Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1866

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
16-711769-11(ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/711769-11 (ontneming)

Datum uitspraak: 28 februari 2014

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

Raadsman: mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2014 en 14 februari 2014.

1 Deprocedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/711769-11 waaruit blijkt dat verdachte op 28 februari 2014 door deze rechtbank is veroordeeld ter zake van – kort gezegd – gewoontewitwassen;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgenomen op pagina 266 tot en met 273 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee;

- het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 5 september 2013;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 februari 2014.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd te ontnemen een bedrag van € 130.590,24. Dit bedrag is gebaseerd op het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel betreffende verdachte.

3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de betekening van de oproep slechts enkele dagen voor de zitting van 5 september 2013 heeft plaatsgevonden. Hierdoor zijn volgens de verdediging doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de veroordeelde geschaad.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, omdat de verdediging zich niet voor heeft kunnen bereiden en omdat de verdediging integrale vrijspraak heeft bepleit.

Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de ontnemingsvordering af te splitsen, omdat de verdediging zich dan beter kan voorbereiden.

Meest subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, omdat niet kan worden bewezen dat het vermogen van veroordeelde afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen door de veroordeelde, heeft de raadsman verzocht de vordering naar alle redelijkheid en billijkheid te matigen.

4 Het oordeel van de rechtbank

Bespreking van de gevoerde verweren

De rechtbank overweegt dat de verweren van de raadsman ten aanzien van een te korte voorbereidingstijd niet opgaan, omdat de behandeling van de vordering op 5 september 2013 is aangehouden tot de zitting van 14 februari 2014. In deze tussenliggende periode heeft de verdediging voldoende gelegenheid gehad om zich gedegen voor te bereiden op een inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering. De rechtbank verwerpt daarom het primaire verweer, het subsidiaire verweer en het meer subsidiaire verweer van de raadsman.

Ten aanzien van het meest subsidiaire verweer merkt de rechtbank op dat zij ook dit verweer verwerpt, nu er in de onderliggende strafzaak een veroordeling ligt voor witwassen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank overweegt ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende.

Door de Koninklijke Marechaussee is de volgende kasopstelling1 gemaakt:

1 Beginsaldo

0

2 Legale contante ontvangsten

Bankopnamen

39.650,00

Contante opnamen creditcard

350,00

Ontvangen tbv verkoop wapenverzameling

8.215,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven

48.215,00

3 Uitgaven

Aangetroffen tijdens doorzoeking

8.700,00

Contante stortingen

36.340,00

Voeding

8.855,50

Kleding

1.429,75

Brandstof

3.381,47

Wapenverzameling

9.380,00

Aankoop BMW 520i [kenteken]

24.000,00

Aankoop BMW 645i [kenteken]

18.000,00

Hayabusa

9.000,00

Aankoop Opel Astra TwinTop [kenteken]

11.845,00

Aankoop Opel Insignia Sport Tourer [kenteken]

14.842,00

Aankoop Yamaha XP 500 motorscooter [kenteken]

11.329,00

Aangetroffen facturen contant betaald

20.572,52

Betaling MIC trading

1.130,00

Uitgaven uitgaan en vakanties

P.M.

Totaal contante uitgaven

178.805,24

4. Verschil (meer uitgaven dan legaal mogelijk)

130.590,24

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, volgt de rechtbank deze berekening. Hieruit blijkt dat veroordeelde

€ 130.590,24 aan contant geld heeft uitgegeven, voor welk geld geen legale herkomst is aangetoond. De rechtbank gaat er dan ook conform het vonnis in de strafzaak vanuit dat het gelden betreft die uit misdrijf afkomstig zijn. Veroordeelde heeft deze gelden voor eigen gebruik aangewend en hier onder meer verschillende voertuigen van gekocht. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen door het plegen van witwassen. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft verkregen dan ook op € 130.590,24.

Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, met name zijn draagkracht, acht de rechtbank geen gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde, gelet op zijn leeftijd en zijn verdiencapaciteit, in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.

5 Toegepaste artikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 130.590,24;

- legt [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 130.590,24 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Willemsen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 februari 2014.

Mr. Grapperhaus is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 270 van proces-verbaal nr. PL 27WR / 11-074774, onderzoek GRAPPA, opgemaakt door de Koninklijke Marechaussee.