Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1678

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
16-659918-13 + tul
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling winkeldiefstal in vereniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

afdeling strafrecht

zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/659918-13; 16/659453-13 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 januari 2014, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 23 september 2013 in Nieuwegein, samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd en hierbij geweld heeft gebruikt en/of gedreigd heeft geweld te gebruiken;

feit 2: op 21 september 2013 in Nieuwegein [aangever 1] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten. Zij baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de ter zitting vertoonde camerabeelden.

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde geweld, verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van dat deel van de tenlastelegging.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat aangeefster niet gezien heeft dat verdachte de goederen heeft weggenomen. Verdachte is niet met de goederen de winkel uitgelopen en deze zijn ook niet bij hem aangetroffen. Voorts stelt de verdediging dat op de ter zitting getoonde beelden niets te zien is dat tot een veroordeling kan leiden. Ten aanzien van het ten laste geweld sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdediging gesteld dat de aangifte van [aangever 1], dat verdachte in Nieuwegein was en hem heeft geslagen, niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van de hem ten laste gelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

feit 1

4.3.1.1 bewezenverklaring

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0920-2013236812. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

[aangever 2] heeft aangifte gedaan namens de Etos te Nieuwegein. Op 23 september 2013 omstreeks 13.59 uur hoorde zij van een collega dat een man had gezien dat een man en een vrouw een schap hadden leeggehaald en zonder te betalen de winkel uit waren gelopen. Zij ging op zoek en zag deze personen lopen. De man die het had zien gebeuren seinde haar dat het de juiste personen waren. Zij had de tas van de vrouw afgepakt. Daarin zaten de gestolen spullen: scheermesjes, een scheerapparaat en een luchtje.1

Op de camerabeelden van de Etos is te zien dat op 23 september 2013 omstreeks 13.57.25 uur een man een vrouw de winkel binnenkomen. De vrouw heeft een blauw-wit gestreepte tas bij zich.2 De man en de vrouw op de beelden zijn door verbalisanten herkend als zijnde verdachte [verdachte] en [medeverdachte].3

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 23 september 2013 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] de Etos in Nieuwegein is binnengelopen. Samen stopten zij luchtjes en scheermesjes in de tas die [medeverdachte] bij zich had. Hij is de man die op de beelden van de Etos te zien is en samen met een vrouw de winkel binnenloopt.4

Ter terechtzitting zijn de camerabeelden getoond behorende bij het dossier.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat een man (hierna te noemen: verdachte) en een vrouw de Etos binnenkomen. Vervolgens staat verdachte samen met de vrouw bij de geurtjeshoek. De vrouw heeft een tas in haar handen. Verdachte pakt spullen uit de schappen en maakt daarmee een beweging naar beneden, naar de tas van de vrouw. Vervolgens zijn de handen van verdachte leeg. Dit herhaalt verdachte meerdere keren. Beiden lopen weg en komen daarna terug, waarna nogmaals te zien is dat verdachte iets uit het schap pakt en daarmee een beweging naar de tas van de vrouw maakt. Vervolgens lopen beiden weg. Vlak daarna verlaat verdachte de winkel, waarbij hij de vrouw voor laat gaan. 5

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat aangeefster niet gezien heeft dat verdachte goederen heeft weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat voornoemd verweer geen doel treft gelet op de verklaring van verdachte dat hij samen met [medeverdachte] spullen in de tas heeft gestopt en het aantreffen van de spullen in de tas van [medeverdachte] door aangeefster.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] deze spullen zou afrekenen, hij vervolgens de winkel is uitgegaan en dat [medeverdachte] na hem de winkel had verlaten, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, niet aannemelijk.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte een winkeldiefstal heeft gepleegd.

4.3.1.2 partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte bij voornoemde diefstal geweld heeft gebruikt en/of gedreigd heeft met geweld. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dat deel van de tenlastelegging.

4.3.2

feit 2

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [aangever 1] heeft mishandeld. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte ontkent het ten laste gelegde en ontkent dat hij op 21 september 2013 in Nieuwegein was. [aangever 1] heeft verklaard dat hij in Nieuwegein door verdachte is mishandeld. Getuige [getuige] was volgens aangever, kort voordat de mishandeling plaatsvond, samen met onder andere aangever en verdachte in een woning in Nieuwegein aanwezig. Getuige [getuige] is tweemaal gehoord. Uit haar verklaring volgt echter niet expliciet dat verdachte op 21 september 2013 samen met haar en aangever in de betreffende woning aanwezig was.

Hoewel de rechtbank op zichzelf geen aanleiding ziet om de geloofwaardigheid van de verklaring van aangever in twijfel te trekken, ontbreekt daarmee enig wettig steunbewijs dat niet rechtstreeks tot deze verklaring kan worden teruggevoerd.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 23 september 2013 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen scheermesjes en scheerapparaten en een luchtje (ter waarde van 160,23 euro), toebehorende aan winkelbedrijf Etos;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

diefstal door twee of meer verenigde personen

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de ISD-maatregel niet opgelegd kan worden nu niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) Er is immers, sedert de beëindiging van de eerder aan verdachte opgelegde ISD-maatregel, geen sprake van drie onherroepelijke veroordelingen. Het kan, aldus de verdediging, niet zo zijn dat, zoals de officier van justitie stelt, de veroordelingen welke dateren van voor de eerder opgelegde ISD-maatregel, nu ook meewegen.

Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat niet te verwachten is dat een nieuwe ISD zal leiden tot de in artikel 28m lid genoemde doelstelling, te weten beëindiging van de recidive. Immers heeft de eerder opgelegde ISD-maatregel niet tot enig positief resultaat geleid en de reclassering heeft er weinig vertrouwen in dat een nieuwe ISD wel tot enig resultaat zal leiden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Uit dit handelen blijkt dat verdachte weinig respect toont voor de eigendommen van anderen. Hij veroorzaakt met zijn handelen veel ergernis en overlast bij, in casu de winkelier, alsmede financiële schade. Dit raakt uiteindelijk de hele maatschappij. Verdachte dient zich hiervan rekenschap te geven.

De rechtbank heeft gelet op het rapport van de VICTAS van 20 december 2013, opgemaakt door N. de Leeuw, reclasseringswerker. Uit het rapport volgt dat verdachte reclasseringsbemoeienis afwijst, waardoor er geen Plan van Aanpak kon worden opgesteld. Geadviseerd wordt, om ter voorkoming van recidive, de ISD-maatregel op te leggen.

N. de Leeuw heeft ter zitting voornoemde rapport – zakelijk weergegeven – toegelicht: Op basis van eerdere rapportages en reclasseringscontacten, de houding van verdachte ten opzichte van de hulpverlening en gesprekken met verdachte , ziet de reclassering geen enkele mogelijkheid voor begeleiding van verdachte. Verdachte is, nu hij aan de vereisten voldoet, ISD-waardig, derhalve wordt geadviseerd de ISD-maatregel op te leggen. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. Voordat iets gezegd kan worden over de meerwaarde en invulling van een nieuwe ISD, zal eerst een gesprek met verdachte moeten worden gevoerd. De kans dat een nieuwe ISD tot enig resultaat zal leiden op het gebied van vermindering van de recidive is minimaal, nu eerdere begeleiding en een recent afgesloten ISD-maatregel niet hebben geleid tot vermindering van recidive.

Indien de rechtbank niet overgaat tot het opleggen van de ISD-maatregel, wordt geadviseerd aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Op grond van de justitiële documentatie van 18 november 2013 en het feit dat verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken met de reclassering of een recidiveverminderend traject dient ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Het opleggen van een ISD-maatregel kan daarom een geëigend middel zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, zeer kort na de beëindiging van de eerder opgelegde ISD-maatregel, thans niet passend en geboden is. De verwachting is dat een volgende ISD-maatregel in het geval van verdachte, gezien het verloop van de vorige ISD-maatregel, het oordeel van de reclassering dat een nieuwe ISD vermoedelijk weinig tot geen resultaat zal opleveren en verdachtes weigering om mee te werken aan behandeling, zal uitmonden in twee jaar ‘kale’ detentie. Een en ander acht de rechtbank op dit moment niet proportioneel. Dat laat onverlet dat de rechtbank verdachte zijn handelen zwaar aanrekent. Verdachte heeft reeds ruime recidive ten aanzien van vermogensdelicten. Eerdere bestraffingen en de oplegging van een ISD-maatregel hebben hem er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Bij voortzetting van het patroon van plegen van dergelijke strafbare feiten, zal oplegging van opnieuw een ISD-maatregel onherroepelijk naderen.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, thans nog geen aanleiding tot oplegging van de ISD-maatregel en zal de vordering van de officier van justitie tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders afwijzen.

De rechtbank ziet in het omvangrijke strafblad van verdachte echter wel een reden om hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 74 dagen.

De voorlopige hechtenis is bij separaat opgemaakte beslissing al opgeheven.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 25,00 voor feit 2.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 74 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 22 mei 2013 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/659453-13 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten;

een geldboete van € 250,00 bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts , voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. J.M.L. Mulbregt, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2014.

@BuitenStaat

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 september 2013 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen scheermesjes en/of scheerapparaten en/of een luchtje (ter waarde van 160,23 euro), althans goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Etos, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en / of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader die [aangever 2] heeft/hebben geduwd en/of aan die [aangever 2] heeft/hebben getrokken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 september 2013 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1]), (meermalen) heeft geslagen in zijn gezicht en/of op zijn hoofd, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], met bijlagen, pagina 45 en 46.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 51 en 52.

3 Processen-verbaal van bevindingen, pagina 53, 54 en 55.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 januari 2014.

5 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 3 januari 2014.