Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:1636

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
16.659660-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een agent uit Utrecht is dinsdag door de rechtbank Midden-Nederland ontslagen van alle rechtsvervolging voor het schieten op een auto in augustus 2011 op de A1 ter hoogte van Muiden. Een inzittende raakte daarbij zwaar gewond De rechtbank is van oordeel dat de agent in een hevige gemoedsbeweging, paniek, heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659660-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende [adres] ([woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting op 15 april 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.M. Gorter en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels, althans een kogel, heeft geschoten op/in/door en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 1] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan[aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een schotwond in de rechter borstkas en/of een schotwond in het rechterbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen twee kogels, althans een kogel, te schieten op/in/door en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 1] zich bevond;

2.

Primair

hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels, althans een kogel, heeft geschoten op/in/door en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 2] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), althans in het arrondissement Midden-Nederland, [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een vuurwapen twee kogels, althans een kogel, geschoten op/in/door en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 2] zich bevond.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 30 augustus 2011 omstreeks 00.42 uur vernemen verbalisanten [verdachte] (verder: verdachte) en [medeverdachte] dat er mogelijk een woninginbraak heeft plaatsgevonden in Muiden. De daders zouden zijn weggereden in een zilveren Fiat Punto (gekentekend: [kenteken]). Verbalisanten zien de Fiat Punto rijden op de autosnelweg A1 uit de richting van Muiden en geven de bestuurder een stopteken. De Fiat Punto stopt op de vluchtstrook. Het politievoertuig stopt eveneens op de vluchtstrook achter de Fiat Punto. Verdachte loopt vervolgens naar de Fiat Punto en opent het rechter voorportier. Verdachte deelt de inzittenden mee dat hij van de politie is en dat de inzittenden zijn aangehouden. De bijrijder stapt uit de Fiat Punto en rent over de vluchtstrook in de richting van Amsterdam. Verdachte zet de achtervolging in, maar kan de bijrijder niet achterhalen, waarop verdachte de achtervolging staakt. De bestuurder van de Fiat Punto, te weten [aangever 2], rijdt vervolgens weg in de richting van Amsterdam. Verdachte schiet tweemaal op de Fiat Punto, waardoor een van de inzittenden, te weten[aangever 1], tweemaal is geraakt door een kogel.

[aangever 2] en[aangever 1] doen beiden aangifte tegen verdachte van poging tot doodslag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiftes van [aangever 2] en[aangever 1] en de bekennende verklaring van verdachte. Er is sprake van voorwaardelijk opzet, nu verdachte van korte afstand op de Fiat heeft geschoten terwijl hij wist dat zich daarin meerdere inzittenden bevonden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde pogingen tot doodslag. Bij verdachte ontbrak immers het opzet, ook in voorwaardelijke zin, op de dood van de inzittenden van de Fiat. Het enkele schieten levert geen aanmerkelijke kans op die verdachte willens en wetens heeft aanvaard.

Voor het overige heeft de raadsman zich voor wat een bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank1

Uit de aangiftes van[aangever 1]2 en [aangever 2]3, het sporenonderzoek4 en de bekennende verklaring van verdachte5 blijkt genoegzaam dat verdachte op 30 augustus 2011 op/in/door en in de richting van de Fiat Punto, waarin zich de aangevers bevonden, met een vuurwapen twee kogels heeft geschoten.

De rechtbank stelt vast dat er geen enkel bewijs voorhanden is dat bij verdachte de volle opzet aanwezig was om[aangever 1] en [aangever 2] te doden.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Uit de handelingen van verdachte, te weten het tweemaal schieten op/in/door en in de richting van de Fiat Punto, leidt de rechtbank af dat deze handelingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op het veroorzaken van de dood van de inzittenden. In ieder geval heeft verdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de inzittenden door zijn handelen zouden komen te overlijden. Verdachte is volledig gecertificeerd voor de integrale beroepsvaardighedentesten en derhalve een geoefend schutter. De door de verdachte afgevuurde kogels zijn ingeslagen op een hoogte van 77,5 centimeter vanaf de grond. Voorts heeft verdachte verklaard dat de Fiat Punto op een afstand van ongeveer 2 tot 4 meter van hem verwijderd was op het moment van schieten.6 De kans dat daardoor inzittenden geraakt zouden worden door één van de kogels is aanmerkelijk, mede gelet op de korte afstand tussen verdachte en de Fiat Punto. Als de romp van de inzittenden getroffen zou zijn hetgeen gelet op de hoogte van de inschoten in de auto zeer wel mogelijk was, is de kans op overlijden aanmerkelijk, nu zich in de romp de vitale delen van het lichaam bevinden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat bij verdachte het voorwaardelijk opzet bestond om de inzittenden van de Fiat Punto van het leven te beroven.

De rechtbank acht gelet op voorgaande de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals die volgt uit de hierna genoemde bewezenverklaring.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Primair

hij op 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels heeft geschoten op/in/door en in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 1] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

Primair

hij op 30 augustus 2011 te Muiden (op de autosnelweg A1), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels, heeft geschoten op/in/door en in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die [aangever 2] zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Van het onder 1 primair en 2 primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair en feit 2 primair (telkens):

Poging tot doodslag.

7 STRAFBAARHEID

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Gelet op de verklaringen van verdachte en de getuige [medeverdachte] was er sprake van een noodweersituatie, aangezien de Fiat recht op verdachte afreed, terwijl verdachte op een smalle vluchtstrook stond. Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd dat er sprake was van een situatie van putatief noodweer. Meer subsidiair heeft de officier gesteld dat er sprake was van een noodweerexcessituatie. Verdachte heeft, nadat de Fiat hem was gepasseerd, en er derhalve geen noodweersituatie meer bestond, geschoten op de Fiat. Nu het schieten op de Fiat het gevolg is geweest van de door de noodweersituatie teweeggebrachte hevige gemoedsbeweging is er sprake van noodweerexces.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Primair heeft de raadsman daartoe betoogd dat verdachte een beroep toekomt op noodweer. Gelet op de verklaringen van verdachte en de getuige [medeverdachte] is het aannemelijk dat verdachte in een noodweersituatie verkeerde op het moment dat hij besloot om te schieten op de Fiat.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er sprake was van putatief noodweer. Verdachte verkeerde immers in de (verontschuldigbare) veronderstelling dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich diende te verdedigen.

Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er sprake was van noodweerexces. Door de dreigende wederrechtelijke aanranding (de noodweersituatie) ontstond er bij verdachte een hevige gemoedsbeweging. Vanuit die gemoedsbeweging heeft verdachte gehandeld terwijl de noodweersituatie al voorbij was.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij zich op een smalle vluchtstrook bevond op een afstand van ongeveer 30 meter van de Fiat Punto. Verdachte hoorde de getuige

[medeverdachte] roepen “[verdachte] kijk uit”. Op dat moment draaide verdachte zich om en hoorde hij piepende banden en een motor loeien alsof met vol gas een auto werd opgetrokken. Verdachte zag dat de Fiat Punto recht op hem af kwam. Verdachte zag de koplampen op en neer gaan en had het idee dat dit kwam omdat de bestuurder snel opschakelde en vol gas op hem af kwam. Verdachte deed een stap achteruit en voelde de vangrail achter zich. De Fiat Punto kwam recht op verdachte af. Verdachte dacht dat hij omver zou worden gereden en trekt zijn pistool en “prikt” richting de Fiat Punto.

De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van de getuige

[medeverdachte]. Deze getuige heeft verklaard dat verdachte op ongeveer 20 tot 30 meter van de Fiat Punto af stond. Op dat moment startte de bestuurder de Fiat Punto en ontstond er volgens de getuige een zeer ernstige situatie. De getuige was bang dat de Fiat Punto zou wegrijden in de richting van verdachte en dat verdachte daarbij zou worden aangereden. Even heeft de getuige zelfs naar zijn zeggen overwogen zijn pistool te gebruiken. De getuige had zijn pistool al uit zijn holster gehaald, maar heeft het pistool weer geborgen, aangezien verdachte in de vuurlinie zou staan. De getuige voelde zich machteloos en schreeuwde “[verdachte] kijk uit, kijk uit, hij komt op je af” op het moment dat hij zag en hoorde dat de Fiat Punto met spinnende wielen en een gierende motor wegreed in de richting van verdachte.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat aannemelijk is dat er voor verdachte sprake was van een noodweersituatie. Er bestond immers een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich diende te verweren. De Fiat Punto reed (weliswaar vanuit stilstand) met hoge snelheid op verdachte af, hetgeen de rechtbank afleidt uit het optrekken met loeiende motor en piepende banden. Voorts blijkt uit voornoemde verklaringen dat de Fiat Punto niet direct de autosnelweg op is gereden, maar eerst op de vluchtstrook reed en derhalve richting de verdachte. Ook uit de verklaring van de getuige, waarin hij aangeeft zijn pistool te hebben getrokken, blijkt dat er sprake was van een zeer dreigende situatie voor verdachte. Bij dit alles komt het nachtelijke tijdstip en de omstandigheid dat verdachte op een smalle vluchtstrook tegen de vangrail stond.

Uit het sporenonderzoek blijkt dat de door verdachte afgevuurde kogels zijn ingeslagen in de achterklep en ter hoogte van de benzineklep van de Fiat Punto. Uit de bijbehorende foto’s van de schotbanen blijkt tevens dat verdachte heeft geschoten nadat de Fiat Punto hem was gepasseerd. Ook uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij mogelijk onbewust nog heeft gewacht met schieten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat op het moment van schieten er geen sprake meer was van een noodweersituatie. Van inrijden op verdachte was op dat moment immers geen sprake meer. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte een beroep toekomt op noodweerexces. De Hoge Raad7 heeft omtrent noodweerexces het volgende overwogen:

“Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

  1. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

  2. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (vgl. HR 18 mei 1993, NL 1993, 691).”

De rechtbank dient in dit geval vast te stellen of aannemelijk is dat de gedraging van verdachte, te weten het tweemaal schieten op de Fiat Punto, het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding, te weten het inrijden op verdachte.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren bij de politie als ook ter terechtzitting duidelijk omschreven wat er door hem heen ging op het moment dat de Fiat Punto op hem af reed tot het moment dat hij de schoten heeft gelost. De rechtbank kan, gezien de korte tijdspanne waarin het geheel zich heeft voorgedaan en het nachtelijke tijdstip, niet anders dan concluderen dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Dat de verdachte een politieman is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging wegens het hem toekomende beroep op noodweerexces.

8 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft[aangever 1] – daartoe vertegenwoordigd door

mr. B.G.M.C. Peters – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 29.635,61.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij[aangever 1] dient, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdachte voor het onder 1 primair bewezen verklaarde feit niet strafbaar is.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit niet strafbaar;


- ontslaat de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij[aangever 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mr. H. Vegter en mr. L.G. Wijma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2011-0096, doorgenummerd 1 tot en met 104.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 01062012 0930.AAN, houdende de aangifte van[aangever 1].

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 20012012 1300.AAN, houdende de aangifte van [aangever 2].

4 Pagina 45 e.v.

5 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 15 april 2014.

6 Pagina 70.

7 Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5716.