelegd, in plaats van de in Zweden aan hem opgelegde gevangenisstraf van 13 jaren.

De rechtbank houdt voorts rekening met de detentie(omstandigheden) van de veroordeelde in Zweden, in het bijzonder met het gegeven dat hij gedurende 7 maanden in beperkingen heeft doorgebracht, in welke periode hij geen bezoek heeft kunnen ontvangen, en dat hij gedurende het eerst jaar van zijn detentie in Zweden nauwelijks heeft mogen bellen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de in Zweden aan de veroordeelde opgelegde straf, in aanmerking genomen de maximumstraf die naar Nederlands recht op het feit is gesteld en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, dusdanig hoog is dat volledige tenuitvoerlegging van de door Zweden opgelegde straf in redelijkheid niet verantwoord is.

Op vorenstaande gronden is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren niet gerechtvaardigd is en zal zij een lagere straf opleggen dan door het Svea Hövratt in Stockholm (Zweden) is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

BESLISSING

De rechtbank acht de tenuitvoerlegging toelaatbaar en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Svea Hovrätt te Stockholm (Zweden) d.d. 31 augustus 2012 voor zover het betreft de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank legt aan de veroordeelde ter zake van het in dat vonnis bewezenverklaarde feit op een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren met aftrek van de tijd gedurende welke veroordeelde ter zake van dit feit in Zweden en in Nederland van zijn vrijheid beroofd is geweest, te weten op 26 en 27 november 2009 (Nederland), van 22 tot en met 25 november 2011 (Nederland), van 25 november 2011 tot 2 april 2013 (Zweden) en van 2 april 2013 tot en met heden (Nederland).

Aldus gedaan door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. J.F. Haeck en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, bijgestaan door mr. A.M. Westerhout als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 1 april 2014.