Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1677

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
16-653865-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling minderjarige ter zake diefstal met geweld in vereniging, vrijspraak afpersing. Verdachte bekent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

afdeling strafrecht

zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/653865-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 januari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1998] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. K.R. Koopman, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 januari 2014, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 20 oktober 2013 samen met anderen [aangever] heeft afgeperst en/of die [aangever] met geweld van zijn telefoon heeft beroofd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte. De officier van justitie acht de ten laste gelegde afpersing niet wettig en overtuigend bewezen, verdachte dient daarvan vrijgesproken te worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de diefstal met geweld in vereniging. Voorts is de verdediging van mening dat de ten laste gelegde afpersing niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte dient hiervan vrijgesproken te worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Diefstal met geweld in vereniging

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen.1

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever];2

- de geneeskundige verklaring d.d. betreffende [aangever];3

- het processen-verbaal van verhoor verdachte [verdachte];4

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte];5

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 januari 2014.6

Partiële vrijspraak afpersing

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de ten laste gelegde afpersing.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 20 oktober 2013 te Zeist, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (iPhone5), toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld door geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd 'Geef me je mobiel eens' en 'Maak me niet boos, geef me je mobiel' en 'Geef hem of ik sla je echt' en

- vervolgens die [aangever] meermalen met kracht op het oog en/of het gezicht heeft/hebben geslagen en

- vervolgens die [aangever] op de grond heeft/hebben gegooid en

- vervolgens die [aangever] terwijl hij op de grond lag (meermalen) tegen de nek en het been en het hoofd getrapt;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, om gelet op de persoon van verdachte, de door de officier van justitie geëiste straf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten [aangever] beroofd van zijn telefoon waarbij [aangever] is bedreigd en mishandeld. Dergelijke feiten hebben een grote impact op de slachtoffers, die daar nog geruime tijd de nadelige gevolgen van kunnen ondervinden. Voorts zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon gelet op het door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte rapport d.d. 27 december 2013. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen aanknopingspunten voor begeleiding middels een Maatregel Hulp en Steun of een andere gedragsinterventie. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert om verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden. Het voorwaardelijk deel van straf dient als een stok achter de deur voor verdachte teneinde hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het feit en de landelijke oriëntatiepunten voor dergelijke feiten, geen ruimte voor een andere en/of lagere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 671,00 ter zake materiele schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen, tot een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van schadevergoeding. Voor het overige deel van de vordering dient de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard te worden.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat de schade, gelet op de geringe leeftijd van de telefoon en de aanwezige beschadigingen van het toestel, tot een bedrag van € 500.00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toe te wijzen vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de impliciet ten laste gelegde afpersing;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van

€ 500,00, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever] , € 500,00 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. P.P.C.M. Waarts en mr. J.M.L. Mulbregt, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 januari 2014.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen

met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen, wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon ( iPhone5), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en/of


met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (iPhone5), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdacht een/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van/door geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bij genoemde diefstal en/of genoemde afpersing hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd 'Geef me je mobiel eens' en/of 'Maak me niet boos, geef me je mobiel' en/of 'Geef hem of ik sla je echt' en/of

- ( vervolgens) die [aangever] (meermalen) (met kracht) op/tegen het oog en/of het gezicht en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of

- ( vervolgens) die [aangever] op de grond heeft/hebben gegooid en/of geduwd en/of

- ( vervolgens) die [aangever] (terwijl hij op de grond lag) (meermalen) op/tegen de nek en/of het been en/of het hoofd, althans het lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0920-2013236812. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever], pagina 41 t/m 44.

3 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 20 oktober 2013, betreffende [aangever], opgemaakt door [naam], huisarts, pagina 73.

4 Processenverbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 58, 59 en 93 t/m 95.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 97 t/m 99.

6 Verklaring verdachte [verdachte], afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 januari 2014.