Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1774

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
UTR 13-3186
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak, Wabo, omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, de afwijking betreft het gebruik van een gedeelte van het gebouw op het perceel voor een discounter/discounthandel in dierenbenodigdheden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/3186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2014 in de zaak tussen

Dierenspeciaalzaak [eiseres] B.V. (h.o.d.n. [eiseres] B.V.), te [vestigingsplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.R. Bügel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,

verweerder,

(gemachtigde: drs. A.C.W.M. Maduro).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder], te [woonplaats], vergunninghouder,

(gemachtigde: mr. A.W.A. Veldhuizen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] (het perceel). De afwijking betreft het gebruik van een gedeelte van het gebouw op dit perceel voor een discounter/discounthandel in dierenbenodigdheden.

Bij besluit van 16 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [eiseres] en [X]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A].

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is een dierenspeciaalzaak gevestigd aan de [adres] in [vestigingsplaats]. Vergunninghouder is eigenaar van het pand [adres] (voorheen [adres]). Vergunninghouder wil zijn pand verhuren aan de Huisdiervoordeelshop. Dit is een discounthandel in diervoeders en andere dierenbenodigdheden. Daartoe heeft vergunninghouder op 21 december 2012 een aanvraag om een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. Als bijlage bij deze aanvraag heeft vergunninghouder een brief van 27 november 2012 van [A] van Huisdiervoordeelshop gevoegd. Op basis hiervan heeft verweerder het primaire besluit genomen. Verweerder is van mening dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Waterwijk-Noord” ( het bestemmingsplan). Verweerder heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2°, van de Wabo ontheffing te verlenen.

2.

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres als belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning kan worden aangemerkt. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende bij dit besluit. Dit is slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de onderneming waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen.

Niet in geschil is dat eiseres en Huisdiervoordeelshop een grotendeels elkaar overlappend assortiment hebben en dat zij op ongeveer 2,5 kilometer van elkaar binnen de bebouwde kom van de gemeente Lelystad actief zullen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiseres en Huisdiervoordeelshop gelet op het voorgaande en mede gelet op de aard en inrichting van de winkels en hetgeen partijen daarover ter zitting hebben betoogd werkzaam in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment. Eiseres is dus belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

3.1.

Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder niet tot besluitvorming heeft mogen overgaan, omdat er sprake was van een onvolledige aanvraag. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat verweerder over onvoldoende informatie beschikte om een zorgvuldige belangenafweging te kunnen maken. Dit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Ook staan er volgens eiseres fouten in de brief van Huisdiervoordeelshop.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat vergunninghouder bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een brief van 27 november 2012 van Huisdiervoordeelshop heeft gevoegd. Bij de op het aanvraagformulier gestelde opdracht “beschrijf de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening” staat “zie brief”. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij over voldoende gegevens beschikte om een besluit op de aanvraag te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag voldoet aan de eisen die het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht (Mor) daaraan stellen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder een onvolledige aanvraag in behandeling heeft genomen. Eiseres heeft voorts onvoldoende onderbouwd dat er fouten in de aanvraag staan. De beroepsgrond slaagt niet.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Op het perceel rust de bestemming “Bedrijf-Nutsvoorzieningen”, verweerder heeft toegelicht dat moet worden uitgegaan van de bestemming

“Bedrijventerrein-2”. In beide gevallen is sprake van strijdig gebruik van het perceel. Uitgaande van de bestemming “Bedrijventerrein-2” is sprake van strijdig gebruik, omdat geen sprake is van perifere detailhandel als bedoeld in artikel 5 van het bestemmingsplan.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom en dat het gewijzigd gebruik van het pand op het perceel de 1.500 m² niet overschrijdt. Daarmee is aan de voorwaarden van artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II bij het Bor voldaan en was verweerder bevoegd artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2º, van de Wabo toe te passen.

4.2.

Toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2º, van de Wabo betreft een discretionaire bevoegdheid. Het al dan niet gebruiken van die bevoegdheid wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Dat betekent dat in dit verband de vraag voorligt of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3.

Eiseres voert aan dat de beoogde vestiging van de formule van een huisdiervoordeelshop op het perceel in strijd is met het Gemeentelijke visie vestigingsbeleid (GVV). Verweerder had daarom bij de vergunningverlening een ruimere belangenafweging moeten maken. Verweerder heeft in zijn besluitvorming ten onrechte niet de aspecten van verzadiging van de markt, marktruimte, efficiënt ruimtegebruik en de gevolgen daarvan voor de ruimtelijke kwaliteit van bestaand winkelgebied betrokken. Door geen integrale planologische afweging te maken, heeft verweerder niet alle betrokken belangen meegewogen en dat is onzorgvuldig. Eiseres heeft ter onderbouwing van deze beroepsgrond verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van
5 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6496).

4.4.

Verweerder hanteert bij de invulling van zijn bevoegdheid als bedoeld in rechtsoverweging 4.2. onder meer het GVV. In het GVV staan als voorwaarden genoemd dat niet volumineuze goederen niet zijn toegestaan en dat detailhandel niet verstorend mag werken ten opzichte van reguliere bedrijvigheid. Ook staat vermeld dat de vestiging Palazzo niet negatief mag worden beïnvloed en dat ontheffing mogelijk is tot een maximum van 600 m² bruto vloeroppervlakte. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het GVV. Verweerder heeft ondanks dat sprake is van een bruto vloeroppervlakte van 650 m² aanleiding gezien om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft dat in het bestreden besluit en ter zitting als volgt toegelicht.
Leegstand en verpaupering aan de entree van Lelystad vindt verweerder een ongewenste situatie. Gezien de ontwikkelingen in de autobranche (driekwart van de dealerbedrijven leed verlies in 2012) is een merkautoshowroom op het perceel uitgesloten. Inmiddels is het perceel geschikt gemaakt voor deelverhuur aan overige bedrijvigheid en perifere detailhandel in woninginrichting. Het stadscentrum waar detailhandel in dierenspeciaalzaken is toegestaan, is volgens verweerder geen alternatief voor de formule van de Huisdiervoordeelshop. Daar is geen parkeergelegenheid voor de deur aanwezig, waardoor mensen met zware pakketten door de stad zouden moeten lopen. Op Palazzo is een perifere detailhandel vestigingslocatie aanwezig met een oppervlakte vanaf 800 m². Deze locatie bevindt zich echter op de bovenverdieping van Palazzo wat niet geschikt is voor zware pakketten met voeders die direct in de auto moeten worden geladen. Gezien de aard van de formule van de Huisdiervoordeelshop vindt verweerder de locatie op een bedrijventerrein gerechtvaardigd.

De formule raakt aan perifere detailhandel (grote verpakkingen diervoeders op pallets en een groot winkeloppervlak). Parkeren voor de deur is een vereiste in verband met laden en lossen. Parkeren op eigen terrein is een vereiste voor een ontheffing. Het perceel [adres] voldoet daaraan. Tot slot is er volgens verweerder geen sprake van verstoring van de overige bedrijvigheid in de buurt van het perceel. Naast het perceel is een kerkcentrum gevestigd waar ook veel particulieren op af komen. Aan de andere zijde van het perceel zijn een bouwmaterialenverhuur en een showroom van natuursteen gevestigd. Dit is volgens verweerder geen bedrijvigheid die hinder ondervindt van meer publiek of verkeer als gevolg van de formule van de Huisdiervoordeelshop op het perceel.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom – ondanks de strijd met het GVV – medewerking wordt verleend aan de opheffing van deze strijdigheid en een ontheffing is verleend. Verweerder heeft daartoe ook in redelijkheid kunnen besluiten. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder een ruimere belangenafweging had moeten maken. Verweerder heeft de relevante ruimtelijke belangen meegewogen. Zo heeft verweerder het door eiseres gestelde belang van verstoring van de bedrijvigheid in de buurt van het perceel betrokken in zijn afweging. In zoverre heeft hij de impact van de vestiging van Huisdiervoordeelshop op het bestaand winkelgebied ter plaatse meegewogen. Voor de door eiseres overige genoemde belangen als verzadiging van de markt, marktruimte en efficiënt ruimtegebruik is bij deze belangenafweging, ook al is sprake van strijdigheid met het GVV, geen plaats. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 18 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1192) overweegt de rechtbank daartoe dat concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang vormen, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Gesteld, noch gebleken is dat deze situatie zich zal voordoen. Overigens kan de door [eiseres] ter zitting uitgesproken vrees dat hij ten opzichte van Huisdiervoordeelshop financieel aan het kortste eind trekt om dezelfde reden geen rol spelen bij de door verweerder in dit geval gemaakte planologische afweging.

4.6.

De vergelijking van eiseres met de uitspraak van de ABRvS van 5 september 2012 gaat in deze zaak niet op. Die uitspraak heeft immers betrekking op de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een grootschalige detailhandelslocatie tot een bruto vloeroppervlakte van ten hoogste 27.300 m² waarin getoetst moet worden of die ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad had zich daarbij gebaseerd op een marktonderzoek naar de haalbaarheid en wenselijkheid van deze ontwikkeling. Weliswaar speelden de door eiseres genoemde belangen in dat onderzoek wel een rol, maar dat onderzoek was gedaan in het kader van de wenselijkheid en haalbaarheid van de grootschalige detailhandelslocatie en gericht op meerdere branches die zich mogelijk konden vestigen op die locatie. In onderhavige zaak geldt een ander toetsingskader en moet een ruimtelijke belangenafweging plaatsvinden naar aanleiding van de vestiging van deze winkel van Huisdiervoordeelshop op deze plek en actief in dezelfde branche als eiseres. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

5.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de beroepsgronden van eiseres afstuiten op het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb. Nu de beroepsgronden van eiseres niet slagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een oordeel te geven over de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit.

6.

De conclusie van het voorgaande is dat op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan worden gekomen dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2º, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

7.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.