Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1867

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
C-16-368658 - FA RK 14-3033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Afwijzing verzoek tot contra-expertise bij een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: C/16/368658 / FA RK 14-3033

Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling

Beschikking van 9 mei 2014

op het verzoek van de officier van justitie van 8 mei 2014 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van:

[naam],

geboren op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres],

verblijvende in SymforaMeander Ziekenhuis te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Amersfoort van 7 mei 2014 en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).

De rechtbank heeft gehoord:

- de betrokkene,

- mr. T.F.M. Hindriks, raadsvrouw van betrokkene,

- de heer C. Smeekes, arts-assistent.

Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.

De arts heeft ter zitting aangegeven dat geprobeerd wordt om het verhaal van betrokkene te checken. Er is telefonisch contact geweest met familieleden van betrokkene waarvoor betrokkene ook toestemming heeft gegeven. Zij hebben verklaard dat betrokkene actief is als lichtwerker. In het begin ging dit erg goed en heeft betrokkene een ruim cliëntenbestand opgebouwd. Er is echter een moment gekomen dat betrokkene steeds verder is gegaan en mensen ook ongevraagd adviezen is gaan geven. De familie heeft bevestigd dat betrokkene contact zoekt met de man die betrokkene beschuldigt van stalking. In het kader van deze melding is betrokkene meegenomen naar het politiebureau en is een psychiatrisch onderzoek gedaan, wat heeft geleid tot de inbewaringstelling. Mogelijk is er sprake van een psychotische stoornis of waanstoornis. Betrokkene weigert onderzoek naar een mogelijke lichamelijk oorzaak en weigert medicatie.

Betrokkene heeft ter zitting ontkend dat er sprake is van een psychische stoornis. Betrokkene is ‘Padwerker’ en geeft therapie. Zij geeft aan dat ze, in tegenstelling tot hetgeen in de geneeskundige verklaring staat, niet meent dat zij Maria Magdalena is. Wel gelooft betrokkene, in relatie tot haar werk als ‘Padwerker’, in reïncarnatie en verwijst in dat kader naar Maria Magdalena.
Betrokkene geeft aan dat de man die haar beschuldigt van stalking, een collega is en dat zij hem enkel in die hoedanigheid enkele malen heeft benaderd.
In het algemeen is hetgeen in de geneeskundige verklaring staat, onjuist.

Verder heeft betrokkene ontkend dat zij toestemming heeft gegeven aan de arts om met haar familieleden te spreken.

De raadsvrouw van betrokkene heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat er geen sprake is van een psychische stoornis en subsidiair verzocht om een contra-expertise of een second opinion. De raadsvrouw voert hiertoe aan dat de onderzoekende psychiater in het gesprek zelf geen wanen heeft vastgesteld. De psychiater gaat af op de conclusie van een psychiater die betrokkene in het kader van bemoeizorg heeft gezien en ervan overtuigd is dat er sprake is van een psychiatrische stoornis. Deze conclusie is echter niet getrokken naar aanleiding van contact met betrokkene. Daarnaast zijn in de geneeskundige verklaring alleen verklaringen opgenomen van personen die negatief verklaren over betrokkene.

Tevens voert de raadsvrouw aan dat niet is voldaan aan het gevaarscriterium. Dat het gevaar onmiddellijk dreigend zou zijn, wordt niet onderbouwd met nadere stukken, zoals een proces-verbaal van de politie, de melding of de aangifte van stalking. Als er wel is voldaan aan het gevaarscriterium, dan is het gevaar op een andere manier af te wenden, namelijk door de strafrechtelijke interventie van het contactverbod.

De rechtbank is tot de overtuiging gekomen dat het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens, te weten waanstoornissen, de betrokkene gevaar doet veroorzaken. Dit gevaar, namelijk het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander, is zo onmiddellijk dreigend dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht. De rechtbank is van oordeel dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

Ten aanzien van de stoornis en het verzoek om een second opinion overweegt de rechtbank als volgt. Voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is een vaststaande diagnose niet vereist. Voldoende is dat er sprake is van een ernstig vermoeden van een stoornis van de geestvermogens. De onderzoekende psychiater hoeft de wanen niet zelf vast te stellen in een gesprek. Hij mag verschillende bronnen raadplegen en op grond van wat zijn wetenschap hem leert, daaruit zijn conclusies trekken. In dit geval heeft de onderzoekende psychiater gesproken met familieleden, derden, degene die in huis verblijft bij betrokkene, de politie en een andere psychiater. De psychiater is op grond van het onderzoek en de verkregen informatie tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een ernstig vermoeden van een stoornis van de geestvermogens. De rechtbank acht deze conclusie op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk.

Daarvoor is redengevend dat niet alleen familieleden van betrokkene hebben verklaard over de wens van betrokkene om samen te zijn met de getrouwde man, alsmede dat betrokkene het leven anders niet meer ziet zitten, ook de officier van dienst van de politie heeft tegen de psychiater gezegd dat betrokkene op de dag dat zij is aangehouden en onderzocht door de psychiater, diverse malen heeft gezegd dat zij haar leven niet meer ziet zitten als zij niet samen kan zijn met de desbetreffende man die zij ziet als ‘Jozef”. De 19-jarige Belgische man, die kennelijk sinds november 2013 bij betrokkene verblijft en bij betrokkene in therapie is, heeft tegen de psychiater verklaard dat betrokkene en de betreffende getrouwde man voorbestemd zijn voor elkaar en dat hij in dat verband de getrouwde man thuis bezoekt en hem belt ‘om hem interventies te geven.’ De echtgenote van de betreffende man geeft aan dat betrokkene en de 19 jarige Belgische huisgenoot haar per sms en per email laten weten ‘dat zij weg moet’, omdat zij tussen betrokkene en haar echtgenoot staat. De huisgenoot van betrokkene heeft recentelijk meermaals scheldend voor de deur van de getrouwde man en haar echtgenote gestaan ‘‘om haar van haar echtgenoot af te helpen’ en aan te geven dat zij moet verdwijnen.’

Betrokkene heeft ter zitting vooral aangegeven dat het niet waar is, zij heeft slechts af en toe contact gezocht met de betreffende getrouwde man als collega therapeut. Ook heeft zij ontkend de ter zitting aanwezige arts toestemming te hebben gegeven te spreken met haar familie.

Er is derhalve een grote discrepantie tussen hetgeen betrokkene aangeeft over het recente verleden en hetgeen door familie en derden, inclusief haar huisgenoot, wordt verklaard. Dat betrokkene na haar opname niet meer blijk geeft van de betreffende wanen, betekent niet dat zij die wanen niet meer heeft. Zij bagatelliseert kennelijk het gedrag van haarzelf en haar huisgenoot ten opzichte van de betreffende getrouwde man en zijn echtgenote.

Op grond van artikel 29 lid 2 jo. 8, lid 6, eerste volzin Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen kan de rechtbank onderzoek door deskundigen bevelen. De tweede volzin van artikel 8, lid 6 is in het kader van een beslissing op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling niet van toepassing. In dit onderdeel van lid 6 is opgenomen dat de rechter de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen oproept, tenzij de rechter van oordeel is dat betrokkene door het achterwege blijven daarvan redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad.

De rechtbank ziet onvoldoende reden om een onderzoek door de deskundige over deze voorlopige diagnose te bepalen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht, mede ook nu in het kader van deze machtiging een ernstig vermoeden van een stoornis voldoende is en dit vermoeden onder verwijzing naar het voorgaande voldoende is onderbouwd. Immers, uitgaande van hetgeen door familie, politie en derden is verklaard ten opzichte van de psychiater, is er het ernstige vermoeden van de waan dat de betreffende getrouwde man en betrokkene voor elkaar zijn bestemd en worden op basis van die waan door betrokkene en haar huisgenoot ook vergaande maatregelen genomen om te bevorderen dat betrokkene en de betreffende man bij elkaar kunnen zijn. Uit de verklaringen blijkt ook ander gedrag van betrokkene dat deze voorlopige diagnose ondersteunt.

Ten aanzien van het gevaar overweegt de rechtbank als volgt. Betrokkene en haar 19-jarige huisgenoot zijn aangehouden vanwege het stelselmatig lastigvallen van een getrouwde man. Uit het voorgaande volgt dat met name de echtgenote van de betreffende getrouwde man zich ernstig bedreigd voelt door het gedrag van betrokkene en haar huisgenoot. Blijkens de verklaring van de huisgenoot van betrokkene is de echtgenote van de betreffende man ook een probleem bij het samen zijn van betrokkene en deze man. Voorts blijkt uit de verklaringen dat het gedrag van betrokkene en haar huisgenoot de laatste tijd steeds extremer is geworden. Nu betrokkene een heel andere visie heeft op hetgeen is gebeurd en op haar contact met de betreffende man, is er sprake van een ernstig gevaar dat eerdere uitingen ten opzichte van de echtgenote van betrokkene ook werkelijkheid zouden kunnen worden, althans van een ernstig gevaar voor de psychische gezondheid van deze echtgenote. Daarnaast heeft betrokkene nog recentelijk aangegeven een leven zonder de betreffende man niet te zien zitten, zodat ook daarin een ernstig gevaar schuilt. Het is onvoldoende duidelijk in hoeverre dat thans anders is, nu betrokkene die uitingen eveneens ontkent.

Nog daargelaten dat op dit moment geen verifieerbare gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt dat aan betrokkene in het strafrechtelijk kader een contactverbod met de getrouwde man is opgelegd, is ook onvoldoende vast komen te staan dat – gezien de vermoede stoornis van betrokkene – een dergelijk verbod het gevaar zal doen afnemen. Voorts is daarmee nog niet duidelijk dat ook niet meer hoeft te worden gevreesd voor de gezondheid van betrokkene zelf. Als er geen enkel contact meer is met de betreffende man, zou juist dat gevaar nog dreigender kunnen worden.

De rechtbank

wijst het verzoek om onderzoek door de deskundige af,

verleent machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van de betrokkene in SymforaMeander Ziekenhuis te Amersfoort of in een ander psychiatrisch ziekenhuis, tot en met 30 mei 2014.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de verleende machtiging betreft.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Cox-Weber, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2014.