Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1763

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
C-16-320814 - HA ZA 12-391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Treinbotsing station Arnhem Centraal 21 november 2006. Goederentrein van verzekerde van [X] (ERS) is door rood sein gereden en is in botsing gekomen met een reizigerstrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2015/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/320814 / HA ZA 12-391

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar Iers recht

[X] INSURANCE PLC,

gevestigd te [vestigingsplaats], Ierland,

handelend onder de naam [X] Insurance plc, Netherlands Branch,

kantoorhoudend te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRORAIL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. P.M. Vos te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [X] en Prorail genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek, waarbij [X] haar eis heeft gewijzigd

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 9 december 2005 heeft Prorail een toegangsovereenkomst gesloten met ERS Railways B.V. (hierna ERS), een onderneming die zich onder meer bezig houdt met het vervoer van goederen over het spoor. In die toegangsovereenkomst (hierna: Toegangsovereenkomst 2006) is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

4. TOEPASSELIJKE BEPALINGEN

4.1

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de toepasselijkheid van de Netverklaring 2006 en de daarin opgenomen Algemene Voorwaarden. Niettemin is de Netverklaring 2006 met de daarin opgenomen Algemene Voorwaarden op deze overeenkomst van toepassing. Ingeval dat één van de Partijen een bepaling uit de Netverklaring 2006 en/of de daarin opgenomen Algemene Voorwaarden onwerkbaar dan wel onredelijk acht, treden Partijen met elkaar in overleg met als oogmerk de betwiste bepaling te vervangen door een voor beide Partijen aanvaardbare bepaling. Alsdan wordt de betreffende bepaling opgeschort totdat Partijen overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe bepaling of een derde een bindende uitspraak heeft gedaan over de betwiste bepaling. De door wet- en regelgeving voorgeschreven bepalingen in de Netverklaring 2006 en de daarin opgenomen Algemene Voorwaarden blijven echter gelden. Partijen erkennen, dat gezien de positie van ProRail bij onderhandelingen over de Netverklaring 2006 en de daarin opgenomen Algemene Voorwaarden, ProRail de belangen van andere gerechtigden kan betrekken.

(…)”

2.2.

Met de in artikel 4.1 van de Toegangsovereenkomst 2006 vermelde “Algemene Voorwaarden” wordt gedoeld op de Algemene Voorwaarden Toegangsovereenkomst d.d. 29 juni 2005 (hierna: de AVT 2006). In de AVT 2006 is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

“(…)

Titel IV Aansprakelijkheid

Artikel 16. Aansprakelijkheid Beheerder jegens de Spoorwegonderneming

1. Indien de Beheerder [Prorail; toevoeging rechtbank] ten gevolge van enig handelen of nalaten van hemzelf of van een door hem gebruikte Hulppersoon toerekenbaar schade veroorzaakt aan eigendommen van de Spoorwegonderneming [ERS; toevoeging rechtbank], of aan eigendommen van of aan Hulppersonen of van of aan Derden waarvoor de Spoorwegonderneming krachtens enigerlei rechtsverhouding aansprakelijk is, is de Beheerder op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de door de Spoorwegonderneming, Derde of Hulppersoon geleden schade.

(…)

Artikel 17. Aansprakelijkheid Spoorwegonderneming jegens de Beheerder

1. Indien de Spoorwegonderneming ten gevolge van enig handelen of nalaten van haarzelf of van een door haar gebruikte Hulppersoon toerekenbaar schade veroorzaakt aan eigendommen van de Beheerder, of aan eigendommen van of aan Hulppersonen of van of aan Derden waarvoor de Beheerder krachtens enigerlei rechtsverhouding aansprakelijk is, is de Spoorwegonderneming aansprakelijk voor de door de Beheerder, de Derde of Hulppersoon geleden schade.

2. Op grond van het eerste lid komt geleden omzet- of winstderving, tenzij in geval van opzet of bewust roekeloos handelen, niet voor vergoeding in aanmerking. De volgende schadecomponenten komen voor vergoeding in aanmerking:

a. persoonsschade (letsel en overlijden)

b. zaakschade

c. kosten voor berging en bereddering

d. deskundigenkosten

e. Behandelingskosten;

3. De Spoorwegonderneming is, behoudens opzet en bewuste roekeloosheid, niet aansprakelijk voor schade als bedoeld in het eerste lid indien de schade minder dan € 5.000,- per Schadegeval bedraagt. Het maximaal aan de Beheerder op basis van dit artikel te vergoeden bedrag bedraagt per Schadegeval, behoudens opzet en/of bewust roekeloos handelen, € 1.000.000.000,-.

(…)

5. De Spoorwegonderneming is jegens de Beheerder aansprakelijk indien de Spoorwegonderneming de aan het gebruik van de door de Beheerder beheerde Spoorwegen door de overheid verbonden voorschriften in welke vorm dan ook toerekenbaar overtreedt. De Spoorwegonderneming is alsdan gehouden de Beheerder te vrijwaren van alle door de Beheerder te lijden schade in welke vorm dan ook, waarbij het bepaalde in lid 3 niet van toepassing is.

(…).”

2.3.

Op 21 november 2006 heeft bij het Centraal Station van Arnhem een botsing plaatsgevonden tussen een goederentrein, die werd bestuurd door een machinist van ERS, en een reizigerstrein van NS Reizigers. Hierna zal deze botsing worden aangeduid als: de treinbotsing.

2.4.

Op 5 juni 2007 heeft de Inspectie van Verkeer en Waterstaat een onderzoeksrapport uitgebracht met betrekking tot de treinbotsing. De Inspectie concludeert dat de oorzaak van de treinbotsing gelegen is in het feit dat de machinist van ERS de goederentrein niet tijdig tot stilstand heeft gebracht bij stoptonend (=rood) sein 1238.

2.5.

Ten tijde van de treinbotsing had ERS een aansprakelijkheidsverzekering lopen bij [X]. Uit hoofde van deze verzekering heeft [X] diverse bedragen uitbetaald aan derden als vergoeding voor schade die zij hebben geleden ten gevolge van de treinbotsing.

2.6.

Bij arrest van 3 mei 2010 (ECLI:NL:GHARN:2010:BM3158) heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof Arnhem de machinist van ERS die betrokken was bij de treinbotsing, vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (kort gezegd: het veroorzaken van gevaar voor het treinverkeer) en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde (kort gezegd: het niet stoppen voor een stoptonend sein).

2.7.

Bij brief van 6 januari 2011 heeft [X] Prorail aansprakelijk gesteld voor de door haar aan derden betaalde schadevergoedingen (als bedoeld onder 2.5).

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert samengevat - na eiswijziging dat de rechtbank:

  • -

    voor recht verklaart dat Prorail aansprakelijk is voor de schade die derden ten gevolge van de treinbotsing hebben geleden, dat deze schade aan Prorail moet worden toegerekend en dat Prorail verplicht is om die schade te vergoeden door betaling aan [X],

  • -

    Prorail veroordeelt om aan [X] in totaal een bedrag te betalen van € 616.153,58 als bijdrage in de schadevergoeding die [X] aan deze derden heeft uitbetaald, vermeerderd met wettelijke rente,

  • -

    Prorail veroordeelt om aan [X] een bedrag te betalen van € 6.140,40 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente,

  • -

    Prorail veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

Prorail voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Aangezien [X] een rechtspersoon is naar buitenlands recht en in het buitenland gevestigd is, moet beoordeeld worden of Nederlandse rechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, en (zo ja) welk recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

4.2.

Nu Prorail in de onderhavige procedure verschenen is zonder de bevoegdheid van Nederlandse rechter te betwisten, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 24 EEX-Verordening bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.3.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.

Grondslag

4.4.

Ter onderbouwing van haar vordering op Prorail heeft [X] aangevoerd dat zij als verzekeraar van ERS gesubrogeerd is in de rechten die ERS heeft jegens Prorail. Volgens [X] zijn zowel haar verzekerde als Prorail hoofdelijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor de schade die derden hebben geleden ten gevolge van de treinbotsing. Nu deze schade volledig is voldaan door ERS, rust volgens [X] op Prorail de verplichting om aan deze schadevergoeding bij te dragen op de voet van het bepaalde in artikel 6:102 jo 101 BW. [X] is van mening dat de bijdrage van haar verzekerde aan het ontstaan van de botsing zodanig gering is gelet op de bijdrage van Prorail daaraan, dat de door haar aan derden uitgekeerde schadevergoeding geheel (subsidiair: gedeeltelijk) ten laste van Prorail moet komen. [X] verwijt Prorail kort gezegd dat zij een verwarrend seinstelsel hanteert (‘geel-geel-rood’), dat zij ter plaatse van de aanrijding een verwarrend seinbeeld heeft geschapen, en dat zij heeft nagelaten om de machinist van de trein daarop telefonisch te wijzen.

Beroep Prorail op artikel 17 AVT 2006

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [X] is gesubrogeerd in de rechten die ERS heeft jegens Prorail, waaronder een eventuele vordering uit hoofde van artikel 6:102 BW. Dit betekent dat [X] terzake van deze vordering niet meer rechten toekomt dan ERS had, alsmede dat Prorail de verweren kan voeren tegen [X] die zij tegen ERS had kunnen voeren.

4.6.

De onderhavige vordering betreft een zogenaamde regresvordering die is gebaseerd op de door [X] gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van haar verzekerde ERS en Prorail. Aangezien tussen ERS en Prorail een contractuele verhouding bestaat (de Toegangsovereenkomst 2006 en de daarbij behorende AVT 2006) en de mede-aansprakelijkheid van Prorail voortvloeit uit handelingen die zijn gepleegd bij de uitvoering van die overeenkomst, wordt het antwoord op de vraag of en in hoeverre ERS verhaal kan nemen op Prorail, in beginsel bepaald door die overeenkomst (vgl. Hoge Raad 20 november 1981, NJ 1982, 174). In de tussen partijen bestaande rechtsverhouding is een regeling opgenomen over de aansprakelijkheid van partijen over en weer, die een ruime definitie kent van hetgeen daaronder is begrepen (artikelen 16 en 17 AVT 2006: “enig handelen of nalaten”), zodat ook hun relatieve aansprakelijkheid voor de onderhavige treinbotsing daaronder geschaard moet worden.

4.7.

Prorail heeft in dit kader onder meer een beroep gedaan op de artikelen 17.1 en 17.5 AVT 2006 met de stelling dat ERS en de machinist van ERS door hun handelen de aanrijding en daarmee de schade aan derden toerekenbaar hebben veroorzaakt, en dat zij daarmee voorts een overheidsvoorschrift toerekenbaar hebben overtreden. Volgens haar brengen deze bepalingen mee dat [X] voor deze schade van derden volledig dient op te komen, ook indien Prorail op grond van enigerlei rechtsverhouding daarvoor aansprakelijk is, alsmede dat zij Prorail voor die schade dient te vrijwaren.

4.8.

Bij conclusie van repliek heeft [X] namens haar verzekerde de vernietiging althans opschorting van deze bepalingen ingeroepen, en wel op grond van het feit dat zij deze bepalingen “onwerkbaar en onredelijk” vindt in de zin van artikel 4.1 van de Toegangsovereenkomst 2006.

4.9.

De rechtbank constateert dat artikel 4.1 van de Toegangsovereenkomst 2006 alleen de mogelijkheid biedt voor het opschorten van de werking van een bepaling van de AVT 2006, niet voor de nietigverklaring daarvan. Voor dat laatste is dan ook geen deugdelijke grondslag aangevoerd.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van [X] op de opschorting van de werking van artikel 17 AVT naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Ten eerste heeft zij dit beroep pas (namens ERS) gedaan in haar conclusie van repliek in de onderhavige procedure, derhalve bijna 6 jaar nadat die mogelijkheid aan ERS ten dienste is komen te staan. Ten tweede komt deze opschortingsbevoegdheid, naar vaststaat tussen partijen, niet voor in de Toegangsovereenkomsten die tussen partijen na 2006 zijn gesloten. Niet gesteld of gebleken is dat ERS erop heeft aangedrongen om de bevoegdheid tot opschorting van de werking van de bepalingen van de AVT (welke bepalingen - zo begrijpt de rechtbank - nadien niet noemenswaardig zijn gewijzigd) ook in de na 2006 gesloten Toegangsovereenkomsten op te nemen. Gelet daarop heeft Prorail erop mogen vertrouwen dat ERS de bepalingen van de AVT 2006 niet onredelijk of onwerkbaar vond. Ten derde heeft [X] op geen enkele wijze aangegeven waarom artikel 17 AVT 2006 onwerkbaar of onredelijk zou zijn.

In het licht van het voorgaande wijst de rechtbank het beroep van [X] op opschorting van de werking van artikel 17 AVT 2006 dan ook af.

4.11.

Subsidiair heeft [X] als verweer tegen het beroep van Prorail op artikel 17 AVT 2006 aangevoerd dat niet voldaan is aan het in artikel 17.1 AVT 2006 gestelde vereiste dat de geleden schade “toerekenbaar” is veroorzaakt door de Spoorwegonderneming (of de eventuele door deze gebruikte hulppersoon), omdat het doorrijden van de goederentrein bij stoptonend sein 1238 het gevolg was van een verwarrend en onveilig seinstelsel, waarvoor Prorail de verantwoordelijkheid draagt. Van overtreding van een overheidsvoorschrift (als bedoeld in artikel 17.5 AVT 2006) is volgens haar evenmin sprake, laat staan van een overtreding die “toerekenbaar” is. Ten slotte stelt zij dat artikel 17.5 AVT alleen ziet op “door de Beheerder te lijden schade”, en dus niet op door derden geleden schade.

4.12.

Uit het bepaalde in artikel 17.1 AVT 2006 blijkt dat een Spoorwegonderneming die toerekenbaar schade veroorzaakt, ook aansprakelijk is voor schade aan derden "waarvoor de Beheerder [Prorail; toevoeging rechtbank] krachtens enigerlei rechtsverhouding aansprakelijk is". Daar staat evenwel tegenover dat in artikel 16.1 AVT 2006 een vergelijkbare bepaling is opgenomen ten aanzien van de aansprakelijkheid van de Beheerder. Uit deze bepalingen kan dan ook niet worden afgeleid dat contractueel een bijdrageplicht van Prorail aan door ([X] namens) ERS betaalde schadevergoedingen is uitgesloten.

4.13.

Daar staat evenwel tegenover dat in artikel 17.5 AVT 2006 is bepaald dat de Spoorwegonderneming - indien deze een overheidsvoorschrift toerekenbaar heeft overtreden - de Beheerder voor “alle door haar te lijden schade in welke vorm dan ook” dient te vrijwaren. Hieruit volgt dat als aan de in deze bepaling gestelde eisen in het onderhavige geval is voldaan, [X] geen regresvordering toekomt op Prorail, ook niet indien Prorail mede een verwijt ten aanzien van het ontstaan van de betreffende schade zou kunnen worden gemaakt.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval voldaan aan het in artikel 17.5 AVT 2006 gestelde vereiste dat ERS een (aan het gebruik van het spoor verbonden) overheidsvoorschrift heeft overtreden. De door ERS ingeschakelde machinist heeft immers in strijd met artikel 65 lid 2 Spoorwegwet en artikel 33 lid 1 Regeling Spoorverkeer een stoptonend sein gepasseerd zonder dat hij daartoe een aanwijzing van de treindienstleider had gekregen. De omstandigheid dat het gerechtshof Arnhem de machinist daarvoor niet strafrechtelijk verantwoordelijk heeft geoordeeld, staat niet in de weg aan de conclusie dat de machinist deze bepalingen wel heeft overtreden, omdat het oordeel van het hof niet was ingegeven door het ontbreken van een overtreding maar door het ontbreken van een voor een strafrechtelijke veroordeling vereiste mate van schuld.

4.15.

Anders dan [X] heeft gesteld, is deze overtreding ook “toerekenbaar” aan ERS. Uit de hierna opgenomen passage uit het IVW-rapport blijkt dat de reden dat de machinist van ERS niet tijdig voor het rode sein is gestopt gelegen is in verwarring over de vraag welk sein op de door hem bestuurde trein van toepassing was.

“(…) Wanneer trein 342377 [de bewuste door de machinist van ERS bestuurde trein; toevoeging rechtbank] op spoor 23 rijdt ziet de machinist het seinbeeld van sein 1076 veranderen van “rood” in “geel”. De snelheid van de trein is dan ongeveer 40 km/h. De machinist ziet in de verte de seinen 1200 en 1202. Deze seinen tonen beide het seinbeeld “rood”. Even later verandert het seinbeeld van het, voor de machinist, rechter sein (sein 1202) van “rood” in “geel”. De trein passeert vervolgens sein 1076.

De machinist van trein 342377 concentreert zich op de seinbeelden van de seinen 1200 en 1202. Het is voor hem onduidelijk welk sein voor welk spoor is bestemd. De trein rijdt namelijk op het middelste van drie sporen (sporen 4, 5 en 6). De machinist twijfelt of het stoptonende sein 1200 of sein 1202, dat het seinbeeld “geel” toont, voor zijn trein is bestemd (…). Hij zoekt naar een nadere spooraanduiding, zoals bijvoorbeeld pijlborden. Die zijn echter niet aanwezig. Door de twijfel bedient de machinist de remkraan en brengt de snelheid van de trein terug tot 28 km/h. De machinist probeert door lijnen te trekken met zijn vinger te bepalen welk seinbeeld voor zijn trein bestemd is. Wanneer de trein de seinen dicht is genaderd ziet de machinist dat het seinbeeld “geel” van sein 1202 voor zijn trein bestemd is. Wanneer de trein onder het sein doorrijdt kijkt de machinist nogmaals omhoog naar het seinbeeld.

Wanneer de trein sein 1202 is gepasseerd kijkt de machinist weer naar de af te leggen rijweg en ziet hij een stoptonend sein. De machinist gaat ervan uit dat dit sein voor spoor 4, het rechter nevenspoor, bestemd is. De machinist verwacht een sein voor zijn trein verderop. Wanneer de trein het stoptonende sein dichter nadert twijfelt de machinist of het sein niet toch voor zijn trein bestemd is. Hij zet een volremming in en zet ook de rangeerrem in de volremstand. Even later zet de machinist de remkraan weer terug in de eerste remstand omdat hij toch denkt dat het stoptonende sein niet voor zijn trein bestemd is. De machinist houdt zijn hand aan de remkraan omdat hij even verderop een sein voor zijn trein verwacht. Plotseling ziet de machinist dat het stoptonende sein (sein 1238) voor zijn trein bestemd is. De machinist zet direct een snelremming in. De trein is stoptonend sein 1238 dan op

ongeveer 10 meter genaderd en de snelheid van de trein is ongeveer 15 km/h.

(…)

Trein 342377 passeert stoptonend sein 1238 en nadert wissel 1237 dat ongeveer 50 meter achter het sein ligt. De machinist ziet een trein die het wissel vanuit de andere richting nadert. Hij ziet de machinist van de tegentrein wegvluchten. De machinist doet hetzelfde en springt achter de bijrijderstoel. Vervolgens botsten de treinen frontaal tegen elkaar. De goederentrein boort zich daarbij in de cabine van de reizigerstrein (…).”

4.16.

[X] heeft de juistheid van de hiervoor weergegeven passage uit het IVW-rapport niet betwist. Zij stelt zich alleen op het standpunt dat de Inspectie bij haar onderzoek onvoldoende aandacht heeft besteed aan andere omstandigheden (dan de verwarring van de machinist) die hebben bijgedragen aan de treinbotsing, voor welke omstandigheden Prorail de verantwoordelijkheid draagt.

4.17.

Uit de in het IVW-rapport beschreven verwarring over het wel of niet van toepassing zijn van bepaalde seinen op de door de machinist van ERS bestuurde trein blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de machinist niet over de door artikel 24 lid 2 sub a Besluit Spoorwegpersoneel 2004 vereiste wegbekendheid op het betreffende traject beschikte. Wegbekendheid houdt, blijkens de parlementaire geschiedenis, in dat de machinist exact weet waar seinen zijn geplaatst en bekend is met de plaats waar de remming moet beginnen om precies bij een sein tot stilstand te komen (Tweede Kamer 2001-2002 Aanhangsel van de Handelingen nr. 1152, p. 2436). Uit het feit dat de machinist van ERS:

- twijfelde of sein 1200 of sein 1202 voor ‘zijn’ spoor gold,

- in verwarring verkeerde over het antwoord op de vraag of sein 1238 wel van toepassing was op de door zijn trein af te leggen route, en

- het voor hem relevante sein (om onduidelijke redenen) pas na sein 1238 verwachtte,

blijkt dat hij niet bekend was met de precieze plaats van de seinen op het betreffende traject. De omstandigheid dat de machinist het heentraject (Utrecht-Emmerich) één keer eerder (onder begeleiding) heeft afgelegd, is gelet hierop kennelijk onvoldoende geweest om wel voldoende wegbekendheid te verkrijgen. Indien de machinist wel over voldoende wegbekendheid zou hebben beschikt, zou hij:

- niet in verwarring hebben verkeerd over de toepasselijkheid van de seinen voor de door hem bestuurde goederentrein en

- geweten hebben op welke plaats hij de remming zou moeten inzetten om de trein voor het stoptonend sein 1238 tot stilstand te brengen.

4.18.

Het passeren van het roodtonend sein 1238 zou alleen dan niet toerekenbaar zijn aan ERS, indien de machinist ook bij voldoende wegbekendheid onvoldoende tijd zou hebben gehad om de trein vóór dat sein tot stilstand te brengen. [X] heeft onvoldoende gesteld om een dergelijke conclusie te rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat het laatste sein vóór sein 1238 (sein 1202) gelegen is binnen de normale remweg van een trein, is daartoe onvoldoende, omdat - zoals het gerechtshof Arnhem in de strafzaak tegen de machinist heeft geoordeeld - het feit dat buiten het onderhavige incident het treinverkeer normaliter ongestoord verloopt, de conclusie rechtvaardigt dat de machinist stoptonend sein 1238 wel tijdig (eerder dan pas bij het passeren van sein 1202) heeft kunnen zien.

4.19.

Het voorgaande betekent dat het passeren van stoptonend sein 1238 in ieder geval mede toe te rekenen is aan foutief handelen van de machinist van de goederentrein. Die overtreding is gepleegd door een hulppersoon van ERS en dus toerekenbaar aan ERS.

4.20.

De rechtbank concludeert dat aan de vereisten van artikel 17.5 AVT 2006 voor het ontstaan van een verplichting tot vrijwaring is voldaan.

De rechtbank volgt [X] niet in haar betoog dat alleen door Prorail zelf geleden schade onder die vrijwaringsverplichting valt.

Ten eerste impliceert het woord “vrijwaren” dat het gaat om schade die door anderen dan de Beheerder wordt geleden en waarvoor de Beheerder aansprakelijk is of kan worden gesteld.

Ten tweede is in artikel 17.5 AVT 2006 het schadebegrip ruim omschreven (“in welke vorm dan ook”). Deze bepaling verwijst ook naar artikel 17.3 AVT 2006 dat op zijn beurt verwijst naar “schade als bedoeld in het eerste lid”. Laatstbedoelde schade omvat ook schade “van of aan Derden”, zodat ook persoonsschade van derden onder de reikwijdte van deze bepaling valt. Dat wordt ook bevestigd door artikel 17.2 AVT 2006, dat naar lid 1 van die bepaling verwijst en waarin "persoonsschade" expliciet wordt genoemd.

4.21.

Het voorgaande betekent dat Prorail in de verhouding tot ERS niet gehouden is om bij te dragen aan de schadevergoeding die ERS aan derden heeft uitgekeerd, en dat [X] dus evenmin een vordering terzake toekomt op Prorail. De vorderingen van [X] moeten derhalve worden afgewezen.

4.22.

[X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Prorail worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.781,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van Prorail tot op heden begroot op € 8.781,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.1

1 type: WV/4208 coll: