Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1662

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
C/16/352580 / HA RK 13-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak staat centraal het verzoek om op grond van artikel 4:209 lid 5 BW een vereffenaar te benoemen, derhalve van een nalatenschap waarin de opheffing van de vereffening reeds is bevolen. Reden om dit te verzoeken is dat na de opheffing van de vereffening is gebleken dat één van de erfgenamen begunstigde is van een tweetal door erflater afgesloten spaarverzekeringen (welke niet zijn betrokken in de vereffening). Volgens verzoeker zijn deze te kwalificeren als quasi-legaat ingevolge artikel 4:126 lid 2 letter b BW. De rechtbank oordeelt dat het verzoek moet worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0057

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civielrecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/352580 / HA RK 13-259

Beschikking van 30 april 2014

in de zaak van

mr. F. Kroes q.q.

notaris te Mijdrecht,

advocaat mr. R.P.J. Hendrikx,

verder te noemen verzoeker,

tegen

[verweerders][verweerders][verweerders],

beide wonende te[woonplaats],

advocaat mr. J. Nagtegaal,

verder te noemen verweerders.

-betreffende-

de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] [1947], overleden te [woonplaats] op

17 december 2010, laatst gewoond hebbende te [woonplaats]

verder te noemen erflater.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift ingekomen op 29 oktober 2013;

  • -

    het verweerschrift ingekomen op 15 januari 2014;

  • -

    de op 3 maart 2014 ingekomen producties 16 tot en met 18 van verzoeker.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 maart 2014. Hierbij zijn partijen en hun advocaten verschenen.

2 Feiten

2.1.

Erflater heeft bij testament van 25 oktober 2007 over zijn nalatenschap beslist.

2.2.

Verweerders, dochters van erflater, hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.3.

Op 13 januari 2011 is door [verweerster A] en namens [verweerster B] volmacht verleend aan notariskantoor Kroes & Partners om in het kader van hun beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap ‘verder alles te doen wat in verband hiermee nodig of wenselijk mocht zijn.’

2.4.

Bij beschikking van de Rechtbank Utrecht van 15 maart 2011 is op verzoek van verzoeker in zijn hoedanigheid van boedelnotaris, de heer F.G. Struben, werkzaam bij Kroes & Partners te Mijdrecht als executeur benoemd. Bij verklaring van 21 april 2011 is mr. W.R. Harris als executeur toegevoegd.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2013 is op verzoek van verzoeker in zijn hoedanigheid van boedelnotaris, de opheffing van de vereffening bevolen en is vastgesteld dat de vereffeningskosten in totaal € 17.502,84 (€ 16.175,49 plus € 1.327,35) bedragen.

De opheffing van de vereffening is op 26 maart 2013 ingeschreven in het boedelregister.

2.6.

Erflater heeft met ingang van 1 juni 1995 (polisnummer [polisnummer]) respectievelijk met ingang van 1 juli 1996 (polisnummer [polisnummer]) twee levensverzekeringen afgesloten. Op de polisbladen staat vermeld:

“ Begunstigden: 1. De verzekeringnemer

2. [C] (…)

3. de kinderen van de verzekeringnemer

4. de erfgenamen van de verzekeringnemer

2.7.

Op 14 oktober 2011 zijn uit de hiervoor vermelde levensverzekeringen een tweetal bedragen van € 23.391,72 en € 18.373,66 vrijgevallen. Deze bedragen zijn gestort in een zogenaamde nabestaanden Direct Ingaande Lijfrente bij ASR (polisnummer 011128601), mevrouw [D] is als begunstigde ter zake van die lijfrente aangemerkt.

2.8.

De toegevoegd executeur heeft de in 2.6 genoemde verzekeringsuitkeringen niet betrokken in de vereffening.

3 De beoordeling

3.1.

Verzoeker verzoekt de rechtbank om hem op grond van artikel 4:209 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot vereffenaar te benoemen in voormelde nalatenschap. Hij voert hiertoe het volgende aan. Na de opheffing van de vereffening van voormelde nalatenschap is gebleken dat één van de verweerders, [D], begunstigde is ter zake van een tweetal door erflater afgesloten spaarverzekeringen en dat aan haar een bedrag van € 23.391,72 en van € 18.373,66 is uitgekeerd. Deze verzekeringsuitkeringen zijn te kwalificeren als quasi-legaat ingevolge artikel 4:126 lid 2 letter b BW. Op grond van artikel 4:127 BW is de begunstigde verplicht tot vergoeding van de waarde van het ingekorte of in mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke erfgenamen. De toegevoegd executeur ging er ten tijde van het verzoek tot opheffing van de vereffening van uit dat het niet tot zijn taak behoorde om de quasi-legaten te verminderen te meer omdat schuldeisers van de nalatenschap geen rechtstreekse aanspraak hebben op vermindering ex art. 4:127 BW en omdat de boedelkosten preferent waren.

Echter op grond van recente jurisprudentie van de Hoge Raad van 17 mei 2013 kan het tot de taak van zowel de executeur als de vereffenaar behoren om legaten te verminderen teneinde andere schulden van de nalatenschap te voldoen.

Tot slot meent verzoeker dat het bedrag van voormelde verzekeringsuitkeringen ruim voldoende is om de kosten van de vereffening te bestrijden, welke worden begroot op maximaal € 5.000,=. De vereffening zal naar verwachting van verzoeker bestaan uit het aanschrijven van de legataris en vervolgens uit betaling aan de schuldeisers van de nalatenschap ingevolge de rangorde van artikel 4:7 BW.

3.2.

Verweerders stellen zich primair op het standpunt dat verzoeker niet ontvankelijk is dan wel dat zijn verzoek dient te worden afgewezen. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

Verzoeker heeft geen belang bij het verzoek en is ook niet aan te merken als belanghebbende in gevolge artikel 4:203 lid 1 sub b BW omdat hij zijn vordering uit de opbrengst van de nalatenschap (het woonhuis) kan voldoen. Gelet op de rang van de vordering van verzoeker en het feit dat de koopsom voor het huis volledig is geïncasseerd door de bank, kan verzoeker zich ter betaling van zijn vordering wenden tot de bank. Tevens heeft verzoeker geen belang omdat verweerders op grond van artikel 4:127 BW niet kunnen worden verplicht om de waarde van hetgeen is uitgekeerd uit de levensverzekeringpolissen te vergoeden omdat er sprake is van onredelijke omstandigheden zoals vermeld in hun subsidiaire stelling.

Subsidiair stellen verweerders zich op het standpunt dat een toewijzing van het verzoek gelet op alle feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij voeren in dat verband aan dat verzoeker op een andere eenvoudige wijze kan voorzien in zijn verzoek door zich te verhalen op de bank en niet op het privévermogen van verweerders, dat verzoeker te hoge vereffeningskosten in rekening heeft gebracht en een heropening emotioneel belastend is voor verweerders. Op grond van het vorenstaande zijn verweerders van mening dat een heropening van de vereffening nodeloos is.

Meer subsidiair, indien het verzoek tot benoeming van een vereffenaar wordt toegewezen, vragen verweerders hen als vereffenaar te benoemen. In dit verband stellen zij dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als vereffenaar omdat hij gelet op zijn positie van schuldeiser van de nalatenschap niet op onafhankelijke en deugdelijke wijze de kerntaak van een vereffenaar, te weten de belangenbehartiging van de gezamenlijke schuldeisers op zich kan nemen. Tot slot verzoeken verweerders om verzoeker te veroordelen in de kosten van dit geding

3.3.

Op grond van artikel 4:209 lid 5 BW is indien na de opheffing van een vereffening de benoeming van een vereffenaar wordt verzocht, de verzoeker verplicht aan te tonen dat voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.

3.4.

De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat de activa van de nalatenschap (destijds) onvoldoende waren om de schulden van de nalatenschap volledig te voldoen.

Tevens staat vast dat de in 2.6. en 2.7. vermelde verzekeringen tot uitkering zijn gekomen en niet in de vereffening zijn betrokken.

Verweerders hebben de stelling van verzoeker inhoudende dat de in 2.6. genoemde verzekeringen zijn aan te merken als een sommenverzekering welke moeten worden aangemerkt als een quasi-legaat waarvan de waarde ingevolge artikel 4:126 lid 2 onder b juncto artikel 4:127 BW behoort te worden ingebracht, niet betwist.

3.5.

Voorts overweegt de rechtbank dat zowel de vereffenaar op grond van artikel 4:211 BW als de executeur op grond van artikel 4:144 lid 1 BW onder meer tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan. Tot die taak kan behoren dat de executeur en de vereffenaar legaten vermindert teneinde de andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle te kunnen voldoen (artikel 4:120 BW). Dat geldt eveneens voor een door een sommenverzekeraar gedane uitkering (4:126 lid 1 in samenhang met lid 2, aanhef en onder b, BW (HR 17 mei 2013, LJN BZ3643, r.o. 3.5.2.).

3.6.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zijn belang voldoende aannemelijk heeft gemaakt enerzijds omdat hij crediteur is en belang heeft bij betaling van zijn declaraties, anderzijds omdat het de taak van een vereffenaar is om schulden van de nalatenschap te voldoen, en voor zover voor dat doel noodzakelijk is dat hij legaten of uitkeringen vermindert. De enkele stelling van verweerders dat er geen belang is omdat een eventueel positief saldo van de nalatenschap aan de bank en niet aan verzoeker dient te worden uitgekeerd alsmede dat verzoeker zijn vorderingsrecht op eenvoudige wijze bij de bank te gelde kan maken doet hier niet aan af. Immers het doel van de vereffening is dat schulden van de nalatenschap voor zover mogelijk uit de nalatenschap dienen te worden voldaan. Daarenboven is gebleken dat naast de bank en verzoeker onder meer de fiscus en een accountant een vordering hebben op de nalatenschap.

3.7.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verzoeker heeft aangetoond dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van de vereffening te bestrijden.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de vereffeningskosten maximaal € 5.000,= bedragen. Deze stelling is door verweerders niet betwist.

Verzoeker stelt voorts dat de verzekeringsuitkeringen in totaal ruim € 41.765,= bedragen waarvan voormeld bedrag aan vereffeningskosten ruimschoots kan worden bestreden.

3.8.

Op grond van overweging 3.4., inhoudende dat verweerders de stelling van verzoeker dat voornoemde verzekeringen zijn aan te merken als een sommenverzekering welke moeten worden aangemerkt als een quasi-legaat waarvan de waarde ingevolge artikel 4:126 lid 2 onder b juncto artikel 4:127 BW behoort te worden ingebracht, niet hebben betwist, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker voldoende heeft aangetoond dat er voldoende baten zijn om de vereffeningskosten te voldoen. Derhalve zal de rechtbank het verzoek om op grond van artikel 4:209 lid 5 BW een vereffenaar te benoemen toewijzen.

De rechtbank heeft bij dit oordeel de (subsidiaire) stelling van verweerders dat toewijzing van het verzoek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is betrokken. Deze stelling volgt de rechtbank niet. Het had immers op de weg van verweerders gelegen om op een eerder moment – in het kader van de procedure betreffende het verzoek tot opheffing van de vereffening - bezwaar te maken tegen de gedeclareerde vereffeningskosten. Voorts overweegt de rechtbank dat in het kader van beoordeling van het onderhavige verzoek vooralsnog niet is gebleken dat inkorting of vermindering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot onaanvaardbare consequenties leidt. In dit verband overweegt de rechtbank ten overvloede dat de materiële beoordeling of inkorting of vermindering alle omstandigheden in aanmerking genomen onredelijk is, in het kader van het onderhavige verzoek niet aan de orde is. Het is in eerste instantie ter beoordeling van de te benoemen vereffenaar om voornoemde levensverzekeringen te kwalificeren en te bepalen of inkorting of vermindering, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is.

3.9.

De rechtbank zal het verzoek om verzoeker tot vereffenaar te benoemen, toewijzen. De stelling van verweerders dat verzoeker - omdat hij schuldeiser is van de nalatenschap -niet op onafhankelijke en deugdelijke wijze de belangenbehartiging van de gezamenlijke schuldeisers op zich kan nemen volgt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat verzoeker, zijnde notaris zijn eerdere werkzaamheden ten behoeve van de nalatenschap ondeugdelijk heeft verricht noch dat hij zijn professionele standaard heeft veronachtzaamd.

De rechtbank overweegt voorts dat ter terechtzitting is gebleken dat de verhouding tussen partijen gespannen is. Echter, verzoeker is vanwege de eerder door hem verrichte werkzaamheden geheel op de hoogte van en heeft alle informatie omtrent de nalatenschap, hetgeen een efficiënte afwikkeling ten goede kan komen. Deze laatste constatering heeft voor de rechtbank zwaar gewogen in de beoordeling van het verzoek tot benoeming van verzoeker tot vereffenaar.

3.10.

Verweerders vragen verzoeker te veroordelen in de kosten van dit geding. Gezien het bovenstaande ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding zodat dat verzoek zal worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

benoemt de heer mr. F. Kroes, werkzaam ten kantore van Kroes & Partner notarissen, te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

tot vereffenaar van de nalatenschap van:

[erflater], geboren te [geboorteplaats] op [1947], overleden te [geboorteplaats] op 17 december 2010, laatst gewoond hebben te [geboorteplaats],

4.2.

draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven,

4.3.

draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant (online) en in het Algemeen Dagblad,

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.G.M. Buys, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. R.H.M. den Ouden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.