Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1908

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
C-16-341765 - HA ZA 13-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering kosten procedure (in 4 instanties) door belastingadviseur. Verweer is dat deze kosten zijn gemaakt om de gevolgen van een beroepsfout te herstellen. Dit verweer wordt verworpen, omdat van een fout geen sprake is. Ook het feit dat de kosten hoger

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/341765 / HA ZA 13-262

Vonnis van 28 mei 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLYNTH B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.S. Zilstra te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A.W. Brantjes en mr. T. van Gammeren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Flynth en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 augustus 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2014

  • -

    de akte uitlating proces-verbaal van Flynth.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Flynth houdt zich bezig met het verrichten van werkzaamheden op het gebied van administratie en accountancy en het verstrekken van economische, juridische en fiscale adviezen. Zij is de rechtsopvolgster van onder anderen GIBO Adviesgroep Belastingen B.V. Waar in het dossier GIBO wordt genoemd zal de rechtbank hierna in verband met deze rechtsopvolging GIBO aanduiden als Flynth.

2.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren een landbouwmaatschap, met name gericht op fruitteelt.

2.3.

Flynth heeft in december 2000 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], via [accountantskantoor A], de boekhouder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], opdracht gekregen te adviseren in verband met een geschil tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de Belastingdienst. Flynth heeft in dat verband de volgende facturen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezonden:

  1. Declaratie 1739652 d.d. 27-05-2010 ad € 28.382,33

  2. Declaratie 1784840 d.d. 08-09-2010 ad € 3.128,06

  3. Declaratie 1819171 d.d. 18-11-2010 ad € 1.733,10

  4. Declaratie 1905698 d.d. 27-04-2011 ad € 997,30

  5. Declaratie 2189078 d.d. 14-01-2013 ad € 15.179,95

  6. Declaratie 2201705 d.d. 15-02-2013 ad € 220,48

Totaal € 49.641,22

2.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de in 2.3 genoemde facturen ontvangen, maar niet betaald.

2.5.

De belastingaangiften van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de jaren 1998 tot en met 2002 zijn steeds verzorgd door [accountantskantoor A] in de persoon van [A] (hierna: [A]).

2.6.

Flynth heeft namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een procedure gevoerd tegen de Belastingdienst. Deze procedure heeft geleid tot enkele rechterlijke uitspraken, te weten:

Rechtbank Haarlem 25 juni 2008, nr. AWB 06/10778 en 06/10780,

Gerechtshof Amsterdam 1 april 2010, nrs. 08/00824 en 08/00823,

Hoge Raad 4 mei 2012, LJN BW4749,

Gerechtshof ’s-Gravenhage 19 december 2012, nrs. BK-12/00415 tot en met 12/00418.

De uitspraken van het Gerechtshof ’s-Gravenhage, de Hoge Raad en het Gerechtshof Amsterdam zijn door partijen overgelegd.

2.7.

In zijn arrest van 4 mei 2012 heeft de Hoge Raad onder meer als volgt overwogen:

(…)

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in maatschapsverband een fruit- en sorteerbedrijf. Zij hebben in 1991 landbouwgrond aangekocht en tot het ondernemingsvermogen gerekend. In 1998 is een gedeelte van die grond (1000 m2) onttrokken aan de feitelijke uitoefening van het landbouwbedrijf voor de bouw van een bedrijfswoning. In verband daarmee hebben belanghebbende en zijn echtgenote bij het doen van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 dat gedeelte (hierna: de grond) aangemerkt als zijnde overgebracht van ondernemingsvermogen naar privévermogen en hebben zij te dier zake winst in aanmerking genomen.

Bij een nadien door de Inspecteur enerzijds en belanghebbende en zijn echtgenote anderzijds verrichte gezamenlijke taxatie van de onttrokken grond is deze naar de toestand per 1 januari 1998 getaxeerd op een waarde in het economische verkeer van ƒ 400.000 en op een waarde in het economische verkeer bij een agrarische bestemming als cultuurgrond van ƒ 9000. Op grond van deze taxatie heeft de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige aanslag de door belanghebbende aangegeven winst verhoogd en volledig belast.

De aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1999 tot en met 2002 van belanghebbende zijn vastgesteld overeenkomstig de voor die jaren gedane aangiften, waarin de grond als privévermogen is aangemerkt. Deze aanslagen stonden ten tijde van het geding voor de Rechtbank en voor het Hof reeds onherroepelijk vast.

3.2.

Voor de Rechtbank en het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende zijn aandeel in de grond, in afwijking van de door hem bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar gemaakte keuze, alsnog tot zijn ondernemingsvermogen mag rekenen, nu die keuze in latere jaren onherroepelijk vaststaande gevolgen heeft gehad.

3.3.1.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft daartoe - samengevat - overwogen dat, zo al niet de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004, nrs. 38650, 39115 en 39751, BNB 2004/335 tot en met 338, een bijzondere omstandigheid opleveren die herziening rechtvaardigde van de door belanghebbende bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar gemaakte keuze, in ieder geval het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel meebrengen dat de Inspecteur zich in redelijkheid jegens belanghebbende niet op het standpunt kan stellen dat belanghebbende uitsluitend wegens de omstandigheid dat de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1999 tot en met 2002 onherroepelijk zijn komen vast te staan, niet in aanmerking komt voor de herziening van de etiketteringskeuze met betrekking tot de grond. Hiertegen richt zich het middel.

3.3.2.

Het middel slaagt. Zoals het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld, bestond ten tijde van de indiening door belanghebbende van zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar onzekerheid omtrent het antwoord op de vraag of de overbrenging van een perceel grond als het onderhavige wel of niet zou leiden tot een belaste bestemmingswijzigingswinst. Gegeven deze onzekerheid leveren de hiervoor in 3.3.1 genoemde arresten, waarmee aan die onzekerheid een eind werd gemaakt, niet een bijzondere omstandigheid op die herziening rechtvaardigde van de bij voormelde aangifte gemaakte keuze om de grond tot het privévermogen te rekenen.

Gegeven die onzekerheid valt ook niet in te zien waarom de Inspecteur zou handelen in strijd met het zorgvuldigheids- of het evenredigheidsbeginsel door de vaststelling van de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1999 tot en met 2002 niet aan te houden en die aanslagen overeenkomstig de ingediende aangifte vast te stellen, en de hiervoor bedoelde herziening voor het onderhavige jaar te weigeren wegens de uit die keuze voortvloeiende en inmiddels onherroepelijk vaststaande gevolgen voor de belastingheffing over andere jaren.

3.4.

Gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de door het Hof onbehandeld gelaten geschilpunten.

(…)”

2.8.

In het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage (hierna: het Hof) is het volgende overwogen:

“(…)

Vaststaande feiten

3.1.

Het Hof gaat uit van de door de rechtbank Haarlem onder 2.1 tot en met 2.7 van haar uitspraak vastgestelde feiten:

2.1. [

Belanghebbende en zijn echtgenote] dreven in het jaar 1998 een onderneming in de vorm van een maatschap. Tot medio 1999 woonden [zij] te [Q], aan de [a-straat]. De maatschap exploiteert een fruit- en sorteerbedrijf aan de [b-straat] te [Z]. [Belanghebbende] ontvangt een winstdeel uit de maatschap van 60% en [de echtgenote] een winstdeel van 40%.

2.2.

In 1991 hebben [belanghebbende en zijn echtgenote] 2,4 hectare landbouwgrond aangekocht ten behoeve van de fruitteelt. [Zij] hebben deze grond gerekend tot hun ondernemingsvermogen. Een deel van de grond is niet beplant. In 1996 is een vergunning verkregen voor de bouw van een schuur op evenvermelde grond. In 1997 is een aanvraag ingediend ten behoeve van de bouw op evenvermelde grond van een door [belanghebbende en zijn echtgenote] te betrekken woning bij het bedrijf. De vergunning is op 18 februari 1998 verleend.

2.3.

In de jaarrekening van de maatschap over het jaar 1998 is vermeld dat de maatschap over een perceel grond ter grootte van 2.32.25 hectare beschikte. Volgens deze jaarrekening is in 1998 500m ² grond, met een boekwaarde van ƒ 3.000, overgeboekt naar privé.

2.4.

Op grond van een nadien, op 20 juni 2000, door [de Inspecteur] en namens [belanghebbende en zijn echtgenote] verrichte gezamenlijke taxatie van de aan de feitelijke uitoefening van het landbouwbedrijf onttrokken grond voor de bouw van de woning bleek het om 1000m² te gaan in plaats van 500m². Het perceel grond, groot 1000m², is naar de toestand per 1 januari 1998 op een waarde in het economisch verkeer getaxeerd van ƒ 400.000 en op een waarde in het economisch verkeer bij een agrarische bestemming van ƒ 9.000.

2.5.

Op 1 juli 1999 heeft [belanghebbende] aangifte IB/PVV 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 212.415 en heeft [de echtgenote] aangifte IB/PVV 1998 gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 145.615.

2.6.

Bij het vaststellen van de aanslag is [de Inspecteur] is uitgegaan van een bestemmingswijzigingswinst van ƒ 391.000 (ƒ 400.000 – ƒ 9.000) waarvan ƒ 27.000 reeds in de jaarrekening is verantwoord. Vervolgens heeft [de Inspecteur] van de resterende bestemmingswijzigingswinst ad (ƒ 391.000 – ƒ 27.000 =) ƒ 364.000 60% aan [belanghebbende] toegerekend (364.000 x 60% = ƒ 218.400) en 40% (364.000 x 40% = ƒ 145.600) aan [de echtgenote]. [De Inspecteur] heeft de door [belanghebbende] aangegeven winst gecorrigeerd met ƒ 218.400 en het belastbaar inkomen van [belanghebbende] vastgesteld op ƒ 430.815. De door [de echtgenote] aangegeven winst is door [de Inspecteur] gecorrigeerd met ƒ 145.600 en het belastbaar inkomen van [de echtgenote] vastgesteld op ƒ 291.215.

2.7.

In bezwaar hebben [belanghebbende en zijn echtgenote] zich op het standpunt gesteld dat de overgang van een tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaak naar privé, om daarop vervolgens een bedrijfswoning te stichten, geen belaste bestemmingswijzigingswinst oplevert. [De Inspecteur] heeft dit standpunt bij uitspraak op bezwaar afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

3.2.

Voorts gaat het Hof uit van de in aanvulling daarop door het hof Amsterdam vastgestelde feiten:

2.2.1.

De aangifte is gedaan op 1 juli 1999.

2.2.2.

Bij brief van 28 augustus 2000 heeft de inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende een reactie gevraagd op het voornemen het belastbaar inkomen te corrigeren met een belaste bestemmingswijzigingswinst terzake van de overbrenging van de (onder)grond naar privé.

2.2.3.

Bij brief van 9 januari 2001 heeft mr. [A] (hierna: de gemachtigde) in reactie op de in 2.2.2. vermelde brief van de inspecteur onder meer het volgende geschreven:

“Wij zijn van mening dat het verschil tussen de W.E.V. en de W.E.V.A.B. onder de landbouwvrijstelling valt. (…) Ons oordeel is gebaseerd op de jurisprudentie van de Hoge Raad. (…) Als (…) na het verkrijgen van een bouwvergunning de ondergrond met woning wordt verkocht dan wel naar het privé-vermogen overgaat, zal er op basis van de arresten HR 8 juli 1996, BNB 1996/310 en 311 en voorts HR 22 april 1998, BNB 1998/198 geen bestemmingswijzigingswinst geconstateerd kunnen worden. De bestemming van de (onder)grond wijzigt immers niet. Voor de overbrenging had de (onder)grond de bestemming van eerste bedrijfswoning en dat is na de overbrenging niet anders. Het zou naar onze mening ook vreemd zijn als er een verschil in fiscale behandeling zou bestaan tussen de situatie dat een eerste agrarische bedrijfswoning bij staking overgebracht wordt naar het privé-vermogen en de situatie dat de overbrenging naar het privé-vermogen geschiedt in het kader van het verlenen van een bouwvergunning voor een eerste agrarische bedrijfswoning. In dit verband merken wij overigens op dat (…) HR 8 juli 1996, BNB 1996/312, HR 7 mei 1997, BNB 1997/236 en HR 20 augustus 1997, BNB 1997/329 zijn gewezen voor situaties van een tweede agrarische bedrijfswoning.

(…)

Gaarne vernemen wij uw reactie. Mocht u (…) nog vragen hebben dan zijn wij uiteraard te allen tijde bereid deze te beantwoorden.”

2.2.4.

Bij brief van 4 mei 2001 heeft de inspecteur zijn standpunt uiteengezet en meegedeeld dat hij bleef bij zijn correctievoorstellen zoals verwoord in de brief van 28 augustus 2000.

2.2.5.

Bij brief van 9 augustus 2001 heeft de gemachtigde zijn standpunt herhaald onder verwijzing naar de eerder door hem genoemde jurisprudentie alsmede naar het arrest van de Hoge Raad van 1 september 1999, BNB 2000/109 in combinatie met de brief van 10 januari 2000 van drs. [B] namens de staatssecretaris van Financiën. De brief eindigt als volgt:

“Gaarne vernemen wij uw reactie. Indien een gesprek op uw eenheid in deze verhelderend kan werken dan zijn wij daar uiteraard te allen tijde toe bereid. Mocht u overigens nog vragen hebben dan vernemen wij zulks graag.”

2.2.6.

Bij brief van 5 september 2001 heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven aan de gemachtigde:

“Uw brief van 9 augustus 2001 (…) geeft mij geen aanleiding om mijn standpunt zoals verwoord in mijn brief van 4 mei 2001 te herzien.

In het arrest van de Hoge Raad van 1 september 1999, BNB 2000/199 die u aanhaalt in uw brief is erf en ondergrond van de woning, wat jarenlang bedrijfsvermogen is geweest, analoog aan het arrest van 8 juli 1996, BNB 1996/310 onbelast gebleven. Daar is in de onderhavige casus geen sprake van. Het litigieuze erf is nooit als erf en ondergrond van een woning dienstbaar geweest aan een landbouwbedrijf. Ook de door u bijgevoegde brief van het Ministerie spreekt voor zich. Hierin staat dat de waardeveranderingen zijn vrijgesteld “indien de grond als bedrijfsvermogen wordt aangemerkt.” Ook hiervan is geen sprake omdat de grond, nadat het de functie/bestemming bouwgrond woonhuis verkreeg, over is gegaan naar het privé-vermogen.

(…)

Tenslotte deel ik u mede dat ik heden tot vaststelling van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 1998 ben overgegaan. De aanslagen zal ik vaststellen conform het gestelde in mijn brief van 28 augustus 2000.”

2.2.7.

De aanslag is opgelegd met dagtekening 19 oktober 2001.

2.2.8.

Naar ter zitting van het Hof is vastgesteld, zijn de aanslagen voor de jaren 1999 tot en met 2002 zonder onderzoek geregeld en conform de gedane aangiften, waarin de woning met bijbehorende (onder)grond als privévermogen was aangemerkt, vastgesteld met als dagtekening respectievelijk 5 december 2001 (1999), 24 januari 2002 (2000), 22 augustus 2003 (2001) en 16 maart 2004. Tegen deze aanslagen is door belanghebbende geen bezwaar gemaakt, zodat ze onherroepelijk zijn komen vast te staan.

2.2.9.

Het pro forma ingediende bezwaarschrift is gemotiveerd bij brief van de gemachtigde van 14 december 2001. De brief eindigt als volgt:

“Het lijkt ons verstandig dat, alvorens de Belastingdienst komt tot een uitspraak op het bezwaarschrift, er een gesprek met de behandelend ambtenaar plaatsvindt. (…) Mocht u overigens nog vragen hebben dan vernemen wij zulks graag.”

2.2.10.

Bij brief van 17 januari 2002 heeft de inspecteur gereageerd op (de motivering van) het bezwaarschrift. De brief eindigt als volgt:

“In uw bezwaarschrift maakt u verschil tussen een eerste en een tweede bedrijfswoning. Naar mijn mening bestaat er geen verschil tussen een eerste en tweede bedrijfswoning. Door de Hoge Raad wordt telkens weer geoordeeld dat, indien er geen sprake is van een feitelijke bestemmingswijziging (wonen is wonen), de landbouwvrijstelling van toepassing is. Indien wel sprake is van een bestemmingswijziging dan behoort de waardeverandering van de grond tot de belastbare winst [te] worden gerekend (…) Bij uw cliënten is nu juist sprake van een bestemmingswijziging (boomgaard wordt wonen) zodat de waardeverandering terecht tot de belastbare winst is gerekend.

Ik ben van mening dat de aanslagen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld en ben voornemens niet aan uw bezwaren tegemoet te komen.

Tot een gesprek ben ik altijd bereid.”

2.2.11.

Gemachtigde heeft bij brief van 2 september 2002 gereageerd. Daarin heeft hij onder meer het volgende geschreven:

“Inmiddels is er in deze kwestie meer duidelijkheid gekomen middels een voor het Hof Den Bosch gevoerde procedure.

(…) Het overbrengen van de ondergrond van de eerste agrarische bedrijfswoning naar het privé-vermogen na het verkrijgen van een bouwvergunning dient naar onze mening onbelast te blijven. Wij baseren ons oordeel op de genoemde jurisprudentie in de brieven van 9 januari en 14 december 2001 en tevens op het arrest van het Hof Den Bosch van 10 juni 2002, gepubliceerd op 20 juni 2002.

Gaarne vernemen wij uw reactie. Indien een gesprek op uw eenheid in deze verhelderend kan werken dan zijn wij daar uiteraard te allen tijde toe bereid. Mocht u overigens nog vragen hebben dan vernemen wij zulks graag.”

2.2.12.

In aanvulling op de brief van 2 september 2002 heeft de gemachtigde bij brief van 5 september 2002 een uitspraak van Hof Amsterdam van 17 juni 2002 aan de inspecteur toegezonden. De brief zegt hierover nog het volgende:

“Het Hof geeft aan dat het overbrengen van de ondergrond van de eerste agrarische bedrijfswoning naar het privé-vermogen na het verkrijgen van een bouwvergunning, gelijk aan de uitspraak van het Hof Den Bosch van 10 juni 2002, onbelast dient te blijven.”

2.2.13.

Bij brief van 6 februari 2003 heeft de inspecteur het volgende meegedeeld aan de gemachtigde:

“In uw bezwaar doet u mede een beroep op een uitspraak van het Gerechtshof te Den Bosch.

Met uw instemming ben ik voornemens de uitspraak op het bezwaar te verdagen, omdat bij de Hoge Raad cassatie is ingesteld tegen bovenbedoelde uitspraak. De uitkomst hiervan kan gevolgen hebben voor de behandeling van het bezwaarschrift.”

2.2.14.

Bij brief van 28 april 2005 heeft [C] namens de inspecteur het volgende meegedeeld aan de gemachtigde:

“De bezwaarschriften [van belanghebbende en zijn echtgenote, Hof] zijn aangehouden in afwachting van nadere jurisprudentie naar aanleiding van uitspraak Hof Den Bosch van 10 juni 2002, nr. 99/00866. Bijgesloten heb ik het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004. Uit het arrest concludeer ik dat in casu terecht bestemmingswijzigingswinst wegens de overgang naar het privé-vermogen van 1.000 m2 grond in aanmerking is genomen.

Ik ben daarom voornemens de bezwaarschriften af te wijzen. Gaarne zou ik van u vernemen of u zich hiermee kunt verenigen”.

2.2.15.

In het verslag van het op 15 augustus 2006 gehouden hoorgesprek is onder meer het volgende vermeld:

“[Gemachtigde] brengt verder naar voren dat hij naar aanleiding van de brief van 28 april 2005 (…) op 02 mei 2005 telefonisch met de heer [C] heeft gesproken en dat [gemachtigde] toen heeft verzocht de bezwaarschriften aan te houden omdat er een Ministeriële Resolutie inz. deze problematiek in de maak was. De heer [C] heeft vervolgens de bezwaarschriften aangehouden.”

2.2.16.

In de uitspraak op bezwaar, gedagtekend 3 oktober 2006, is onder meer het volgende vermeld:

“De toezegging een bezwaar aan te houden tot een Ministeriële Resolutie wordt uitgebracht kan slechts vertrouwen opwekken voorzover deze resolutie van toepassing is op de onderhavige casus. Na de publicatie van de Resolutie blijkt dit niet het geval te zijn omdat de resolutie niet de ruimte geeft op definitief vastgestelde aanslagen terug te komen.”

(…)

Overwegingen omtrent het geschil

8.1.

Ten aanzien van de vraag welke betekenis in het onderhavige geval in het kader van de toepassing van het gelijkheidsbeginsel toekomt aan het Besluit heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 3 februari 2012, nr. 10/02985, LJN BV2576, BNB 2012/110*, herhaald in zijn arrest van 20 april 2012, nr. 10/01454, LJN: BP6660, als volgt geoordeeld. Het Besluit stelt agrarische ondernemers die geen gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid om als gevolg van de invoering van de Wet IB 2001 en de wijziging van de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 in de Wet ondernemerspakket 2001 de tot het ondernemingsvermogen behorende woning te 'heretiketteren', in de gelegenheid deze woning alsnog tot het privévermogen te rekenen per 31 december 2005. Zij dienden dan onder meer hun keuze uiterlijk 30 juni 2006 schriftelijk kenbaar te maken aan de voor hen bevoegde inspecteur van de Belastingdienst. Indien zij gebruik maakten van deze mogelijkheid kon volgens het Besluit de landbouwvrijstelling nog worden toegepast op het verschil tussen de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: WEVAB) cultuurgrond en de WEVAB bouwgrond (hierna: het Beleid).

De aldus geboden mogelijkheid stond derhalve ook open voor agrarische ondernemers die voordat de beëindiging van het Beleid werd bekendgemaakt nog geen aanstalten hadden gemaakt om de etikettering van hun bedrijfswoning te wijzigen of zelfs niet daartoe het voornemen hadden. In zoverre kan het Besluit niet worden geacht in het teken te staan van de beëindiging en afwikkeling van (de gevolgen van) het Beleid; het strekt verder dan het treffen van een overgangsregeling om te voldoen aan gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid of eerbiediging van gewekt vertrouwen. Het Besluit behelst in zoverre een zelfstandige tegemoetkoming die niet was ingegeven door een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bereik van de landbouwvrijstelling. Dit betekent dat met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan door agrarische ondernemers die de ondergrond van hun bedrijfswoning wensen over te brengen naar het privévermogen, die gelijk wensen te worden behandeld als agrarische ondernemers die uiterlijk per 31 december 2005 de tot het ondernemingsvermogen behorende woning naar het privévermogen overbrachten.

8.2.

Het onttrekken van een bestaande woning aan het ondernemingsvermogen wijkt niet in relevante zin af van het onttrekken van cultuurgrond aan het ondernemingsvermogen voor de bouw op die grond van een nieuwe woning.

8.3.

Gelet op het vorenoverwogene hebben belanghebbende en zijn echtgenote voorshands aannemelijk gemaakt zij met recht een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel.

8.4.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de situatie van belanghebbende en zijn echtgenote niet vergelijkbaar is met die in de arresten van de Hoge Raad van 3 februari 2012, nr. 10/02985, LJN: BV2576, BNB 2012/110* en 20 april 2012, nr. 10/01454, LJN BP6660 omdat het in die beide zaken gaat om verkoop of onttrekking van grond die op 27 juni 2000 (de dag waarop de wetgeving ten aanzien van de landbouwvrijstelling ingrijpend gewijzigd is) nog tot het bedrijfsvermogen behoort en die daarna wordt onttrokken/verkocht. Daarvan is in de onderhavige zaken geen sprake. De 1.000 m2 onttrokken grond is al in 1998 naar het privévermogen overgebracht.

8.5.

In de werkafspraak is onder meer vermeld:

[4] Belanghebbende kan evenwel vóór 1 juli 2006, in plaats van hiervoor bedoelde definitieve keuze, ook definitief opteren voor deelname aan een werkafspraak, waarover onderhandelingen zijn gevoerd met de Vereniging van Accountants- en belastingadviesbureau's VLB (hierna VLB). Doel van de werkafspraak is om het aantal taxaties tot een minimum te beperken. Indien geopteerd wordt voor de werkafspraak leveren de belastingconsulentkantoren voor 01 juli 2006 een lijst aan met belastingplichtigen die gebruik willen maken van deze werkafspraak. Vermelding op de lijst houdt in dat de belastingplichtige zich volledig conformeert aan de inhoud van de werkafspraak. Deelname aan de werkafspraak houdt nog geen definitieve heretiketteringskeuze in per 27 juni 2000 of per 1 januari 2001 of per 31 december 2005. Die keuze moet binnen zes weken worden gemaakt, nadat de categorie-indeling en de daaruit voortvloeiende waarde voor de betreffende cliënt zijn bepaald (zie 6.13 en 6.14). Belastingplichtigen kunnen er uiteindelijk ook nog voor kiezen om de woning in het ondernemingsvermogen te houden.

(…)

8.6.

Gelet op de tekst van de werkafspraak faalt het betoog van de Inspecteur. Het begunstigende beleid houdt immers in dat alle agrarische ondernemers tot uiterlijk 31 december 2005 de mogelijkheid geboden krijgen om de ondergrond (al dan niet voorzien) van een bedrijfswoning aan de onderneming te onttrekken met toepassing van de landbouwvrijstelling. Daarbij wordt onder bepaalde voorwaarden verondersteld dat er geen verschil bestaat tussen de WEV-ondergrond en de WEVAB-ondergrond. Het Hof is van oordeel dat deze veronderstelling – die kennelijk wordt ingegeven door de wens het aantal taxaties te beperken – een begunstiging inhoudt, aangezien het voor de hand ligt dat in veel van dergelijke gevallen na de bestemmingswijziging wel degelijk sprake zal zijn van een verschil tussen de WEV-ondergrond en de WEVAB-ondergrond. Bovendien geldt deze begunstiging niet slechts voor degenen die kiezen om de grond per 31 december 2005 over te brengen naar het privévermogen, maar ook voor degenen die de grond per 27 juni 2000 dan wel 1 januari 2001 hebben geheretiketteerd.

8.7.

Belanghebbende heeft gesteld en de Inspecteur heeft dit ter zitting bevestigd, dat bij toepassing van de werkafspraak, in belanghebbendes situatie zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de veronderstelling dat er geen sprake zou zijn van een verschil tussen de WEV-ondergrond en de WEVAB-ondergrond. Het Hof is van oordeel dat wat betreft het vaststellen van de omvang van de winst die onder de landbouwvrijstelling valt, belanghebbendes situatie niet verschilt ten opzichte van de in het Besluit en de werkafspraak beschreven gevallen. Feiten en/of omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat het feit dat belanghebbende en zijn echtgenote de grond reeds in 1998 aan de onderneming hebben onttrokken een in vergelijking met voormelde zaken rechtens relevant verschil vormt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel verhindert, zijn gesteld noch gebleken.

8.8.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en dat de winst behaald met de overbrenging van de grond naar het privévermogen volledig onder de landbouwvrijstelling valt.

8.9.

Gelet op het vorenoverwogene zal het Hof beslissen als hierna is vermeld.

Proceskosten

9.1.

Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende en zijn echtgenote hebben moeten maken voor de behandeling van zijn beroep in eerste en tweede aanleg, cassatie en na verwijzing. Het Hof bepaalt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit); het betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief te bepalen op 7,5 (proceshandelingen: beroepschrift in eerste aanleg (1), conclusie van repliek (0,5), zitting rechtbank (1), hogerberoepschrift (1), zitting hof Amsterdam (1), verweerschrift in cassatie (1), schriftelijke uiteenzetting na cassatie (2x0,5), zitting Hof (1)) x 1,5 (wegingsfactor) x € 322 (waarde per punt) = € 3.622,50. Ter zake van de verzochte vergoeding voor de door belanghebbende en zijn echtgenote in de bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten, sluit het Hof zich aan bij de overwegingen dienaangaande van het hof Amsterdam, leidend tot een schadevergoeding van € 1.486 voor zowel belanghebbende als zijn echtgenote. Het hof acht de zienswijze van het hof Amsterdam en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

9.2.

Voorts dienen aan belanghebbende en zijn echtgenote het voor de behandeling voor de rechtbank in elke zaak gestorte griffierecht van € 38, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep in elke zaak gestorte griffierecht van € 107 te worden vergoed.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag van belanghebbende tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 196.215;

- vermindert de aanslag van de echtgenote tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 134.815;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en zijn echtgenote tot een bedrag van € 3.622,50;

- veroordeelt de Inspecteur tot een vergoeding van de door belanghebbende en zijn echtgenote geleden schade tot een beloop van (voor ieder) € 1.486;

- gelast de Inspecteur het aan belanghebbende en zijn echtgenote betaalde griffierecht ad in totaal € 76 (beroep bij de rechtbank) en € 214 (hoger beroep bij het hof), in totaal € 290 te vergoeden.

(…)”

2.9.

De in 9.1 van het arrest van Hof genoemde bedragen zijn door de Minister van Financiën aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaald. De aanslagen zijn na deze uitspraak door de Belastingdienst aan die uitspraak aangepast.

2.10.

Voordat de hiervoor vermelde procedures waren begonnen bestond een discussie tussen partijen over de vraag of Flynth in haar advisering aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een beroepsfout heeft gemaakt. Partijen hebben afgesproken die discussie na afloop van de procedure(s) voort te zetten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Flynth vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 49.641,22 vermeerderd met de contractuele rente van 3% per kwartaal, subsidiair de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, een en ander per 12 mei 2011 tot de dag van de betaling, alsmede € 7.446,18 aan buitengerechtelijke kosten, subsidiair € 1.500,--, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding (3 april 2013), en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na het (eind)vonnis.

3.2.

Flynth legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht van en voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] fiscale advieswerkzaamheden heeft verricht. Voor die werkzaamheden heeft zij de declaraties aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verstuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de opdracht tezamen gegeven, reden waarom zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, zoals ook is overeengekomen in artikel 11 lid 5 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden van Flynth. Subsidiair zijn zij op grond van artikel 7A:1680 BW ieder voor een gelijk deel aansprakelijk voor de betaling van de openstaande declaraties. De algemene voorwaarden bepalen voorts dat een declaratie binnen twee weken betaald moet zijn, bij gebreke waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een contractuele rente van 3% per kwartaal verschuldigd zijn, dan wel de wettelijke handelsrente vanaf de vijftiende dag na de datum van de declaratie. Voorts zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van de algemene voorwaarden door hun non-betaling buitengerechtelijke kosten verschuldigd ter grootte van 15% van de hoofdsom, een bedrag van € 7.446,18. Subsidiair vordert Flynth buitengerechtelijke kosten, berekend naar de uitgangspunten in het rapport Voor-Werk II, een bedrag van € 1.500,--. Flynth stelt dat haar gemachtigde meer werkzaamheden verricht heeft dan alleen die ter voorbereiding van de procedure, waaronder het doen van schikkingsvoorstellen. Flynth stelt voorts dat zij nimmer enige aansprakelijkheid heeft erkend met betrekking tot de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestelde beroepsfout. Het advies van Flynth is indertijd juist geweest, zoals uit de arresten van de Hoge Raad en het Hof volgt. Op haar rust dan ook geen enkele betalingsverplichting jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen samengevat - dat de rechtbank

  1. de dienstverleningsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden

  2. Flynth zal veroordelen tot betaling van € 9.980,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de betaling

  3. Flynth zal voordelen in de proceskosten.

3.6.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vordering ten grondslag dat Flynth ernstig is tekortgechoten in haar advisering en niet heeft gehandeld als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend dienstverlener mag worden verwacht. Daarom zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet gehouden de facturen van Flynth te betalen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarnaast recht op aanvullende schadevergoeding. Deze bestaat uit door hen gemaakte reiskosten (begroot op € 2.500,--) in verband met de vele procedures, daardoor misgelopen inkomsten (begroot op € 5.500,--) en gemiste rente-inkomsten (begroot op 1.980,--).

3.7.

Flynth voert gemotiveerd verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk behandelen.

4.2.

Op zichzelf staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de declaraties van Flynth niet hebben betaald binnen de daarvoor geldende termijnen. Indien komt vast te staan dat Flynth geen beroepsfout heeft begaan, moet de vordering van Flynth worden toegewezen inclusief de gevorderde contractuele rente en de - te matigen - buitengerechtelijke kosten. De contractuele rente en buitengerechtelijke kosten zijn gebaseerd op de algemene voorwaarden van Flynth, welker toepasselijkheid door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet is betwist. De rechtbank zal dan ook ten eerste onderzoeken of Flynth een beroepsfout heeft begaan.

4.3.

Voor een beschrijving van de gebeurtenissen tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de Belastingdienst verwijst de rechtbank naar punt 3.1 van het arrest van het Hof, zoals is opgenomen in punt 2.8 van dit vonnis. De in het arrest onder 3.2 sub 2.2.3 genoemde “mr. A” is mr. [mr. A] van Flynth (hierna: ‘[mr. A]), zoals blijkt uit productie 15 bij cva/cve in deze procedure.

4.4.

Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat Flynth in de persoon van [mr. A] namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een uitvoerige discussie heeft gevoerd met de inspecteur van de Belastingdienst over de overheveling van een deel van de aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toebehorende agrarische grond naar hun privé vermogen. In de woorden van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft [mr. A] in die discussie het standpunt ingenomen dat van onttrekking van de grond als landbouwgrond geen sprake was en dat de grond derhalve nog steeds als landbouwgrond kwalificeert en dat het Hof uiteindelijk, na verwijzing door de Hoge Raad, een definitief oordeel heeft gegeven, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het gelijk heeft gesteld. Deze procedure is gevoerd in verband met de aangifte en aanslag over het belastingjaar 1998. Over de jaren 1999 tot en met 2002 heeft de Belastingdienst de grond en de woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] steeds overeenkomstig haar uitgangspunt (dat haaks stond op het standpunt van [mr. A]) en in overeenstemming met de aanslag IB 1998 gewaardeerd. Tegen deze aanslagen die, net zo min als die over 1998, niet waren verzorgd door Flynth maar door [accountantskantoor A] in de persoon van [A], zijn geen bezwaarschriften ingediend. Daardoor zijn deze aanslagen onherroepelijk geworden en zijn deze door de Belastingdienst eerst gewijzigd na de uitspraak van het Hof.

4.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] verwijten Flynth dat zij hen er niet op heeft gewezen dat zij tegen de aanslagen IB 1999-2002 bezwaarschriften hadden moeten indienen om te voorkomen dat deze onherroepelijk werden, waardoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] fiscaal verlies zouden lijden. Flynth heeft aldus gehandeld in strijd met de op haar rustende zorgplicht jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Flynth heeft vervolgens, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2], de procedure gevoerd om haar fout goed te maken. Zonder de fout, dus het niet geven van het advies om bezwaarschriften in te dienen, waren deze procedures niet nodig geweest en waren de door Flynth gemaakte kosten niet gemaakt. Onder deze omstandigheden achten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich niet gehouden de declaraties, die uit de fout van Flynth voortvloeien, te betalen.

4.6.

Flynth heeft deze stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwist. Zij stelt dat zij geen opdracht heeft gekregen met betrekking tot het verrichten van enige handeling betreffende de belastingaangiften over de jaren 1998-2002, zodat haar met betrekking tot die aangiften geen verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben, via [A], slechts opdracht gegeven hen te begeleiden bij de discussie met de Belastingdienst in verband met de door [A] verzorgde en ingediende aangifte over het jaar 1998 en over de door de Belastingdienst daarop gegeven aanslag.

4.7.

De rechtbank stelt vast dat Flynth in opdracht van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een procedure heeft gevoerd over de aanslag IB 1998. Flynth heeft niet geprocedeerd aangaande aanslagen IB 1999-2002. De procedure heeft uiteindelijk geleid tot een verlaging van de aanslag IB 1998, zoals is vermeld in de uitspraak van het Hof. Dat oordeel vindt zijn motivering in de punten 8.6 en 8.7 van de uitspraak. Daarna zijn de aanslagen IB 1999-2002, naar de rechtbank begrijpt, door de Belastingdienst eveneens aangepast. De procedure over de aanslag IB 1998 is anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft aangevoerd, niet gevoerd als gevolg van een onjuist advies van Flynth met betrekking tot de aanslagen IB 1999-2002, maar omdat, zoals uiteindelijk is gebleken, de Belastingdienst een onjuiste beslissing had genomen aangaande de aangifte IB 1998. Deze procedure stond dan ook los van de aanslagen IB 1999-2002. Het standpunt van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], dat deze procedure niet nodig zou zijn geweest indien zij, na advies van Flynth, wel bezwaarschriften zouden hebben ingediend tegen de aanslagen 1999-2002, is dan ook niet juist. In zoverre kan niet worden geoordeeld dat Flynth, dan wel [mr. A], een beroepsfout heeft gemaakt. De door Flynth uitgevoerde werkzaamheden zijn dan ook op goede gronden aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedeclareerd en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in beginsel gehouden deze declaraties te betalen.

4.8.

In hoeverre Flynth een beroepsfout heeft begaan door niet te adviseren om bezwaarschriften in te dienen tegen de aanslagen IB 1999-2002, los van de gevoerde procedure, is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet gesteld, noch onderbouwd, zodat de rechtbank daarnaar geen onderzoek zal verrichten. De rechtbank merkt nog wel op dat, in het algemeen, het indienen van een bezwaarschrift niet zonder meer leidt tot opschorting van de betalingsverplichting, maar dat dan aan de Belastingdienst steeds uitstel van betaling gevraagd moet worden door de belastingplichtige. Gesteld noch gebleken is dat de belastingdienst een dergelijk uitstel ook zou hebben verleend. Ook hierom kan dit verweer niet slagen.

4.9.

Subsidiair hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevraagd de hoogte van de declaraties te verminderen, omdat de omvang ervan niet in verhouding staat met de omvang van het uiteindelijk (terug-)gekregen belastingvoordeel. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gesteld dat dat voordeel slechts € 11.000,-- heeft bedragen, maar zij hebben die stelling niet nader onderbouwd. Die stelling lijkt overigens in tegenspraak met het oordeel van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 19 december 2012, waarin in rov. 4.2 is te lezsen dat het belastingvoordeel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uit de aanslag IB 1998

fl. 27.000 bedraagt. Over het voordeel over de volgende jaren hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen stelling ingenomen. Het had op de weg van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelegen om dit verweer nader te onderbouwen. Nu zij dat niet hebben gedaan, moet het verweer worden verworpen. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de aanvang van de procedures ervan op de hoogte waren wat de omvang van het eventuele belastingvoordeel zou zijn.

4.10.

Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het subsidiaire verweer voeren op grond van onjuiste advisering door Flynth moet dit verweer, gezien het voorgaande waarin reeds is geoordeeld dat Flynth niet onjuist heeft geadviseerd, worden verworpen.

4.11.

Naar de rechtbank begrijpt, voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verder aan dat Flynth hen onvoldoende heeft ondersteund en hen niet heeft uitgenodigd voor besprekingen met de Belastingdienst. Uit de stukken kan niet eenduidig worden afgeleid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet uitgenodigd zijn voor enige bespreking, dan wel daarbij niet aanwezig zijn geweest. Voor zover zou komen vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door toedoen van Flynth een enkele keer niet bij een bespreking zijn geweest, oordeelt de rechtbank dat die omstandigheid niet tot verlaging van de declaraties kan leiden. Immers, het betekent niet dat Flynth haar werkzaamheden inhoudelijk niet naar behoren heeft verricht. Ook dit deel van het verweer moet dan ook worden verworpen.

4.12.

De door Flynth verrichte werkzaamheden hebben, mede gelet op de duur van de procedure en de vele genomen procedurele stappen in, uiteindelijk vier instanties, in redelijkheid tot het totaal kunnen leiden. Flynth heeft in deze procedure haar declaraties voldoende gespecificeerd, welke specificaties door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op zichzelf niet zijn betwist. Er is dan ook geen reden om tot verlaging van de totale declaraties over te gaan.

4.13.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de gevorderde contractuele buitengerechtelijke kosten op zichzelf niet betwist. Deze zullen als in overeenstemming gevorderd met Voor-Werk II worden toegewezen, en wel het tot het bedrag van € 1.788,-- exclusief BTW.

4.14.

De in reconventie gevorderde ontbinding en de in verband daarmee gevorderde aanvullende schadevergoeding moeten worden afgewezen. Er is immers geen sprake van enige toerekenbare tekortkoming van Flynth jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Van schade voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten gevolge van het handelen van Flynth is geen sprake.

4.15.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Flynth in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 79,97

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.703,97

Aan de zijde van Flynth bedragen deze kosten in reconventie:

- salaris advocaat € 894,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 894,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, aldus dat indien de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, om aan Flynth te betalen de som van € 49.641,22, te vermeerderen met de contractuele rente van 3% per kwartaal over dat bedrag te rekenen vanaf 12 mei 2011 tot aan de dag van de betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, aldus dat indien de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, om aan Flynth te betalen de som van € 1.788,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 3 april 2013 tot aan de dag van de betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk, aldus dat indien de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Flynth tot op heden begroot op € 3.703,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van Flynth tot op heden begroot op € 894,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.1

1 type: asp/4213coll: GvB